Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
13.301312.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf van 120 uur en jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor o.a. afpersing voor afgifte van 2 flessen lachgas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Strafrecht

Parketnummer: 13.301312.20

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2000,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Hart en van wat verdachte en haar raadsman mr. S.J. Daniels naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat zij zich op 4 oktober 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: diefstal in vereniging met geweld van twee flessen lachgas en een petje, toebehorende aan [benadeelde] , door het tonen van een mes en daarbij op dreigende toon zeggen: “Dit is [buurt] ”, op 04 oktober 2020 in Amsterdam;

Feit 2: hetzelfde feit als onder 1, maar dan tenlastegelegd als afpersing in vereniging.

De tenlastelegging staat in bijlage 1.

De zaak is tegelijk op zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 13.299912.20. De rechtbank doet vandaag in beide zaken uitspraak.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent schuldig te zijn aan de tenlastegelegde feiten. Als de rechtbank toch bewezen vindt dat verdachte de vrouwelijke dader is, kan niet worden bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de mannelijke dader. Daarom moet zij worden vrijgesproken.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan samen met een ander plegen van diefstal van een pet en door afpersing verkrijgen van de lachgasflessen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte past in het signalement dat aangever heeft gegeven van de vrouwelijke dader. Aangever verklaart later dat hij via vrienden te horen heeft gekregen dat de echte naam van [naam] [verdachte] is en dat zij in [woonplaats] woont. De politie doet onderzoek naar deze [verdachte] en komt bij verdachte [verdachte] uit. Ook heeft aangever een betaalverzoek ontvangen met de naam en het rekeningnummer van [verdachte] onder vermelding van “Pet”. Daarnaast heeft verdachte een Whatsappgesprek met medeverdachte [medeverdachte] over die avond waarin verdachte zegt dat er aangifte “op ons” is gedaan door “ [benadeelde] ”. Aangever gebruikt op Snapchat de naam “ [benadeelde] ”. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, vindt de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die als ‘ [naam] ’ een afspraak heeft gemaakt met aangever en hem heeft ontmoet in de flat [buurt] . De rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat een een ander haar Snapchat-account zou gebruiken en dat het betaalverzoek nep zou zijn. Die verklaring vindt geen ondersteuning in het dossier en verdachte heeft geen namen willen noemen waarmee dit scenario getoetst zou kunnen worden.

Aangever is op verzoek van verdachte met zijn lachgasflessen naar de flat ‘ [buurt] ’ gegaan. Verdachte vroeg hem direct naar de lachgasflessen en toen aangever deze flessen niet wilde afgeven, sprong [medeverdachte] met een mes in zijn handen tevoorschijn en zei: “Dit is [buurt] ” en kwam dreigend, met het mes in de richting van de buik van aangever gericht, op hem af. Dit is bedreiging met geweld en gezien de context kennelijk gericht op de afgifte van de lachgasflessen. Dat betekent dat sprake was van een afpersing, waaraan beide verdachten een significante bijdrage hebben geleverd.

De pet werd – kennelijk omdat de gelegenheid zich voordeed – daarna door de medeverdachte van het hoofd van aangever af gepakt. Dat levert een diefstal op. Nu aangever niet verklaart op welke wijze de pet is gepakt, vindt de rechtbank niet bewezen dat daarbij geweld is gebruikt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage 2 bewezen dat verdachte:

Feit 1:
op 4 oktober 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een petje, toebehorende aan [benadeelde] ;

Feit 2:
op 4 oktober 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zichzelf en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van twee flessen lachgas, toebehorende aan die [benadeelde] , welke bedreiging met geweld bestond uit
- het tonen van een mes aan die [benadeelde] en
- het die [benadeelde] op dreigende toon de woorden toevoegen: “Dit is [buurt] ”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het jeugdstrafrecht op verdachte moet worden toegepast. Verdachte moet worden veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur. Daarnaast zou aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van een maand moeten worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Hieraan moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte vindt bij een bewezenverklaring de eis van de officier van justitie redelijk. Hij heeft verzocht om toepassing van het jeugdstrafrecht.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 4 oktober 2020 samen met medeverdachte [medeverdachte] aangever [benadeelde] van twee lachgasflessen en zijn pet beroofd. Aangever dacht met een dame te hebben afgesproken die lachgas wilde gebruiken, maar heeft uiteindelijk doodsangsten uitgestaan toen medeverdachte [medeverdachte] hem met een mes in zijn handen dwong om zijn lachgasflessen af te geven. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort feiten nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat een misdrijf als dit niet alleen de direct betrokkene raakt, maar ook verontrustend is voor de samenleving als geheel.

Uit het strafblad van verdachte van 5 februari 2021 blijkt dat zij na het incident waarvoor zij vandaag wordt veroordeeld, twee strafbeschikkingen heeft gekregen. De zaken hadden dus tegelijkertijd kunnen worden afgedaan. De rechtbank zal hier in het voordeel van verdachte enigszins rekening mee houden.

In het reclasseringsadvies van 22 februari 2021 staat dat de reclassering zorgwekkende signalen op meerdere leefgebieden van verdachte ziet, zoals huisvesting, dagbesteding en financiën. Verdachte is op jonge leeftijd gediagnostiseerd met ADHD/ODD, er is sprake van een licht verstandelijke beperking en verdachte lijkt makkelijk beïnvloedbaar. Gelet op onder andere het IQ van verdachte en de pedagogische insteek van het jeugdstrafrecht adviseert de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en past het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank heeft bij haar beslissing over de straf gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor jeugdigen. Bij zulke ernstige feiten wordt vaak een (lange) jeugddetentie opgelegd. De rechtbank zal verdachte 1 maand jeugddetentie opleggen, maar in voorwaardelijke vorm. Daarmee wil de rechtbank uiting geven aan de ernst van het feit, en er daarnaast voor zorgen dat verdachte zo snel mogelijk behandeling krijgt, om het risico op herhaling te verminderen. Aan die voorwaardelijk jeugddetentie worden de voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast krijgt verdachte een werkstraf van 120 uur.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 77a, 77c, 77i, 77m, 77x, 77y, 77z, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

Feit 2:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaar verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 60 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 uur per dag.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Samen Veilig Midden Nederland op het adres Haagbeukweg 149 te Almere. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra beschikbaar. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen dan wel begeleid wonen, wat de Jeugdreclassering nodig acht, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra beschikbaar. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Samen Veilig Midden Nederland jeugdreclassering de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. J. Huber en S. van Dongen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Hannaart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2021.