Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:928

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AMS 19/5435
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.2. van de Verordening op de advocatuur en de artikelen 1 en 9b van de Advocatenwet. Eiser wil met deze procedure de afgifte van een stageverklaring bereiken. Eiser staat echter niet ingeschreven als advocaat. Een stageverklaring is feitelijk daarom voor hem niet van betekenis. De rechtbank verklaart het beroep vanwege het ontbreken van belang bij het verkrijgen van een stageverklaring niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5435

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

en

de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Veenboer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
hierna: de Amsterdamse Orde,

(gemachtigde: mr. E.J. Henrichs).

Procesverloop

In het besluit van 25 april 2019 (het primaire besluit) heeft de Amsterdamse Orde de verzoeken van eiser om de afgifte van een stageverklaring en inschrijving als advocaat afgewezen. Eiser heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij verweerder.

In het besluit van 2 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2021.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De Amsterdamse Orde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In het primaire besluit heeft de Amsterdamse Orde de verzoeken van eiser om de afgifte van een stageverklaring en inschrijving als advocaat afgewezen.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het administratief beroep van eiser ongegrond verklaard. Verweerder acht zich onbevoegd om in een administratief beroep te oordelen over de weigering tot inschrijving als advocaat. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan de vereisten voor het afgeven van een stageverklaring.

3. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat voorwaarde om de stageverklaring te verkrijgen is dat eiser als advocaat staat ingeschreven. Eiser is op 14 maart 2001 uitgeschreven als advocaat. Verweerder verwijst verder naar de beslissing van het Hof van Discipline van 10 februari 2020.1 Daarin is het beklag van eiser afgewezen tegen de beslissing van de Amsterdamse Orde van 25 april 2019, waarbij het verzoek van eiser tot inschrijving als advocaat is geweigerd in behandeling te nemen.

4. Eiser verzoekt de rechtbank om de besloten vennootschappen Unit 2 Holding B.V., het Digitaal Juridisch Warenhuis B.V. en Goede Media Groep B.V., aan te merken als belanghebbenden.

5. De rechtbank overweegt als volgt. De beroepstermijn liep tot en met 14 oktober 2019. De hoedanigheid van belanghebbende kan in beginsel uiterlijk worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt.2 De betreffende besloten vennootschappen zijn blijkens de overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel opgericht op 5 november 2020 en daarmee na afloop van de beroepstermijn. De rechtbank merkt ze daarom niet aan als belanghebbenden.

6. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser belang heeft bij de procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3 is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat van betekenis is voor het geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat eiser voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn.

7. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep. Eiser wil met deze procedure de afgifte van een stageverklaring bereiken.4 De betekenis van een stageverklaring is dat de inschrijving als advocaat daarmee onvoorwaardelijk wordt en dat de verplichting eindigt om de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een andere advocaat en bij deze kantoor te houden.5 De stageverklaring kan alleen worden verstrekt aan een stagiaire. Een stagiaire kan alleen een in Nederland ingeschreven advocaat zijn.6 Dat betekent dat eiser voordat hij de stageverklaring kan krijgen, ingeschreven moet staan als advocaat. Dat is hij niet. Omdat eiser geen advocaat is, is een stageverklaring feitelijk niet voor hem van betekenis.

8. Eiser voert in dit verband aan dat er ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen een advocaat en een niet-advocaat. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid een rol speelt bij de toelating als advocaat, maar niet bij de vraag of eiser belang heeft bij het verkrijgen van zijn stageverklaring.

9. Gelet op de voorgaande overwegingen komt eiser niet in aanmerking voor het toekennen van een schadevergoeding of een dwangsom.

10. De rechtbank zal het beroep vanwege het ontbreken van belang bij het verkrijgen van een stageverklaring niet-ontvankelijk verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, voorzitter, mr. J.H.M. van de Ven en mr. D. Sullivan en leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Deze uitspraak is gepubliceerd op tuchtrecht.overheid.nl onder: ECLI:NL:TAHVD:2020:62.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) van 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7098 en de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1939.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2745.

4 Ten tijde van het bestreden besluit werd een stageverklaring op grond van artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda) aan de stagiaire vertrekt, wiens stage overeenkomstig het eerste lid, van artikel 3.2. van de Voda is voltooid.

5 Zie artikel 1, derde lid, en artikel 9b van de Advocatenwet.

6 Artikel 1.1 van de Voda.