Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2022:1062

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2022
Datum publicatie
08-03-2022
Zaaknummer
26Marengo
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 1 maart 2022

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, gedaan op de regiezitting van 1 maart 2022

1. De rechtbank heeft voorafgaand aan de regiezitting van 1 maart 2022 geen schriftelijke onderzoekswensen ontvangen. Een eerste schriftelijke ronde, zoals die bij eerdere regiezittingen plaatsvond, heeft nu dan ook niet plaatsgevonden.

2. Namens verdachte [verdachte 1] is door mrs. Dunsbergen en Van ’t Land ter terechtzitting van 1 maart 2022 toegelicht dat zij nog niet in staat zijn onderzoekswensen te formuleren. Wel hebben zij laten weten dat eventuele onderzoekswensen naar verwachting in ieder geval zullen zien op het horen van de kroongetuige, de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] en (technische aspecten rond) de PGP-berichten.

3. Namens verdachte [verdachte 2] heeft mr. Meijering ter terechtzitting van 1 maart 2022 een aantal onderzoekswensen gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd.

4. Namens verdachte [verdachte 3] heeft mr. G.N. Weski ter terechtzitting van 1 maart 2022 een verzoek gedaan waarop het Openbaar Ministerie heeft gereageerd.

5. Het Openbaar Ministerie heeft ter terechtzitting van 1 maart 2022 eveneens een aantal (regie)verzoeken gedaan waarop de raadslieden hebben kunnen reageren.

6. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank op de gedane verzoeken. De rechtbank heeft naar aanleiding van het besprokene ter terechtzitting van 1 maart 2022 een verdere invulling gemaakt van de zittingsdagen voor de komende zittingsperiode. Een invulling van de periode van september tot en met december 2022 zal de rechtbank zo spoedig mogelijk met de procespartijen delen.

7. Ter terechtzitting van 1 maart 2022 heeft het Openbaar Ministerie nog niet de gelegenheid gehad te reageren op het (aanvullende) verzoek van de verdediging met betrekking tot het horen van de partner van de kroongetuige over de inhoud van de iPhone. Hierover volgt nog een schriftelijke ronde. Op dit verzoek zal de rechtbank daarom later beslissen.

In de zaak van verdachte [verdachte 1]

Verzoek tot het stellen van termijnen voor onderzoekswensen

8. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank verzocht de verdediging een termijn te stellen voor het indienen van aangekondigde mogelijke onderzoekswensen over de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] en technische aspecten rond de PGP-berichten.

Oordeel van de rechtbank

9. De rechtbank stelt voorop dat onderzoek naar de aanloop naar en omstandigheden rond de aanhouding van verdachte [verdachte 1] zou kunnen betekenen dat een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van Colombia moet worden gedaan. In verband met de benodigde tijd daarvoor is het wenselijk dat de verdediging zo spoedig als mogelijk dergelijke onderzoekswensen indient. Zij is daartoe overigens ook bereid. Waar het gaat om onderzoekswensen over de feitelijke aanhouding kan verdachte [verdachte 1] zijn raadslieden zelf informeren. Voor het overige geldt dat de verdediging van verdachte [verdachte 1] nu nog niet beschikt over het artikel 565 Sv (oud) BOB-dossier. Het Openbaar Ministerie heeft hierover medegedeeld dat dit dossier ter inzage kan worden verstrekt zodra de beslissing van de rechter-commissaris op een ingediende vordering om een machtiging tot permanente onthouding is ontvangen. Het komt de rechtbank voor dat de verdediging binnen één maand nadat zij inzage krijgt in dit dossier in staat zou moeten zijn op dit punt haar onderzoekswensen in te dienen. Zodra het Openbaar Ministerie dit dossier ter inzage verstrekt verneemt de rechtbank dit dan ook graag. De rechtbank zal verder op de terechtzitting van 21 maart 2022 met de verdediging en het Openbaar Ministerie bespreken wat op dit punt de stand van zaken is en hoe dit praktisch zal worden afgewikkeld.

10. Ten aanzien van mogelijke onderzoekwensen over de technische aspecten rond de PGP-berichten is de rechtbank van oordeel dat het voor de verdediging mogelijk zou moeten zijn om dergelijke verzoeken uiterlijk op 13 mei 2022 in te dienen. De rechtbank verwacht dan ook van de verdediging dat zij dit uiterlijk op de terechtzitting van 13 mei 2022 doet. De rechtbank wijst de verdediging erop dat het Openbaar Ministerie bereid en in staat is geweest om ook buiten de terechtzittingen om oplossingen te bieden voor praktische problemen bij de inzage in de PGP-berichten en vragen omtrent PGP-kwesties te beantwoorden.

11. De verdediging van verdachte [verdachte 1] heeft verder medegedeeld dat zij naar het zich laat aanzien de kroongetuige wenst te horen en dat zij daartoe op een later moment een gemotiveerd verzoek zal doen. De rechtbank wijst de verdediging erop dat het verzoek tot het horen van de kroongetuige ook in de zaak van verdachte [verdachte 1] al is toegewezen. De kroongetuige is al eerder mede in de zaak van verdachte [verdachte 1] gehoord en zal verder worden gehoord, onder andere op de reeds geplande zittingsdagen op 10 en 13 mei 2022 waarop de zaaksdossiers met verdachte [verdachte 1] worden besproken. De verdediging hoeft dan ook niet opnieuw te verzoeken om het horen van de kroongetuige.

In de zaken van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 2] en [verdachte 1]

Het horen van (twee) zussen van de kroongetuige bij de politie

Standpunt van het Openbaar Ministerie

12. Het Openbaar Ministerie heeft medegedeeld dat het van de politie heeft vernomen dat de zussen van de kroongetuige hebben aangegeven dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden niet in staat zijn om te worden verhoord. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank verzocht de eerdere opdracht van de rechtbank te wijzigen en te bepalen dat het verhoor zal worden afgenomen door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris kan voorafgaand aan een dergelijk verhoor beoordelen of de persoonlijke omstandigheden in de weg staan aan een getuigenverhoor en zo ja, hoe lang die verhindering aanwezig moet worden geacht. Tevens wordt verzocht te bepalen dat de rechter-commissaris zich voor het verhoor kan laten bijstaan door de politie en dat het verhoor buiten aanwezigheid van procespartijen (Openbaar Ministerie en verdediging) plaatsvindt, zoals ook het geval zou zijn geweest bij een verhoor door de politie.

Standpunt van de verdediging van verdachte [verdachte 2]

13. In reactie op de verzoeken van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging van verdachte [verdachte 2] aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het voorstel van het Openbaar Ministerie. De rechtbank begrijpt dat de verdediging zelf wenst te kunnen toetsen of de gestelde persoonlijke omstandigheden van voldoende gewicht zijn om van een verhoor af te zien en dat de verdediging de twee zussen, als zij wel als getuige gehoord kunnen worden, ook zelf vragen wil kunnen stellen.

Oordeel van de rechtbank

14. De rechtbank stelt voorop dat zij destijds afwijzend heeft beslist op het verzoek tot het als getuige horen van de twee zussen van de kroongetuige die meegewerkt hebben aan de vierdelige documentaireserie ‘De jacht op de Mocro-Maffia’. De rechtbank achtte alleen in het kader van verificatie en falsificatie enig onderzoek door de politie gerechtvaardigd. Verwezen wordt naar overweging 13 van de beslissing van 29 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4764). Deze overweging luidt:

“De verdediging (toevoeging rechtbank: van verdachten [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 2] en [verdachte 1] ) heeft verzocht deze twee zussen van de kroongetuige te doen horen als getuige. Voor zover de grondslag van dat verzoek ziet op de totstandkoming van de overeenkomst met de kroongetuige en de beweerde mededeling van een overheidsfunctionaris dat de dood van de broer van de kroongetuige aan de kroongetuige te wijten was, kan de rechtbank niet inzien welk verdedigingsbelang daarmee gemoeid kan zijn. De verdediging heeft verder gewezen op passages uit de documentaire ‘De jacht op de Mocro-Maffia’ waaruit zou volgen dat de kroongetuige (mogelijk) met zijn familie heeft gesproken over de feiten uit de zaaksdossiers Roos en Doorn. De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen in de citaten uit de documentaire geen uitsluitsel geven over hetgeen de kroongetuige inhoudelijk over die zaken heeft verteld, maar wel enig nader onderzoek op dit punt rechtvaardigen. De officier van justitie wordt opgedragen om, in het kader van verificatie en falsificatie, de beide zussen te doen verhoren door de politie. Indien daartoe aanleiding bestaat kan de verdediging naar aanleiding van de processen-verbaal die van die verhoren worden opgemaakt, een nader verzoek doen tot het horen van hen als getuige.”

15. Bij gelegenheid van de regiezittingen die na deze beslissing hebben plaatsgevonden heeft het Openbaar Ministerie medegedeeld dat de twee zussen hebben aangegeven om persoonlijke redenen niet in staat te zijn te worden verhoord. Hoewel ter terechtzitting van 12 maart 2021 en laatstelijk ter terechtzitting van 20 december 2021 door het Openbaar Ministerie is medegedeeld dat de verhoren bij de politie op korte termijn zouden worden ingepland, moet de rechtbank nu vaststellen dat een verhoor van de zussen door de politie gewoonweg niet is gelukt. De rechtbank ziet, tegen de achtergrond van haar eerdere beslissing dat het gaat om enig onderzoek in het kader van verificatie en falsificatie en bij gebreke van een nadere onderbouwing door de verdediging, geen aanleiding om te bepalen dat de twee zussen thans als getuige bij de rechter-commissaris zouden moeten worden gehoord. De rechtbank ziet evenmin aanleiding hen te laten horen door de rechter-commissaris op de door het Openbaar Ministerie voorgestane wijze. De verzoeken van het Openbaar Ministerie en de verdediging van verdachte [verdachte 2] worden daarom afgewezen.

In de zaak van verdachte [verdachte 2]

Verzoek met betrekking tot rechtshulpverzoeken

16. De verzoeken van de verdediging tot voeging in het dossier van het rechtshulpverzoek aan het Verenigd Koninkrijk en het aanvullend rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) worden afgewezen. De rechtbank ziet hiervoor in de gegeven onderbouwing geen reden. Ten aanzien van het aanvullend rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de VAE geldt overigens dat de door de rechtbank in de beslissing van 8 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:6338) geformuleerde vragen volgens het Openbaar Ministerie één op één zijn overgenomen in dat aanvullende rechtshulpverzoek.

Verzoek met betrekking tot het horen van ‘ [bijnaam 1] ’ als getuige

17. Bij beslissing van 14 januari 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:132) heeft de rechtbank het verzoek van verdachte [verdachte 2] om in de zaak Raspvijl als getuige op te roepen de tussenpersoon met wie de kroongetuige volgens diens verklaring contact heeft gehad over het leveren van semtex en die als ‘ [bijnaam 1] ’ in de telefoon van de kroongetuige zou staan, toegewezen. De verdediging is daarbij opgedragen binnen een maand na die beslissing aan de rechter-commissaris de (identificerende) gegevens van de getuige op te geven zodat deze kan worden opgeroepen. De rechter-commissaris heeft inmiddels laten weten dat de getuige niet kan worden opgeroepen omdat door de verdediging geen (identificerende) gegevens beschikbaar zijn gesteld.

Standpunt van de verdediging

18. De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de identificerende gegevens van deze getuige aan de kroongetuige (eventueel via de raadslieden van de kroongetuige) te vragen en hem te wijzen op zijn verplichting te zeggen wie deze persoon is. Volgens de verdediging mag de kroongetuige op grond van de overeenkomst niet weigeren te antwoorden op deze vraag.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

19. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens de kroongetuige maakt ‘ [bijnaam 1] ’ geen deel uit van de criminele organisatie die zich bezighoudt met het plegen van moorden. Het enkele feit dat de kroongetuige deze persoon heeft benoemd en er volgens de rechtbank mogelijk een belang zou zijn om deze persoon als getuige te horen, maakt nog niet dat het doorgeven van die personalia onder de verklaringsplicht uit hoofde van de overeenkomst valt.

Oordeel van de rechtbank

20. De rechtbank wijst het verzoek af. Het gaat bij het horen van ‘ [bijnaam 1] ’ als getuige om het verifiëren dan wel falsificeren van de verklaringen van de kroongetuige over deze persoon. Het staat de raadsman vrij om ter terechtzitting aan de kroongetuige te vragen naar de identificerende gegevens van deze persoon. Een (eventueel daar op volgend) debat over de vraag of de kroongetuige moet antwoorden op deze vragen dient op de terechtzitting te worden gevoerd.

Het staat overigens verdachte [verdachte 2] vrij om de hem bekende bijnamen van ‘ [bijnaam 1] ’ via zijn raadsman aan het Openbaar Ministerie mee te delen. Wellicht kan aan de hand van deze bijnamen de persoon alsnog worden geïdentificeerd.

Verzoek om voeging van aanvullende berichten van de iPhone van de kroongetuige en geplande verhoordagen

21. Ter terechtzitting van 1 maart 2022 heeft de verdediging van verdachte [verdachte 2] aandacht gevraagd voor de in de beslissing van 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3586) neergelegde werkwijze met betrekking tot verzoeken tot voeging van aanvullende berichten uit de iPhone van de kroongetuige in het dossier. De verdediging wil voorafgaand aan de geplande verhoordagen van de kroongetuige niet dat de kroongetuige al kennis heeft kunnen nemen van een eventuele aanvullende selectie door de verdediging. De rechtbank heeft erop gewezen dat de verdediging ook kan verzoeken berichten vooralsnog alleen te voegen in de zaak van verdachte [verdachte 2] . Het volstaat daartoe dat de verdediging het Openbaar Ministerie het nummer van het desbetreffende bericht opgeeft met vermelding van de lijn waar het om gaat.

22. De rechtbank wil zich ook goed kunnen voorbereiden op deze geplande verhoordagen (vanaf 31 maart 2022) en vindt het daarom noodzakelijk dat zij tijdig, uiterlijk op 21 maart 2022, beschikt over eventuele aanvullende iPhone-berichten die op verzoek van de verdediging worden gevoegd in het dossier van verdachte [verdachte 2] . Voor zover dat nog niet is gebeurd, wordt de raadsman daarom verzocht zodanig tijdig aan het Openbaar Ministerie te laten weten welke berichten hij gevoegd wenst te zien, zodat deze termijn ook gehaald kan worden.

In de zaak van verdachte [verdachte 3]

Verzoek met betrekking tot verkeersgegevens van telefoons

23. Het Openbaar Ministerie heeft aan de verdediging van verdachte [verdachte 3] een overzicht van verkeersgegevens van twee telefoons (* [nummer 1] ) en (* [nummer 2] ) over de periode oktober 2016 tot en met maart 2017 ter inzage verstrekt. Het gaat om een overzicht in een Excelbestand waarin, naar de rechtbank begrijpt, wel zendmastnummers staan vermeld, maar niet de bijbehorende adressen.

24. De raadsman heeft thans verzocht om een volledig overzicht van de historische verkeersgegevens van beide telefoons over deze periode. Het belang daarbij is er volgens de raadsman in gelegen bevestigd te krijgen dat deze nummers niet van verdachte zijn maar van iemand anders. Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek toegelicht dat en waarom het verzochte onderzoek zeer arbeidsintensief is. Het heeft de verdediging verzocht om een nadere concretisering en aanduiding van specifieke momenten van welke verkeersgegevens de verdediging de bijbehorende zendmastlocaties zou willen weten. Hierop heeft de raadsman in dupliek geantwoord dat hij met verdachte [verdachte 3] zal bespreken waar verdachte [verdachte 3] in welke periode is geweest. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de raadsman zich desgewenst met een concreter verzoek rechtstreeks tot het Openbaar Ministerie wendt zodat hierop nu geen beslissing van de rechtbank hoeft te volgen.

In de zaken van alle verdachten

Overige verzoeken en vragen

25. Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.