Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:971

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
8755662
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Annuleringsbeding oneerlijk. Aanbetaling moet worden terugbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8755662 CV EXPL 20-16503

vonnis van: 23 maart 2021

fno.: 436

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres in conventie, verweerster in reconventie

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. C.J. Berghout

t e g e n

[gedaagde] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. B. Coskun

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 2 september 2020, met producties;
- antwoord/eis in reconventie;
- instructievonnis;

- dagbepaling mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. [eiseres] verscheen in persoon, vergezeld door de gemachtigde. Namens [gedaagde] verscheen de gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Op 20 augustus 2019 hebben [gedaagde] en [eiseres] een overeenkomst gesloten (hierna de overeenkomst) waarbij [gedaagde] aan [eiseres] op zondag 5 april 2020 de zogeheten [naam zaal] in haar zalencentrum aan de [adres] ter beschikking zal stellen ten behoeve van een feest voor 150 personen.

1.2.

In het schriftelijke contract is een totaalprijs van € 3.500,00 opgenomen. Voorts zijn partijen overeengekomen dat [eiseres] een aanbetaling zou doen
€ 250,00, welk bedrag zij op 3 januari 2020 heeft voldaan. Op 17 januari 2020 heeft [eiseres] een bedrag voldaan van € 2.000,00.

1.3.

In de algemene voorwaarden van [gedaagde] is opgenomen, voor zover hier van belang:

7. Annulering van reservering door opdrachtgever

7.1

Annulering door opdrachtgever of deelnemer van een reservering kan alleen schriftelijk plaatsvinden. 7.2 indien opdrachtgever een reservering annuleert is hij gehouden conform onderstaande regeling een bepaald percentage van de overeengekomen reserveringsprijs (inclusief BTW) als annuleringskosten aan [gedaagde] te betalen:
- bij annulering tot 9 maanden voor aanvang van de zaalhuur 25%;

- bij annulering tot 6 maanden voor aanvang van de zaalhuur 45%

- bij annulering tot 3 maanden voor aanvang van de zaalhuur 75%;

- bij annulering tot 1 maand voor aanvang van de zaalhuur 90%.

- bij latere annulering en bij een zonder annulering niet gebruik maken van de zaalhuur 100%. (….)

1.4.

Op 26 februari 2020 overleed de oma van [eiseres] in Suriname en zij heeft die dag de overeenkomst telefonisch opgezegd/geannuleerd.

1.5.

Op 12 en 13 maart 2020 vindt via WhatsApp de volgende conversatie plaats, voor zover hier van belang:
12 maart
[gedaagde] : Om de annulering defectief te kunnen maken hebben we echt u akte (kantonrechter: een overlijdensakte) nodig
[eiseres] : Ik heb ook een akte meegenomen zei ik de vorige keer al
13 maart
[eiseres] : Goede middag Ik ga helaas weer afzeggen. Ik wil voorlopig niet naar buiten Ik wil de overlijdensakte naar jullie appen of mailen als het kan Ik zonder me voorlopig af van de buiten wereld. Ik hoop dat u begrip voor heeft
[eiseres] : Ik maak zo een foto dan stuur ik het Uit advies van de dokter blijf ik liever binnen
[gedaagde] : Geen probleem
Om 12.53u appt [eiseres] een foto van de overlijdensakte aan [gedaagde] .

1.6.

Nadat [eiseres] via WhatsApp heeft gevraagd wanneer haar aanbetaling wordt teruggestort, onder vermelding dat door Corona het feest sowieso niet had kunnen doorgaan, reageert [gedaagde] via WhatsApp op 20 maart 2020 als volgt:
(…) Wij vinden het heel erg en kunnen jou ook begrijpen maar een aanbetaling word niet teruggestort je kan een andere datum nemen. Voor meer informatie betreft annuleren kan je de heer (…) bellen tel (…)

1.7.

Bij brieven van 1 en mei 18 mei 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om de aanbetaling terug te betalen. In de brief 18 mei dreigt de gemachtigde met rechtsmaatregelen indien [gedaagde] niet uiterlijk voor 1 juni 2020 aan de sommatie heeft voldaan.

Vordering en verweer in conventie

2. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
- verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd conform art. 7:408 lid 1 BW en dat zij conform art. 7:408 lid 3 BW geen schadevergoeding aan [gedaagde] is verschuldigd;
- verklaring voor recht dat art. 7.2 en 8.4 van de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen zijn;
- te bepalen dat art 7.2 van de algemene voorwaarden conform art. 6:233 sub a BW vernietigbaar is en derhalve toepassing mist;
- [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling aan [eiseres] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, van € 2.250,00;
- [gedaagde] ter veroordelen tot betaling van € 408,38, inclusief btw, van buitengerechtelijke incasso kosten;
subsidiair
- ontbinding van de overeenkomst en [gedaagde] te veroordelen tot ongedaanmaking de reeds door hem ontvangen prestatie op grond van de hierdoor ontstane ongedaanmakingsverbintenis;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, van € 2.250,00;
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 408,38, inclusief btw, aan buitengerechtelijke incassokosten;
alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten.

3. Aan haar vordering legt [eiseres] - samengevat weergegeven - primair het volgende ten grondslag. [eiseres] wilde haar verjaardagsfeest met meer dan 100 personen vieren op 5 april 2020, waartoe zij de onder 1.1 bedoelde overeenkomst van opdracht met [gedaagde] heeft gesloten. Door het overlijden van haar oma op 26 februari 2020 had het feest geen zin meer en zag [eiseres] zich genoodzaakt de overeenkomst diezelfde dag op te zeggen. Conform het bepaalde in artikel 7:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mocht [eiseres] , die consument is, op ieder moment opzeggen. [eiseres] heeft overigens ruim voor de gereserveerde datum de overeenkomst opgezegd en gelet op het Whatsapp verkeer tussen partijen mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [gedaagde] deze opzegging heeft geaccepteerd. Ingevolge artikel 7:408 lid 3 BW is [eiseres] ook geen schadevergoeding verschuldigd, terwijl (on)kosten die eventueel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, door [gedaagde] niet aannemelijk zijn gemaakt. Het beroep van [gedaagde] op artikel 7.2 van de algemene voorwaarden faalt omdat dit beding op grond van artikel 6:237 BW en de bijlage bij de Richtlijn 93/13 EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (de z.g. Blauwe lijst) als onredelijk bezwarend is aan te merken. [eiseres] heeft derhalve onverschuldigd betaald. Voor zover wordt geoordeeld dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden, stelt [eiseres] zich (subsidiair) op het standpunt dat als gevolg van de op 17 maart 2020 opgelegde Coronamaatregelen het voor [gedaagde] niet mogelijk was een zaal ter beschikking te stellen, waardoor [gedaagde] blijvend in verzuim is geraakt. Daarmee is ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd en dienen de reeds verrichte prestaties ongedaan te worden gemaakt, hetgeen tot gevolg heeft dat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 2.250,00 dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.

4. [gedaagde] voert - samengevat weergegeven - het volgende verweer. Van terugbetaling van enig bedrag kan geen sprake zijn nu [eiseres] niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Maar ook ingeval wel is opgezegd is [gedaagde] niet gehouden tot terugbetaling. Immers, op grond van artikel 7.2 van de algemene voorwaarden, is [eiseres] 75% van de reserveringsprijs verschuldigd. Gezien de reserveringsprijs van € 3.500,00 en het door [eiseres] (aan)betaalde bedrag, hoeft [gedaagde] dus niets terug te betalen. Daar komt bij dat [gedaagde] meerdere redelijke alternatieven heeft aangeboden, zoals bijvoorbeeld een feest in mei of juni. Maar kennelijk heeft [eiseres] , die door de Coronamatregelen de bui al zag hangen, die maatregelen als extra excuus gebruikt om die alternatieven van de hand te wijzen en wil zij niets anders dan een terugbetaling. [gedaagde] beroept zich daarnaast op onvoorziene omstandigheden en wijst er op dat zij door de Corona-crisis in financieel zwaar weer verkeert. [gedaagde] is uit coulance-overwegingen overigens nog steeds bereid tot nakoming, maar voor zover wordt geoordeeld dat de overeenkomst wel is opgezegd of ontbonden, dan geldt artikel 7.1 van algemene voorwaarden onverkort. Nu [eiseres] niet uiterlijk voor aanvang van de zaalhuur de overeenkomst heeft geannuleerd en geen gebruik heeft willen maken van alternatieve feestdata, is zij de volledig huursom ad € 3.500,00 verschuldigd, waardoor zij een bedrag van € 1.250,00 dient bij te betalen.

Vordering en verweer in reconventie

5. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van € 1.250,00. Voor wat betreft de grondslag van de vordering wordt verwezen naar het in conventie gevoerde verweer.

6. [eiseres] heeft verweer gevoerd.

7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

Beoordeling

8. Gezien hun samenhang lenen de vorderingen in conventie en in reconventie zich voor een gezamenlijke behandeling.

9. Allereerst is de vraag hoe de overeenkomst van partijen geduid moet worden. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat sprake is van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Nu blijkens de bevestiging van de reservering niet alleen sprake is van zaalhuur, maar ook van het ter beschikking stellen van personeel, het gebruik van meubilair, gebruik standaard podium en aanwezig technische voorzieningen, is ook de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een overeenkomst van opdracht.

10. [gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] de overeenkomst heeft opgezegd. Dat standpunt wordt door de kantonrechter verworpen. [eiseres] heeft naar eigen zeggen de overeenkomst op 26 februari 2020 telefonisch opgezegd, nadat zij gehoord had dat haar oma was overleden. Zij moest met spoed naar Suriname voor de begrafenis. [gedaagde] heeft in algemene zin ontkend dat van annulering sprake is geweest, maar uit het niet betwiste Whatsapp bericht van [gedaagde] van 12 maart 2020 (zie ro 1.5) is op te maken was zij in ieder geval toen reeds van de annulering op de hoogte was. Zij vermeldt immers dat zij om de annulering definitief te maken een overlijdensakte nodig had, welke akte vervolgens door [eiseres] is aangeleverd. Uit een en ander is naar het oordeel van de kantonrechter af te leiden dat van annulering door [eiseres] sprake is geweest.

11. Kern van het geschil tussen partijen is of [gedaagde] [eiseres] mag houden aan het beding inzake de annuleringskosten dat onderdeel uitmaakt van de algemene voorwaarden. Dat deze voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn, is niet in geschil.

12. De overeenkomst tussen partijen is gesloten tussen [eiseres] als consument en [gedaagde] als bedrijf. Dat brengt mee dat die overeenkomst en het annuleringsbeding waarop [gedaagde] een beroep doet, valt onder de werking van de Europese Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. [eiseres] heeft hierop ook en expliciet beroep gedaan.

13. Volgens artikel 7:408 lid 1 BW kan een opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde opzeggen. En in artikel 7:408 lid 3 BW staat dat een natuurlijk persoon ter zake van die opzegging geen schadevergoeding verschuldigd is. Van deze artikelen kan gelet op artikel 7:413 BW niet worden afgeweken ten nadele van een natuurlijk persoon. Het gaat dus om zogeheten ‘dwingend recht’.

14. Verder volgt uit artikel 7:406 lid 1 BW dat de opdrachtgever bij een opzegging slechts gehouden is tot vergoeding van de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn inbegrepen. Artikel 7:411 BW bepaalt dat indien een overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht, de opdrachtnemer wel recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.

15. De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding van artikel 7 van de algemene voorwaarden van [gedaagde] in strijd is met de hiervoor genoemde wettelijke regels voor de overeenkomst van opdracht. Het annuleringsbeding houdt namelijk in dat bij opzegging een aanzienlijk deel, dan wel de gehele overeengekomen prijs verschuldigd blijft. Het gaat daarbij in dit geval volgens [eiseres] , hetgeen [gedaagde] niet heeft weersproken, om 75% van die prijs.

16. Een dergelijk annuleringsbeding wordt vermoed een onredelijk bezwarend beding te zijn als bedoeld in artikel 6:237 onder i BW en mag – op straffe van het vermoeden dat het onredelijk bezwarend is – slechts strekken tot een redelijke vergoeding van door de gebruiker geleden nadeel.

17. Het voorgaande betekent dat het annuleringsbeding van artikel 7 van de algemene voorwaarden van [gedaagde] in strijd is met de wet en daarmee ook als een oneerlijk en onredelijk bezwarend beding moet worden aangemerkt. De kantonrechter zal het beding dan ook vernietigen en dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] daarop geen beroep meer kan doen.

18. Van het betalen van een redelijke vergoeding van eventueel nadeel van [gedaagde] , nog los van het feit dat daartoe niets door [gedaagde] is gesteld, dan wel het bepalen van een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:411 BW, komt de kantonrechter gelet op een recente uitspraak van het Hof van Justitie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) niet toe, nu het Hof heeft bepaald dat Richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een verkoper die – in die hoedanigheid – de consument een beding heeft opgelegd dat door de nationale rechter oneerlijk is verklaard en dus is vernietigd, wanneer de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.

18. [eiseres] heeft tevens om vernietiging van artikel 8.4 van de algemene voorwaarden gevraagd. In dat artikel is bepaald dat indien [gedaagde] een reservering annuleert of de overeenkomst ontbindt, zij haar aanspraken uit de wet of overeenkomst behoudt. De kantonrechter stelt vast dat die situatie zich hier niet voordoet en dat [eiseres] daarom geen belang heeft bij dit deel van de vordering.

20. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] als na te melden aanspraak kan maken op de gevorderde verklaringen voor recht (met uitzondering van de gevraagde verklaring voor recht met betrekking tot artikel 8.4 van de algemene voorwaarden) en op (terug-) betaling van het bedrag van € 2.250,00 en dat [gedaagde] geen recht kan doen gelden op betaling van het restant van € 1.250,00, nu de overeenkomst door opzegging is geëindigd, zonder dat deze tot uitvoering is gekomen.

20. Het beroep dat [gedaagde] doet op onvoorziene omstandigheden in verband met de coronacrisis en haar moeilijke financiële omstandigheden maakt het voorgaande niet anders. Zoals het Hof van Justitie eerder heeft overwogen heeft de nationale rechter niet de bevoegdheid om de inhoud van oneerlijke bedingen te herzien of slechts gedeeltelijk toe te passen, omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de beoogde afschrikwekkende werking ervan.

20. De eveneens door [eiseres] gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 408,25 (incl. btw) zijn niet bestreden en zullen worden toegewezen als na te melden, nu genoegzaam van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden is gebleken.

20. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagde] veroordeeld in de kosten van dit geding, waarbij de kosten in reconventie, gelet op de samenhang met de vordering in conventie, op nihil worden gesteld. Aan [eiseres] is een toevoeging verleend. Daarom zijn in deze zaak de explootkosten door de griffier voorgeschoten. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de voorgeschoten exploot- en/of advertentiekosten niet mogelijk.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd conform art. 7:408 lid 1 BW en dat [eiseres] conform art. 7:408 lid 3 BW geen schadevergoeding aan [gedaagde] is verschuldigd;

verklaart voor recht dat art. 7.2 van de algemene voorwaarden een oneerlijk beding is en vernietigt dit beding;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, van € 2.250,00;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 408,38, inclusief btw, van buitengerechtelijke incasso kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van de [eiseres] tot aan deze uitspraak begroot op: € 420,00 (2 procespunten) aan salaris gemachtigde en € 83,00 aan griffierecht, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de zijde van [eiseres] , welke kosten tot op heden begroot worden op nihil;

Aldus gewezen door mr. E.J van der Molen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.