Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:992

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AMS 20/2867
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige Amsterdammer moet drie maanden bijstand terugbetalen omdat hij in drugs handelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2867

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: A.A. Brouwer).

Procesverloop

Op 2 december 2019 heeft het college de bijstandsuitkering van [eiser] over de maanden januari, maart en augustus 2019 herzien en teruggevorderd.

Op 2 januari 2020 heeft het college de terugvordering verhoogd met de betaalde belasting en premies.

Op 6 april 2020 heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen deze twee besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

[eiser] heeft daartegen beroep ingesteld.

Op 7 oktober 2020 heeft het college een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen en het bezwaar ongegrond verklaard. Het al ingestelde beroep is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht ook gericht tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 10 februari 2021. [eiser] is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. [eiser] ontving in 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Het college heeft naar aanleiding van berichten van de politie onderzoek naar zijn situatie ingesteld. [eiser] is in 2019 drie keer door de politie aangehouden op verdenking van bezit van verdovende middelen. Het college heeft op grond van de processen-verbaal van de politie vastgesteld dat [eiser] op 10 januari, op 10 maart en op 22 augustus 2019 in drugs heeft gehandeld. Omdat hij dit niet aan het college heeft gemeld, heeft hij volgens het college zijn inlichtingenplicht geschonden.

  2. Vanwege deze schending van de inlichtingenplicht heeft het college de bijstandsuitkering van [eiser] op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet over die drie maanden herzien. Het college heeft in totaal € 2.164,30 teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet. Toen het bedrag niet in het belastingjaar 2019 was terugbetaald heeft het college het bedrag verhoogd tot € 2.438,85.

  3. [eiser] zegt dat hij niet in drugs heeft gehandeld en dat hij ten onrechte als een crimineel wordt behandeld. Hij is niet vervolgd voor handel in drugs maar alleen voor het bezit ervan. [eiser] verwijst naar het vonnis van de politierechter van 5 maart 2020. De politierechter heeft hem voor het bezit van harddrugs en nog een ander feit veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. De in beslag genomen 150 euro is aan hem teruggegeven.

  4. De rechtbank beoordeelt de zaak als volgt. Wie een bijstandsuitkering ontvangt moet uit zichzelf alles melden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het van invloed kan zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Dat staat in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet. Als iemand deze inlichtingenplicht schendt en dit ertoe heeft geleid dat ten onrechte of teveel bijstand is verleend, moet het college de uitkering herzien of intrekken. Dat staat in artikel 54, derde lid, van de Participatiewet. Het college moet de kosten van de bijstand dan terugvorderen. Dat staat in artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet.

  5. Het is in principe aan het college om dit aannemelijk te maken. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Het college moet daarom de nodige kennis over de relevante feiten verzamelen. De rechtbank moet beoordelen of het college daarin is geslaagd. Daarbij hoeft de rechtbank niet af te gaan op het besluit van de officier van justitie om al dan niet te vervolgen of op de uitspraak van de strafrechter. In een strafprocedure is namelijk een andere vraag aan de orde en is ander bewijsrecht van toepassing. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.1

6. De rechtbank oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] op 10 januari, op 10 maart en op 22 augustus 2019 in drugs heeft gehandeld. Dit blijkt uit de processen-verbaal van de politie en uit de verklaringen van [eiser] op de zitting.

7. Op 10 januari 2019 bevond [eiser] zich tussen 0:05 uur en 1:45 uur ’s nachts op de Oudezijds Achterburgwal. Twee politieagenten zagen dat hij samen met anderen bezig was kort toeristen aan te spreken, drie politieagenten zagen dat hij iemand een cocaïne-wikkel gaf en hij bleek vijftien xtc-pillen bij zich te hebben. De rechtbank vindt dit zo op drugshandel lijken dat van [eiser] een aannemelijke verklaring mag worden verwacht. Die heeft hij niet gegeven. [eiser] heeft op de zitting ontkend dat hij toeristen heeft aangesproken. Dat is echter waargenomen door de twee politieagenten.

8. Op 10 maart 2019 stapte [eiser] om 1:15 uur ’s nachts in de Paleisstraat samen met een vriend uit een auto om twee mannen te ontmoeten. Een politieagent zag dat een van hen iets aan [eiser] gaf wat op een bankbiljet leek en dat [eiser] iets kleins teruggaf. Deze man bleek later een bolletje cocaïne bij zich te hebben. [eiser] bleek een wikkel cocaïne, vijf xtc-pillen en een zakje mdma bij zich te hebben. In de auto vond de politie 22 kleine bolletjes en een grotere bol cocaïne. Ook deze omstandigheden vragen om een aannemelijke verklaring, die [eiser] niet heeft gegeven. Op de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij van de drugs in de auto niet wist, dat hij drugs bij zich had voor een feest in Slotervaart en dat zij niet twee mannen maar één vriend hebben ontmoet. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk omdat dat laatste in strijd is met de processen-verbaal van de politie.

9. Op 22 augustus 2019 tussen 2:30 uur en 3:00 uur ’s nachts liep [eiser] op en neer door de Handboogstraat en sprak hij mensen aan. Op de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij in gesprek raakte met een Zweedse jongen en hem gratis wiet heeft gegeven. Tegen de politie zei deze Zweedse jongen echter: “Ik zal eerlijk zijn. Ik werd net aangesproken of ik drugs wilde hebben. Ik heb toen drugs gekocht. Ik heb wiet gekocht. Een (1) zakje voor twintig (20) euro.” [eiser] bleek acht wikkels cocaïne, vijf xtc-pillen, vier zakjes hennep, een zakje mdma en 150 euro bij zich te hebben. [eiser] heeft op de zitting gezegd dat de drugs voor eigen gebruik waren. Dit is echter in strijd met de verklaring van de Zweedse jongen, die geen reden had om hierover tegen de politie te liegen.

10. Handel in drugs is een op geld waardeerbare activiteit. Het moet iemand redelijkerwijs duidelijk zijn dat deze invloed kan hebben op het recht op bijstand, zodat hij deze moet melden. Daarvoor is niet van belang of inderdaad inkomsten of winst worden verworven. Dat is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.2 [eiser] heeft zijn activiteiten niet gemeld bij het college. Daardoor kon zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt daarom dat zijn uitkering terecht is ingetrokken en teruggevorderd.

11. De aanvankelijke beslissing op bezwaar van 6 april 2020 was echter onjuist en het college heeft deze ingetrokken nadat [eiser] beroep heeft ingesteld. Het beroep daartegen is daarom niet-ontvankelijk, maar het college moet [eiser] wel het betaalde griffierecht vergoeden.

11. [eiser] krijgt dus geen gelijk, behalve dat het college het griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2020 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2020 ongegrond;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan [eiser] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

de griffier is niet in staat deze
uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Oneens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Daar kan ook worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2015, op www.rechtspraak.nl te vinden onder nummer ECLI:NL:CRVB:2015:3982.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2053.