Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:958

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
13/165860-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met bijzondere voorwaarden, en een proeftijd van 2 jaren voor het meermalen bedreigen van zijn zoon en mishandeling van zijn dochter. Beide kinderen waren ten tijde van het ten laste gelegde minderjarig. Daarnaast wordt een taakstraf van 80 uren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/165860-20 (Promis)

Datum uitspraak: 3 maart 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [verblijfsadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.R. Bons en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.C. Swier naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1: bedreiging van zijn zoon, [zoon] , in de periode van 2 juni 2020 tot en met 24 juni 2020 te Amsterdam;

Feit 2: mishandeling van zijn dochter, [dochter] , op 23 juni 2020 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

3.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn zoon en mishandeling van zijn dochter en overweegt daartoe als volgt.

Feit 1 (bedreiging zoon)

Uit de verklaring van aangever [zoon] , de zoon van verdachte, blijkt dat verdachte hem op 2 juni 2020 heeft bedreigd door hem dreigend de woorden toe te voegen: “Ik wil jou niet meer thuis zien, maar ook niet in de wijk, anders ga ik je slaan”, “Als je niet overgaat, breek ik je armen en benen, alle botten in je lichaam” en “als ik jou was zou ik zelfmoord plegen”. Verder heeft aangever verklaard dat hij op 23 juni 2020 een gesprek tussen zijn ouders opving, waarin zijn vader zei: “Na het gesprek op school zal ik hem precies voor de school doodslaan”. Aangever wist dat dit over hem ging, omdat hij wist dat hij niet over zou gaan en daarover de volgende dag een gesprek zou hebben op school. Aangever verklaarde bang te zijn dat zijn vader het dreigement waar zal maken als ze elkaar zien bij het gesprek. De zorgcoördinatrice van de school van aangever, getuige [getuige 1] , heeft bevestigd dat aangever haar vlak voor het gesprek op school heeft verteld dat zijn vader hem heeft bedreigd met de woorden: “Ik maak je dood en ik sla je op het schoolplein dood”. [getuige 1] zag dat aangever echt bang was en heeft geverifieerd bij aangever of dit serieus genomen moest worden. Toen aangever hierop “ja” zei heeft [getuige 1] de politie ingeschakeld, die ook bij het gesprek aanwezig is geweest.

Getuige [getuige 2] , de moeder van aangever en de (destijds nog) echtgenote van verdachte, heeft verklaard dat verdachte op 2 juni 2020 werd gebeld door de school van haar zoon met de mededeling dat haar zoon niet over zou gaan naar VWO 5. Een paar dagen later hoorde zij verdachte tegen haar zoon zeggen: “Je mag alleen blijven als je door gaat anders ga ik je voet breken en moet je ook weg van huis”. Op 23 juni 2020 vertelde getuige [getuige 2] tegen verdachte dat de volgende dag een gesprek op school zou plaatsvinden over het rapport van hun zoon. Verdachte zei toen tegen haar: “Als zijn rapport niet goed is hoeft hij niet meer thuis te komen. Ik maak hem dood!” en “Ik waarschuw je, pas op met je zoon want er gaan dingen gebeuren waardoor ik in de gevangenis kan komen.”

Op grond van deze omstandigheden kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat zijn leven gevaar liep of dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 (mishandeling dochter)

Ook [dochter] , de dochter van verdachte, heeft aangifte gedaan tegen haar vader. Op 23 juni 2020 zag aangeefster haar vader bij zijn auto staan bij de rotonde van het BovenIJ ziekenhuis. Zij voelde dat zij door haar vader op haar achterhoofd werd geslagen en dat dit zeer deed. Hij trok ook aan haar haren. Verder heeft aangeefster verklaard dat zij in de lift van hun woning en in haar slaapkamer door haar vader in haar gezicht werd geslagen en dat hij aan haar haren heeft getrokken. Zij voelde dat het zeer deed toen hij aan haar haren trok.

De verklaring van aangeefster vindt steun in de verklaringen van verdachte en getuige [getuige 2] , de moeder van aangeefster. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij zijn dochter een klap heeft gegeven en dat zij gedacht kan hebben dat hij aan haar haren trok toen hij haar in de auto duwde. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn dochter tegen haar achterhoofd in de auto heeft geduwd. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij haar dochter zag lopen op de rotonde in de [straat] . Zij zag dat verdachte [dochter] bij de haren greep. Verder heeft getuige [getuige 2] verklaard dat zij verdachte – eenmaal thuis gekomen – tegen haar dochter hoorde schreeuwen. Later vertelde haar dochter tegen haar dat zij tijdens dit gesprek in haar gezicht was geslagen.

Hoewel aangeefster niet expliciet heeft verklaard dat zij als gevolg van alle ten laste gelegde handelingen pijn had, is het een feit van algemene bekendheid dat de ten laste gelegde handelingen pijn veroorzaken. Mishandeling is daarom bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op tijdstippen in de periode 2 juni 2020 tot en met 24 juni 2020 te Amsterdam, zijn kind [zoon] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door

- [zoon] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik wil jou niet meer thuis zien, maar ook niet in de wijk, anders ga ik je slaan” en “Als je niet overgaat, breek ik je armen en benen, alle botten in je lichaam” en “als ik jou was, zou ik zelfmoord plegen” en

- de moeder van [zoon] dreigend de woorden toe te voegen: “Als zijn rapport niet goed is hoeft hij niet meer thuis te komen. Ik maak hem dood! Ik waarschuw je, pas op met je zoon want er gaan dingen gebeuren waardoor ik in de gevangenis kan komen” en “Na het gesprek op school zal ik hem precies voor de school doodslaan”;

Feit 2:

op 23 juni 2020 te Amsterdam, zijn kind, [dochter] , heeft mishandeld door [dochter]

- aan de haren te trekken en

- op het achterhoofd en in het gezicht te slaan en

- tegen het hoofd te duwen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel – naast de algemene voorwaarden – de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij reclassering Nederland, ambulante behandeling en meewerken aan schuldhulpverlening. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een taakstraf van 80 uren op te leggen. De officier van justitie heeft benadrukt dat verdachte zijn kinderen jarenlang heeft mishandeld en bedreigd en dat zijn kinderen een enorme drempel over hebben gemoeten om aangifte te doen tegen hun dominante vader.

7.2

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De raadsman heeft betoogd dat oplegging van een gevangenisstraf, gelet op de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten, niet passend is. Bij zijn dochter is geen letsel vastgesteld en het gaat om een eenvoudige mishandeling. Verdachte wordt er niet van beschuldigd dat hij zijn kinderen jarenlang heeft mishandeld en bedreigd. De context die de officier van justitie hierover schetst, mag dan ook niet worden meegewogen in de strafmaat. De raadsman heeft er verder op gewezen dat verdachte hierdoor zijn gezin is kwijtgeraakt, lange tijd op straat heeft geleefd en nu in een kale hotelkamer woont. Deze omstandigheden zijn al een forse straf voor hem.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen bedreigen van zijn zoon en mishandeling van zijn dochter. Beide kinderen waren ten tijde van het ten laste gelegde minderjarig. Uit de verschillende verklaringen van de slachtoffers blijkt dat het handelen van verdachte emotioneel indruk op hen heeft gemaakt. Dit geldt ook voor de moeder van de kinderen. Huiselijk geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers nog lang mentale klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid die zijn veroorzaakt door het huiselijk geweld. Bovendien roepen bedreigingen en mishandelingen in de huiselijke sfeer ook gevoelens van onrust op bij anderen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker] opgestelde adviesrapport van Reclassering Nederland van 6 oktober 2020. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat verdachte sinds het ten laste gelegde in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen. Als gevolg van het incident heeft verdachte financiële problemen en het ontbreekt hem aan een stabiele woonsituatie. Verder heeft verdachte gezondheidsproblemen, te weten diabetes en epilepsieklachten. Verdachte verblijft niet meer bij zijn gezin en ervaart hierdoor stress. Verdachte vindt het belangrijk dat zijn kinderen te allen tijde goed presteren op school en zich volledig inzetten. Dit streven lijkt gepaard te gaan met te hoge verwachtingen van verdachte naar zijn kinderen toe. De teleurstelling van verdachte is groot op het moment dat zijn kinderen hieraan niet kunnen voldoen. Verdachte is niet in staat om zijn emoties te reguleren, hetgeen meerdere malen heeft geleid tot woede-uitbarstingen. De beperkte oplossingsvaardigheden van verdachte houden, bij een bewezenverklaring, verband met zijn delictgedrag. Verdachte legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf en is vooralsnog onvoldoende in staat om kritisch te zijn op zijn eigen handelen. De reclassering vindt reclasseringstoezicht met interventies nodig, zodat onderzocht kan worden waar het delictgedrag vandaan kwam. Verdachte lijkt gemotiveerd tot gedragsverandering en staat open voor behandeling en begeleiding. Daarbij wordt echter de kanttekening geplaatst dat verdachte zichzelf als slachtoffer ziet door de aantijgingen van zijn zoon, dochter en inmiddels ex-vrouw en zich in de steek gelaten voelt door de hulpverlening. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd om een reclasseringstoezicht op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en meewerken aan schuldhulpverlening.

Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte en zijn echtgenote inmiddels zijn gescheiden en dat verdachte niet meer in de woning van het gezin verblijft. Jeugdbescherming is bezig met het realiseren van hulpverlening voor het gezin in combinatie met het herstellen van het contact tussen verdachte en zijn kinderen.

De straf

De rechtbank heeft rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat de bewezenverklaarde feiten plaatsvonden in de huiselijke sfeer, maar de rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dus moet worden aangemerkt als een zogenaamde first offender. De rechtbank ziet geen reden om in strafverminderende zin rekening te houden met de diabetes van verdachte.

Alles afwegende wordt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf van 80 uren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en meewerken aan schuldhulpverlening.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

Feit 2:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;

- zich meldt bij voornoemde reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I. Mannen, voorzitter,

mrs. A.S. Dogan en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2021.

[...]

[...]