Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:965

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AMS - 20 _ 725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering afgifte VOG voor BOA / verklaring van geen bezwaar AIVD / hybride zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser] , te Amstelveen, eiser

(gemachtigde: mr. H.O. de Boer),

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).

Procesverloop

Met het besluit van 11 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor de functie van fysiek toezicht (Brexit) bij Belastingdienst/Douane (hierna: de Douane) afgewezen. Met het besluit van 15 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Met de uitspraak van 29 november 2019 heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 15 november 2019 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Met het besluit van 31 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die via videoconferentie bij de zitting aanwezig is geweest. Ook de griffier van de rechtbank heeft aan de zitting deelgenomen via videoconferentie.

Overwegingen

Achtergrond

1.1

In de uitspraak van 29 november 2019 heeft de rechtbank de volgende feiten weergegeven, die ook voor de beoordeling van dit beroep nog gelden:

2.1

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1997. Voorheen is hij enige tijd werkzaam geweest bij Defensie in de functie van soldaat eerste klasse. Met ingang van 1 september 2019 heeft hij een tijdelijke aanstelling gekregen voor drie maanden als medewerker Douane groepsfunctie C in opleiding bij het regiokantoor Douane Schiphol Cargo. Deze tijdelijke aanstelling wordt omgezet naar de functie medewerker fysiek toezicht (Brexit) op voorwaarde dat hij binnen een termijn van drie maanden een VOG aanlevert. Om die reden heeft hij op 17 mei 2019 een aanvraag om een VOG ingediend.

2.2.

Uit de justitiële gegevens die zien op verzoeker blijkt het volgende:

- Op [dag 1] januari 2016 heeft de kinderrechter een geldboete van € 200,- en vijf maanden rijontzegging opgelegd wegens het op 17 mei 2015 rijden onder invloed van alcohol;

- Op [dag 2] mei 2016 heeft de kinderrechter 40 uren werkstraf opgelegd voor het op [dag 3] mei 2015 plegen van openlijk geweld in vereniging tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

- Op [dag 4] december 2017 is er een strafbeschikking genomen van een geldboete van € 400,- en een schadevergoeding van € 105,- voor het op 15 juli 2017 beledigen van een ambtenaar in functie;

- Op [dag 5] november 2018 heeft de militaire politierechter een geldboete van € 650,- opgelegd en zes maanden rijontzegging, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren1, wegens het op [dag 6] augustus 2018 rijden onder invloed van alcohol.

2.3.

Vanwege de door verzoeker beoogde functie heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een veiligheidsonderzoek in de zin van artikel 7 van de Wet veiligheidsonderzoeken ingesteld. In een brief van 2 oktober 2019 schrijft de AIVD: “Gezien de uitkomst van het veiligheidsonderzoek en gelet op de artikelen 4, 5 en 7 van de Wet veiligheidsonderzoeken, bestaat er uit oogpunt van de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat geen bezwaar tegen uw vervulling van onderstaande vertrouwensfunctie.”

1.2

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en ook de voorziening getroffen dat eiser moet worden beschouwd als ware hij in het bezit van een VOG, tot op het moment dat verweerder een nieuw besluit op zijn bezwaarschrift heeft genomen. Dat besluit is er, zoals hierboven onder ‘procesverloop’ is weergegeven. De arbeidsovereenkomst die eiser had bij de Douane is beëindigd, hij werkt inmiddels weer bij Defensie. Eiser handhaaft zijn beroep omdat hij nog steeds bij de Douane wil gaan werken.

Standpunt verweerder

2.1.

Verweerder heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan het objectieve en subjectieve criterium. Vanwege de functie die eiser bij de Douane nastreeft heeft verweerder de aanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van het profiel voor buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). Deze functie vergt een hoge mate van integriteit en dat brengt met zich mee dat verweerder, in plaats van de gebruikelijke vier jaar, tien jaar terugkijkt in het verleden van eiser. Volgens verweerder vormen de justitiële gegevens van eiser, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd (het objectieve criterium). Verweerder wijst er op dat eiser in de beoogde functie bij de Douane burgers op hun gedrag moet aanspreken en verbaliserend moet optreden. Dat is niet te verenigen met de veroordelingen die aan eiser zijn opgelegd, aldus verweerder. Het zou afbreuk kunnen doen aan het vertrouwen dat de burger moet kunnen stellen in het openbaar bestuur.

2.2

Indien aan het objectieve criterium is voldaan, is in beginsel de grondslag voor weigering van de VOG gegeven. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium heeft verweerder vervolgens beoordeeld of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om toch de gevraagde VOG af te geven. Verweerder is in dit geval tot de conclusie gekomen dat hiertoe geen aanleiding bestaat. Verweerder heeft daarbij, zo is in het bestreden besluit te lezen, gekeken naar de volgende factoren:, leeftijd, persoonlijke belangen:

  • -

    tijdsverloop: verweerder vindt de meest recente veroordeling, [dag 5] november 2018, nog zo kort geleden dat deze, in het licht van de voorgeschreven terugkijktermijn van tien jaar, zwaar meeweegt in eisers nadeel. Dat de proeftijd van die laatste veroordeling (ten tijde van het nemen van het bestreden besluit) nog loopt, vindt verweerder ook van belang.

  • -

    aantal veroordelingen :verweerder wijst er verder op dat eiser tot vier maal toe is veroordeeld en dat daarbinnen sprake is van recidive van het delict rijden onder invloed. Verweerder acht de kans daarom aanwezig dat eiser weer met justitie in aanraking zal komen.

  • -

    strafoplegging: verweerder stelt vast dat bij twee van de vier veroordelingen (die van [dag 1] januari 2016 en die van [dag 5] november 2018) aan eiser het strafbare gedrag niet licht is aangerekend; dat weegt niet in eisers voordeel. Wel in eisers voordeel wegen de mildere afdoeningen bij de andere twee veroordelingen.

  • -

    leeftijd: hoewel eiser bij twee van de veroordelingen minderjarig was, wil verweerder niet spreken van jeugdzondes. Eiser is immers op de leeftijd van 20 en 21 jaar wederom de fout ingegaan, waaronder een herhaling van het rijden onder invloed.

  • -

    persoonlijke belangen: hoewel eiser heeft aangetoond dat zijn werk bij Defensie goed is beoordeeld en wordt gewaardeerd, vormt dit geen aanleiding om de VOG af te geven. Eisers bekwaamheid voor zijn functie bij Defensie houdt immers geen verband met de beoordeling van de aanvraag voor een functie als BOA.

Verweerder ziet geen aanleiding om van het beleid af te wijken. Van onevenredig nadelige gevolgen voor eiser is geen sprake. Eiser wist al bij zijn sollicitatie en een VOG nodig was, niet kan worden gezegd dat door de weigering een onoverbrugbare achterstand zal ontstaan in eisers carrière. De verklaring van geen bezwaar (VGB) die eiser van de Minister van Binnenlandse Zaken heeft gekregen, maakt de afweging voor verweerder niet anders. De VGB heeft immers een ander doel.

Standpunt eiser

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het subjectieve criterium onjuist heeft toegepast en dat hij een andere belangenafweging had moeten maken.

3.2

Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt eiser dat verweerder de veroordelingen van hem als minderjarige op een onjuiste manier heeft gewogen. Uit het beleid blijkt immers dat er terughoudend met deze veroordelingen moet worden omgegaan, tenzij deze zeer ernstig zijn. Daarvan is geen sprake. Verweerder heeft er geen blijk van gegeven in zijn beoordeling mee te nemen dat eiser minderjarig was ten tijde van twee van de vier veroordelingen. Verweerder komt met een gekunstelde redenering tot de conclusie dat de twee veroordelingen van eiser als minderjarige niet als jeugdzondes kunnen worden gezien. De motivering van het bestreden besluit is voor eiser onbegrijpelijk. Eiser benadrukt de positieve uitkomst van het onderzoek van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Dit onderzoek, in combinatie met de overige objectieve omstandigheden in het dossier, maken dat eisers belang zwaarder moet wegen. Verweerder laat ten onrechte na alles in samenhang te zien, te weten dat eiser minderjarig was bij de eerste twee veroordelingen, dat hij een goede staat van dienst heeft bij Defensie, dat hij van meet af aan bij Defensie en bij de Douane openheid van zaken heeft gegeven en hij toch welkom is bij de Douane en dat de AIVD positief over eiser oordeelt. Eiser wijst er nog op dat hij in zijn huidige functie bij Defensie ook is gewapend en zich gewapend tussen burgers begeeft, waarmee het niet anders is dan bij de Douane.

Beoordeling van de rechtbank

4.1

Voor de beoordeling zijn de volgende bepalingen relevant.

  1. Op grond van artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) verstrekt de minister een VOG indien niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Voorafgaand aan een beslissing wordt een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager ingesteld en wordt beoordeeld of er gelet op de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd een risico voor de samenleving bestaat. Ook wordt rekening gehouden met de belangen van de aanvrager.

  2. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de Minister de afgifte van een VOG indien in de justitiële documentatie (JD) van de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan de goede uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan (het objectieve criterium).

  3. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg hanteert verweerder criteria die zijn neergelegd in de beleidsregels uit 20182 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen (de beleidsregels).

Aan de aanvrager die geen JD heeft, wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer een aanvrager wel JD heeft, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2. van de beleidsregels wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3. van de beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Het subjectieve criterium ziet, volgens paragraaf 3.3.1. van de beleidsregels, op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

Een VOG wordt beoordeeld aan de hand van een bepaald screeningsprofiel. In het geval van verzoeker is het screeningsprofiel buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) van toepassing. Daarvoor geldt een terugkijktermijn van tien jaren.

4.2

Tussen partijen is in geschil of verweerder een juiste beoordeling heeft gemaakt van het subjectieve criterium. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het belang van de samenleving bij weigering van de VOG zwaarder moet wegen dan het belang van eiser bij toekenning ervan. Verweerder mocht de VOG dus weigeren. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.

4.3

Verweerder kent terecht grote betekenis toe aan het feit dat verzoeker in de bij de Douane beoogde functie als BOA werkzaam zal zijn en dat aan die functie, ook blijkens het specifiek screeningsprofiel BOA, hoge integriteitseisen worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat een BOA, volgens het screeningsprofiel vergaande bevoegdheden heeft: hij is onder meer belast met de opsporing van strafbare feiten, spreekt uit hoofde van zijn functie personen aan op hun gedrag, heeft soms geweldsbevoegdheden, is bevoegd om met gevoelige informatie om te gaan, beschikt over goederen en producten en het bewaken van productieprocessen, is belast met de zorg en de veiligheid van mensen en heeft stoffen, objecten, voorwerpen e.d. voorhanden die, bij oneigenlijk of onjuist gebruik, een risico kunnen vormen voor het welzijn en de veiligheid van mensen. Vanwege deze toegekende bevoegdheden wordt van de BOA een hoge mate van integriteit vereist en geldt een terugkijktermijn van tien jaren in plaats van de gebruikelijke vier jaren. De vergelijking die eiser naar voren heeft gebracht, dat zijn verantwoordelijkheid bij Defensie in wezen niet veel anders is omdat hij bij Defensie wapens draagt en zich gewapend onder burgers begeeft, valt hierbij in het niet. Verweerder heeft groot belang mogen hechten aan deze bevoegdheden van de BOA, vooral dat hij belast is met het houden van toezicht en verbaliserend en corrigerend moet optreden. Het vertrouwen dat burgers moeten kunnen stellen in het openbaar bestuur, eist deze strenge toets.

4.4

Het feit dat de JD vier registraties binnen de terugkijktermijn bevat, weegt zwaar in het nadeel van verzoeker mee. Eiser heeft er terecht op gewezen dat twee van de vier veroordelingen zien op feiten die zijn gepleegd toen hij nog minderjarig was. Daar tegenover staat dat de justitiële gegevens herhaling van het misdrijf rijden onder invloed laten zien en dat eiser bij twee veroordelingen van de vier veroordelingen niet licht is bestraft. De tweede veroordeling voor rijden onder invloed, ligt bovendien niet erg lang na de eerste veroordeling voor dat feit toen eiser nog minderjarig was (17 jaar en 21 jaar). Eiser heeft dit een gekunstelde redenering genoemd, maar naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van verweerder op dit punt helder en kan hij de conclusie dragen. Bij de beoordeling van het meewegen van de veroordelingen voor feiten die eiser als minderjarige heeft gepleegd, is nog van belang dat de beleidsregels de terugkijktermijn voor jongeren weliswaar beperkt, maar dat die uitzondering uitdrukkelijk niet geldt indien, zoals in dit geval, een langere terugkijktermijn van toepassing is. Gelet op die langere terugkeertermijn mocht verweerder oordelen dat de meest recente veroordeling [dag 5] november 2018, nog te vers is om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG voor een BOA te rechtvaardigen.

4.5

Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat het verkrijgen van een VGB niet aan de beoordeling van de VOG-aanvraag kan afdoen. In het bestreden besluit heeft verweerder afdoende gemotiveerd wat het verschil is en waarom het verkrijgen van een VGB en het niet verkrijgen van een VOG, elkaar niet bijten.

4.6

De rechtbank is het met eiser eens, dat zijn belang zwaar weegt. Hij is bij de Douane tegen ontslag aangelopen omdat hij geen VOG kon overleggen. Eiser heeft gemotiveerd aangegeven dat hij nog steeds graag bij de Douane aan de slag gaat. Daar staat tegenover dat eiser bij zijn sollicitatie voor die functie wist dat een VOG was vereist. Ook is eiser door deze weigering niet verstoken van inkomsten, hij heeft immers een andere baan gevonden. Dat dit niet de baan van zijn eerste keus is, is onvoldoende zwaarwegend. Tot slot is van belang dat de weg van werken bij de Douane niet voor altijd is afgesloten.

4.7

De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van eiser bij de afgifte van een VOG. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is door verzending aan partijen bekend gemaakt, op de hieronder genoemde datum.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Deze is van kracht tot 26 november 2020.

2 Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Staatscourant 1 december 2017, nr. 68620.