Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:953

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2854
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOG-aanvraag taxichauffeur. Subjectieve criterium. Meerdere lichte vergrijpen en mishandeling, oorzaak in privésfeer alleen bij twijfel meewegen. Tijdsverloop onvoldoende. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2854

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ibrahim).

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 8 november 2019 verzocht om afgifte van een VOG voor zijn aanvraag van een chauffeurskaart bij de besloten vennootschap KIWA Register B.V. in Rijswijk.

2. Na hiertoe op 12 december 2019 een voornemen te hebben uitgebracht, heeft verweerder in het primaire besluit de afgifte van de VOG aan eiser geweigerd. Verweerder heeft hierbij betrokken dat binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) meerdere justitiële gegevens zijn geregistreerd, waaronder een openstaande zaak in verband met een poging tot doodslag dan wel mishandeling onder strafverzwarende omstandigheden met pleegdatum [dag 1] juni 2019, twee strafbeschikkingen (van [dag 2] juni 2019 en van [dag 3] juni 2019) wegens met een taxi vervoer verrichten zonder een vergunning (telkens een geldboete van € 360,-), een strafbeschikking van [dag 4] mei 2019 wegens het als bestuurder niet hanteren van een chauffeurskaart (geldboete van € 360,-) en een strafbeschikking van [dag 5] oktober 2016 wegens het verlaten van de plaats na een aanrijding (geldboete van € 500,-). Omdat eiser binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS heeft verweerder ook eisers gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Hieruit blijkt dat eiser in de periode 2008 tot 2010 met justitie in aanraking is gekomen vanwege mishandeling, diefstal en heling. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in de voor de beoordeling van de aanvraag toepasselijke terugkijktermijn van vijf jaar meerdere justitiële gegevens van eiser bekend zijn en dat is voldaan aan het objectieve criterium. Tussen partijen is in geschil of verweerder desondanks op grond van het subjectieve criterium de gevraagde VOG aan eiser had moeten afgeven.

4. Eiser is van mening dat de beoordeling van het subjectieve criterium in zijn voordeel had moeten uitvallen en dat verweerder zijn aanvraag dus ten onrechte heeft afgewezen. Eiser heeft in dit kader allereerst aangevoerd dat er sprake is van voldoende tijdsverloop. De overtredingen die direct te maken hebben met zijn werk als taxichauffeur zijn namelijk gepleegd in 2019. Dit waren bovendien lichte vergrijpen van administratieve aard, die allen met een geldboete zijn afgedaan. Weliswaar is er nog geen jaar verstreken sinds het meest recente strafbare feit, de verdenking van mishandeling, maar volgens eiser heeft verweerder nagelaten hierbij rekening te houden met de privéomstandigheden waaronder deze verdenking tot stand is gekomen. Er is sprake van een langdurig en heftig conflict met zijn ex-partner en het incident op [dag 1] juni 2019 heeft plaatsgevonden in deze relationele sfeer. Aan het incident zijn vele andere incidenten tussen hem en zijn ex-partner vooraf gegaan, waarvoor hij ook regelmatig aangifte tegen zijn ex-partner heeft gedaan. Deze omstandigheid had verweerder, net als het gegeven dat er ten aanzien van geweldsdelicten geen sprake is van recidive, volgens eiser in zijn voordeel mee moeten laten wegen.

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, ondanks het feit dat de drie strafbare feiten gepleegd in 2019 ook door verweerder als lichte vergrijpen worden aangemerkt, het geringe tijdsverloop in combinatie met de hoeveelheid strafbare feiten, bij de beoordeling van het subjectieve criterium in eisers nadeel mocht uitvallen. Dat eiser inmiddels twee jaar fulltime als taxichauffeur werkt en daarvoor ook al parttime kan zo zijn, maar van de door hem gestelde onberispelijke staat van dienst is gelet op het aantal strafbare feiten gepleegd binnen de terugkijktermijn geen sprake. De meest recente registratie in het JDS, de verdenking van mishandeling, betreft bovendien een zwaar delict. Het argument van eiser dat de mishandeling waarvan eiser verdacht wordt, heeft plaatsgevonden in de relationele sfeer leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij aangiften tegen zijn ex-partner heeft gedaan, onder andere wegens vernieling van zijn taxi en mishandeling. Hieruit kan weliswaar worden afgeleid dat de relatie tussen eiser en zijn ex-partner in ieder geval problematisch lijkt te zijn, maar de rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de omstandigheden waarop de verdenking van een strafbaar feit is gebaseerd volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 alleen bij de beoordeling hoeven te worden betrokken als er twijfel zou bestaan of het subjectieve criterium in eisers voor- of nadeel dient uit te vallen. Omdat bij verweerder na de weging van de omstandigheden van het geval geen twijfel bestaat over de vraag of de VOG kon worden afgegeven, was verweerder niet gehouden om de omstandigheden waaronder het strafbare feit waarvan eiser wordt verdacht heeft plaatsgevonden in de beoordeling te betrekken.

6. Eisers betoog dat verweerder in deze belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke belang bij toewijzing van de aanvraag, volgt de rechtbank ten slotte ook niet. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij voor zijn inkomsten afhankelijk is van een baan als taxichauffeur. Hij heeft geen andere opleiding behaald dan mavo, hij kan geen ander beroep uitoefenen en de taxibranche is de enige branche waarin hij ooit gewerkt, waarvan de laatste twee jaar in loondienst. Eiser wil weer gaan rijden in de taxi zodat hij inkomsten kan vergaren om uit de bijstand te komen en zijn leven na een ellendige periode weer kan oppakken. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor eisers situatie en oog heeft voor zijn wil om de draad weer op te pakken, heeft verweerder in dit geval, gelet op het tijdsverloop, het aantal incidenten en de aard van de incidenten, een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de samenleving dan aan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.A. Knikkink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Verwezen wordt naar de uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3093.