Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:13

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
C/13/692164 / HA ZA 20-1089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

2:82 lid 4 BW - moet rechtspersoon eiser als één van haar aandeelhouders erkennen? - 3:119 lid 1 BW - wettelijk vermoeden door rechtspersoon weerlegd - eiser wordt niet toegelaten tot nadere bewijsvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/692164 / HA ZA 20-1089

Vonnis van 12 januari 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: eerst mr. V. van Oosteren, nu mr. J.H. Fellinger te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

HEINEKEN HOLDING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Heineken worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 oktober 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 7 juli 2021, waarbij een mondelinge behandeling van de zaak is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 november 2021, met de daarin vermelde akte indiening aanvullende producties tevens houdende aanvulling grondslag, tevens houdende wijziging eis, met producties.

1.2.

Als laatste is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 Inleiding

2.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] door Heineken moet worden erkend als eigenaar van aandelen Heineken. Volgens [eiser] is hij eigenaar van een zogenaamd CF-stuk, waarin aandelen Heineken zijn belichaamd. Hij heeft dat CF-stuk als kind gekregen, is dit daarna uit het oog verloren en heeft het in 2017 bij het opruimen van de zolder van zijn moeder weer gevonden. Volgens Heineken kan dat niet kloppen, omdat CF-stukken vroeger alleen tussen bepaalde professionele partijen werden uitgewisseld en omdat ze inmiddels allemaal zijn vervangen door aandelen op naam. De slotconclusie is dat [eiser] niet als eigenaar van het CF-stuk kan worden aangemerkt en dat hij dus ook niet als eigenaar van de daarin belichaamde aandelen Heineken moet worden aangemerkt.

3 De feiten

3.1.

[eiser] is bezitter van onderstaand stuk, waarop staat dat het een bewijs is van 10.000 aandelen A aan toonder in Heineken, elk groot fl. 25,-. Het stuk vermeldt als volgnummer 65. Het stuk wordt hierna aangeduid als het CF-stuk.

3.2.

CF-stukken zijn een vorm van aandeelbewijs aan toonder uitgegeven door rechtspersonen die deze stukken konden uitgeven. CF-stukken werden geadministreerd door het Centrum voor Fondsenadministratie (hierna: het CF). Met de introductie van CF-stukken werd beoogd de uitkering van dividenden door rechtspersonen aan de rechthebbenden op dividend te vergemakkelijken. Betaling van dividenden door rechtspersonen vond plaats aan het CF, die de dividenden verder doorbetaalde aan de bewaarders van de dividendbladen. De bewaarders betaalden het ontvangen dividend door aan degenen die volgens hun administratie de rechthebbenden op het dividend waren.

3.3.

Heineken heeft in de periode van 1972 tot en met 1995 3.911 CF-stukken laten drukken, die elk 10.000 aandelen Heineken belichaamden. De CF-stukken werden genummerd vanaf 1 tot en met 3.911. Van deze CF-stukken zijn er 986 in omloop gebracht en op de beurs verhandeld. Heineken heeft na het laten drukken CF-stukken in bewaring gegeven bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO). ABN AMRO was aangesloten bij het CF, waardoor zij deel kon uitmaken van het CF-systeem. De overige CF-stukken zijn niet door Heineken voor verhandeling in omloop gebracht en belichaamden geen geplaatste of uitstaande aandelen in het kapitaal van Heineken. Zij werden ondergebracht in zogenaamde NUS (Niet Uitstaande Stukken)-depots.

3.4.

De administratie van CF-stukken door het CF vond plaats met toepassing van het CF-reglement. In dit reglement (versie 1974) stond dat uitgevende instellingen verplicht waren om CF-stukken slechts verkrijgbaar te stellen bij houders van een depot in de betrokken fondsensoort. Houders van een depot waren verplicht om CF-stukken slechts af te geven aan andere houders van een depot, bewaarders of de betrokken uitgevende instelling. Bewaarders waren op hun beurt verplicht CF-bladen slechts af te geven aan een andere bewaarder, een houder van een depot in de betrokken fondsensoort of de betrokken uitgevende instelling. Verder waren houders van een depot en bewaarders verplicht een administratie bij te houden, waaruit voor ieder door hen afgegeven of in ontvangst genomen CF-stuk of CF-blad bleek wanneer en aan wie het was afgegeven. In het reglement stond verder dat de posities in CF-bladen en CF-stukken dagelijks in de administratie van het CF werden vastgelegd. Daarnaast was in het reglement opgenomen dat indien het CF of een deelnemer een onjuistheid in de administratie van het CF of in een door het CF opgegeven positie bemerkte, zij verplicht waren de overige betrokkenen daarvan terstond in kennis te stellen.

3.5.

Op 15 juli 1977 is de Wet giraal effectenverkeer (hierna: Wge) in werking getreden. Met invoering van deze wet werd een systeem van girale levering van effecten (waaronder aandelen aan toonder) geïntroduceerd. Ook door Heineken uitgegeven CF-stukken werden in het systeem van de Wge opgenomen.

3.6.

Heineken heeft op 4 mei 1998 haar statuten gewijzigd. In de gewijzigde statuten is bepaald dat alle uitgegeven aandelen A aan toonder worden belichaamd in één aandeelbewijs en dat Heineken dit aandeelbewijs ten behoeve van de rechthebbenden tot de erdoor belichaamde aandelen liet bewaren door het centraal instituut in de zin van de Wet giraal effectenverkeer, Necigef. In de gewijzigde statuten was ook een overgangsbepaling opgenomen, die inhield dat de nog uitstaande bewijzen van aandelen A aan toonder, tot het nominale bedrag werden bijgeschreven op het aandeelbewijs tegen inlevering van de CF-stukken. Rechten op dividend en andere uitkeringen die zijn verbonden aan aandelen aan toonder konden op grond van de gewijzigde statuten na 31 augustus 1998 alleen worden uitgeoefend indien de desbetreffende aandelen aan toonder op de hiervoor bedoelde wijze waren ingeleverd.

3.7.

De eerste bijschrijving van aandelen op het in de statuten bedoelde aandeelbewijs (het verzamelbewijs) vond plaats op 5 mei 1998.

3.8.

ABN AMRO heeft, na deze bijschrijving op het verzamelbewijs, in 1999 in opdracht van Heineken CF-stukken vernietigd. Volgens door ABN AMRO genoteerde gegevens zijn op 1 maart 1999 de CF-stukken met nummers 1 tot en met 772 en 912 tot en met 1125 vernietigd.

3.9.

Door opeenvolgende splitsingen van aandelen in de diverse statutenwijzigingen vertegenwoordigen CF-stukken van 10.000 aandelen met een nominale waarde van fl. 25,- inmiddels 78.125 aandelen met een nominale waarde van EUR 1,60.

3.10.

Bij statutenwijziging van 26 april 2005 is de in de statuten opgenomen overgangsbepaling voor de inwisseling van fysieke aandelen aan toonder in Heineken geschrapt.

3.11.

Heineken heeft in april 2012 haar gehele aandelenkapitaal omgezet in aandelen op naam. Zij heeft hiervoor als eerste op 23 april 2012 door middel van een overeenkomst met onder andere Necigef (inmiddels Euroclear Nederland genaamd) de aandelen die werden belichaamd door het verzamelbewijs omgezet in aandelen op naam. Vervolgens is het gehele aandelenkapitaal van Heineken bij statutenwijziging van 25 april 2012 op naam gesteld. Alle aandelen die werden belichaamd door het verzamelbewijs zijn in het aandeelhoudersregister van Heineken op naam van Euroclear Nederland gezet.

3.12.

[eiser] heeft in 2017 contact gezocht met ABN AMRO ter bepaling van de waarde van het door hem gehouden CF-stuk.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] wil – na eiswijziging en samengevat weergegeven – dat de rechtbank Heineken veroordeelt hem als eigenaar van 78.125 aandelen (dan wel van een door de rechtbank vast te stellen aantal aandelen) te erkennen en zijn uit het aandeelhouderschap voortvloeiende rechten te erkennen. Verder wil [eiser] dat Heineken de aandelen op zijn naam registreert in haar aandeelhoudersregister. Wanneer deze vorderingen niet worden toegewezen wil [eiser] dat de rechtbank Heineken veroordeelt tot het verstrekken van vervangende aandelen Heineken. Verder wil [eiser] dat Heineken hem een afschrift stuurt van het gewijzigde aandeelhoudersregister. [eiser] vordert daarbij een dwangsom, een kostenveroordeling, en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

4.2.

[eiser] stelt voor zijn vorderingen dat hij sinds 1978 eigenaar is van het CF-stuk. [eiser] wil zijn rechten als aandeelhouder uitoefenen. Zijn aandelen zijn aan te merken als aandelen, zoals vermeld in de statuten tot aan de wijziging daarvan in 2005. Na splitsing in diverse statutenwijzigingen moeten [eiser] aandelen worden aangemerkt als 78.125 aandelen van EUR 1,60 nominaal per aandeel. Op grond van artikel 2:82 lid 4 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is hij eigenaar geworden van 78.125 aandelen op naam in Heineken.

Voor zover de rechtbank oordeelt dat het CF-stuk van [eiser] geen aandelen in Heineken meer belichaamt, stelt [eiser] zich op het standpunt dat dit aan Heineken te wijten is. Heineken heeft, voordat zij overging tot omzetting van de aandelen, niet gecontroleerd wie de rechtmatige eigenaar van de aandelen was. Heineken heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] . [eiser] lijdt als gevolg van het handelen van Heineken schade, die door Heineken moet worden vergoed door hem vervangende aandelen op naam te verstrekken.

4.3.

Heineken voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het draait in deze zaak om de vraag of Heineken [eiser] moet erkennen als één van haar aandeelhouders en hem aandelen op naam moet verschaffen.

5.2.

[eiser] grondt zijn vordering op artikel 2:82 lid 4 BW. Op grond van dit artikel luiden aandelen aan toonder die op 1 januari 2020 niet in bewaring zijn gegeven aan een centraal instituut of een intermediair zoals bedoeld in artikel 1 van de Wge vanaf die datum van rechtswege op naam. Heineken weerspreekt dat het CF-stuk van [eiser] aandelen vertegenwoordigt die niet in bewaring zijn gegeven als hiervoor bedoeld. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aandelen aan toonder die in het CF-stuk waren belichaamd in bewaring zijn gegeven, zijn omgezet en uiteindelijk op naam van Euroclear Nederland zijn gesteld. Verder weerspreekt Heineken dat [eiser] , voor zover sprake is van een origineel stuk, de rechtmatige eigenaar is van het CF-stuk. Omdat de betwisting van [eiser] eigendomsrecht het meest verstrekkend is, zal dit hierna als eerste worden besproken. Daarbij wordt veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat het CF-stuk dat [eiser] in bezit heeft een origineel stuk is.

is [eiser] eigenaar van het CF-stuk?

5.3.

Omdat [eiser] de bezitter is van het CF-stuk, wordt vermoed dat hij de rechthebbende van het stuk is (artikel 3:119 lid 1 BW). [eiser] wordt daarmee ook vermoed de rechthebbende, dus eigenaar, te zijn van de in het CF-stuk vervatte aandelen. Daar staat tegenover dat de rechter op grond van dat wat over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval kan oordelen dat het vermoeden zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398 (Gielkens/Gielkens)).

5.4.

Bij de beoordeling van de vraag of het vermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW is weerlegd is het volgende van belang. Heineken heeft uitgebreid toegelicht hoe volgens haar de levensloop van het CF-stuk met nummer 65 is geweest. Volgens Heineken is het betreffende stuk in 1972 gedrukt als onderdeel van de serie CF-stukken genummerd 1 tot 200, en vervolgens bewaard in de kluis van ABN AMRO. Nadat de Wge in werking is getreden is het stuk volgens Heineken bewaard in de kluis van Necigef. Volgens Heineken heeft het CF-stuk de kluis nooit verlaten, omdat CF-stukken slechts konden worden afgegeven aan depothouders of bewaarders. Daarbij heeft Heineken verwezen naar het CF-reglement. Heineken heeft verder naar voren gebracht dat de CF-stukken die zich onder ABN AMRO dan wel Necigef bevonden regelmatig werden gecontroleerd en geteld. Ook dat volgt volgens Heineken uit het CF-reglement. Volgens Heineken is daarbij, tot aan het moment dat de CF-stukken in 1999 werden vernietigd, nooit geconstateerd dat het CF-stuk met nummer 65 ontbrak. Als dit wel was geconstateerd, dan was het ontbrekende CF-stuk op een speciale lijst geplaatst die periodiek werd gepubliceerd. Dit is nooit gebeurd.

Volgens de bij Heineken bekende gegevens zijn bij de eerste bijschrijving in 1998 alle in de 986 CF-stukken belichaamde aandelen bijgeschreven op het verzamelbewijs en zijn de betreffende CF-stukken daarna aangeboden ter vernietiging. Volgens deze zelfde gegevens bevond zich onder deze CF-stukken ook het CF-stuk met nummer 65. Als het CF-stuk van [eiser] een origineel stuk is, is volgens Heineken de enige plausibele verklaring dat iemand ten tijde van de vernietiging het CF-stuk met nummer 65 heeft ontvreemd. Ook heeft Heineken naar voren gebracht dat het huidige aantal in haar aandeelhoudersregister vermelde aandelen overeenkomt met het totaal geplaatste kapitaal Heineken per 31 december 2019 en dat al deze aandelen op naam staan van een (rechts)persoon.

5.5.

[eiser] heeft weersproken dat het CF-stuk met nummer 65 van meet af aan in een kluis heeft gelegen. Dat volgt immers al uit het feit dat hij het, naar zijn stelling, sinds 1978 in bezit heeft. Dit is echter niet aannemelijk. Op de door Heineken in de procedure ingebrachte lijsten, waarop ABN AMRO heeft vermeld welke CF-stukken zijn vernietigd, worden in ieder geval de CF-stukken 1 tot en met 772 en 912 tot en met 1125 vermeld. [eiser] heeft geopperd dat ABN AMRO mogelijk valselijk op de lijst heeft opgenomen dat CF-stuk nummer 65 ook is vernietigd. Maar hiervoor bestaat geen aanwijzing.

[eiser] heeft erop gewezen dat het zeer wel mogelijk is dat het CF-stuk buiten het systeem van bewaarders terecht kwam, bijvoorbeeld door uitlevering aan de uitgevende instelling (in dit geval Heineken). Aanknopingspunten dat Heineken van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt zijn er echter niet, terwijl ook niet goed valt in te zien waarom zij dit zou doen. Ook voor [eiser] suggestie dat medeoprichter en (toenmalig) bestuurder A.H. Heineken dan wel een ander bij Heineken werkzame persoon het CF-stuk buiten het CF-systeem zou hebben gebracht zijn geen aanknopingspunten.

[eiser] heeft ook weersproken dat de CF-stukken die zich in de kluis van ABN AMRO dan wel Necigef bevonden regelmatig werden gecontroleerd. Heineken heeft na deze betwisting haar stelling niet van een concrete onderbouwing voorzien. Daar staat echter tegenover dat volgens Heinekens gegevens, die door [eiser] niet zijn weersproken, alle aandelen inmiddels op naam zijn gesteld en dat het huidige aantal in haar aandeelhoudersregister opgenomen aandelen overeenkomt met het totaal geplaatste kapitaal Heineken. Dit wijst erop dat ook de aandelen belichaamd door CF-stuk met nummer 65 op naam zijn gesteld. Niet valt in te zien waarom Heineken bij de omzetting van de aandelen aan toonder naar aandelen op naam aandelen zou betrekken die niet aanwezig waren.

5.6.

Gelet op het voorgaande, is het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW zodanig door Heineken weerlegd dat [eiser] zijn eigendom nader moet bewijzen. De rechtbank komt echter pas toe aan een bewijsopdracht als [eiser] voldoende heeft gesteld om tot dit bewijs te worden toegelaten.

5.7.

[eiser] heeft over het moment waarop hij eigenaar van het CF-stuk is geworden gesteld dat hij het stuk in 1978 voor zijn elfde verjaardag van zijn moeder heeft gekregen. Volgens [eiser] had zijn moeder destijds de middelen om het CF-stuk te kopen en heeft zij dat ook gedaan. Zijn moeder was altijd bezig met de toekomst van haar kinderen en gaf wel vaker cadeautjes. Zij was ook voor haar werk veel in het buitenland. Achteraf heeft [eiser] het gevoel dat het ook een soort afkopen van haar aanwezigheid was.

5.8.

De rechtbank acht het echter ongeloofwaardig dat [eiser] het CF-stuk als elfjarige van zijn moeder als geschenk heeft gekregen. Zo ontbreekt enige onderbouwing van zijn stelling dat zijn moeder het stuk zelf heeft gekocht. Hij heeft niet gesteld wanneer en van wie zijn moeder het stuk heeft gekocht. Dat is van belang omdat een CF-stuk, anders dan een regulier verjaardagscadeau voor een kind, alleen bij een financiële instelling kon worden gekocht, en die instellingen over het algemeen dergelijke transacties ook documenteren. Ook ligt het niet voor de hand dat een moeder haar zoon voor zijn elfde verjaardag een geschenk geeft dat bestaat uit aandelen. Op die leeftijd zijn kinderen over het algemeen immers in andere zaken geïnteresseerd zijn dan in aandelen van rechtspersonen. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat dit voor hem niet anders was: hij vond het wel interessant, heeft ernaar gekeken en het bewaard, maar uit zijn verklaring blijkt niet dat deze materie hem als elfjarige al erg bezig hield. Dit wordt nog minder aannemelijk gelet op de, door Heineken onweersproken gestelde, waarde van de aandelen. De nominale waarde was fl.250.000,- maar de beurswaarde was destijds al ongeveer fl.1.000.000,-. [eiser] heeft geen omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het in zijn relatie met zijn moeder gebruikelijk was dat hij cadeaus met een dergelijke waarde ontving. Het enkele feit dat zij bemiddeld was, is daarvoor onvoldoende. Hij heeft niet toegelicht dat een dergelijk kostbaar cadeau paste in de lijn van andere cadeaus die hij in die periode van zijn moeder ontving, of in de levensstijl die zijn moeder en hij destijds voerden. [eiser] heeft wel gesteld dat zijn moeder altijd bezig was met de toekomst van haar kinderen. Maar daaruit volgt nog niet dat het gebruikelijk of verklaarbaar was dat zij cadeaus ontvingen van een omvang zoals nu aan de orde. Ook de omstandigheid dat [eiser] , zoals hij heeft gesteld, het CF-stuk eerst in een map in zijn kamer heeft bewaard en daarna uit het zicht is verloren om het uiteindelijk pas in 2017 bij toeval weer op de zolder van het huis van zijn moeder aan te treffen draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn stelling. Als zijn moeder het CF-stuk aan hem als cadeau had gegeven met het oog op zijn toekomst, lag het voor de hand dat zij ervoor zorgde dat hij zorgvuldig met het stuk omging. Dan is bovendien ook niet verklaarbaar waarom zijn moeder er al die jaren ook niet op heeft toegezien dat aanspraak werd gemaakt op het dividend op de aandelen.

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, heeft [eiser] onvoldoende gesteld om tot bewijs te worden toegelaten van zijn stelling dat hij in 1978 het CF-stuk met nummer 65 van zijn moeder als verjaardagscadeau heeft gekregen. [eiser] zal daarom niet tot bewijsvoering worden toegelaten.

5.9.

[eiser] heeft verder nog gesteld dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat hij het CF-stuk niet te goeder trouw heeft verkregen, hij door verjaring alsnog eigenaar van het stuk (en daarmee van de aandelen) is geworden, omdat hij het stuk sinds 1978 in zijn bezit heeft. Deze stelling houdt echter geen stand gelet op dat wat hiervoor is overwogen over het moment waarvan [eiser] stelt dat hij het CF-stuk heeft gekregen. Omdat niet vaststaat dat hij het stuk in 1978 in bezit heeft gekregen en [eiser] ook geen ander moment heeft aangewezen waarop hij het stuk in bezit heeft gekregen, kan er niet vanuit worden gegaan dat [eiser] door verjaring eigenaar is geworden.

5.10.

[eiser] is dus geen eigenaar van het CF-stuk, zodat ook de subsidiaire grondslag voor zijn vordering niet slaagt. Ook als wordt aangenomen dat Heineken voorafgaand aan de omzetting van de toonderaandelen naar aandelen op naam niet heeft gecontroleerd wie de eigenaar van het CF-stuk was, heeft zij daarmee niet onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld. Zij heeft met de omzetting ook geen inbreuk gemaakt op een aan hem toebehorend eigendomsrecht.

5.11.

De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze worden begroot op EUR 656,- aan griffierecht en op EUR 1.126,- (2 punten x tarief EUR 563,-) aan salaris advocaat.

5.12.

De door Heineken gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als hierna onder de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Heineken tot op heden begroot op EUR 1.782,-;

6.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2022.1

1 type: ERM coll: