Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:914

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
C/13/686580 / FA RK 20-4213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ambtenaar weigert de akten van erkenning op te maken. Middels de erkenning wil de man voorkomen dat de moeder en de kinderen uitgezet worden. Hiermee gebruikt de man zijn bevoegdheid om te erkennen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/686580 / FA RK 20-4213 (PBM/PvB)

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2021 betreffende weigering ambtenaar burgerlijke stand tot het opmaken van een akte als bedoeld in artikel 1:27 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.A. Rispens te Hilversum,

tegen

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

hierna te noemen de ambtenaar.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

en

het openbaar ministerie,

zetelende te Amsterdam,

hierna te noemen het OM,

en

mr. A.R.M. van Kempen,
kantoorhoudende te Amsterdam,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarigen,
hierna te noemen de bijzondere curator,
als advocaat voor zichzelf verschijnende.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ingekomen op 30 juni 2020;

  • -

    de schriftelijke conclusie van het OM van 3 augustus 2020;

  • -

    de beschikking van deze rechtbank van 26 augustus 2020, waarbij mr. A.R.M. van Kempen tot bijzondere curator over de na te noemen minderjarigen is benoemd;

  • -

    de reactie van de bijzondere curator van 25 september 2020;

  • -

    de brief van de zijde van de man ingekomen op 9 oktober 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de ambtenaar van 29 januari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021.

1.3.

Verschenen zijn:

  • -

    de man bijgestaan door mr. Rispens;

  • -

    de moeder;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    mevrouw [naam 1] namens de ambtenaar.

1.4.

Mr. Rispens heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd.

1.5.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak na de mondelinge behandeling naar de meervoudige kamer verwezen op grond van artikel 15 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De enkelvoudige kamer heeft dit voornemen reeds tijdens de mondelinge behandeling van 11 februari 2021 kenbaar gemaakt en partijen erop gewezen dat zij om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer kunnen verzoeken. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afstand gedaan van deze mogelijkheid.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De moeder is op [geboortedatum 3] 1987 te [geboorteplaats 3] , Ghana, geboren uit [naam 2] (hierna: [naam 2] ).

2.2.

De man en [naam 2] zijn op 19 september 2000 met elkaar gehuwd. De man is niet de biologische of juridische vader van de moeder.

2.3.

Uit de moeder zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] .

2.4.

De man is niet de biologische vader. De heer [naam biologische vader] , wonende in Ghana, is de biologische vader.

2.5.

Op 11 mei 2020 heeft de man de ambtenaar te kennen gegeven de minderjarigen te willen erkennen en verzocht akten van erkenning van de kinderen op te maken. Op 19 mei 2020 heeft de ambtenaar het besluit genomen tot weigering van het verzoek tot het opmaken van de akten van erkenning.

2.6.

De moeder en de kinderen hebben de Ghanese nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en de standpunten

3.1.1. De man heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, de ambtenaar te gelasten zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van de akten van erkenning van de kinderen.

3.1.2. De man onderbouwt zijn verzoek als volgt. De ambtenaar heeft op 19 mei 2020 geweigerd mee te werken aan het opmaken van de erkenningsakten, omdat er een familierechtelijke verwantschap zou bestaan in neergaande lijn tussen de man en de moeder. Naar de mening van de man bestaat er familierechtelijk geen beletsel, in het bijzonder niet nu de moeder niet door de man is erkend of gewettigd. De man is nog steeds gehuwd met [naam 2] , maar vanwege de weigering van de ambtenaar hebben de man en [naam 2] inmiddels verzocht om de scheiding van tafel en bed. Daarnaast weigert de ambtenaar de erkenningsakten op te maken, omdat sprake zou zijn van een schijnerkenning in die zin dat de erkenning alleen gericht is op het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Volgens de man is er geen sprake van een schijnerkenning. De man en de moeder oefenen al geruime tijd samen gezinsleven uit op het adres van de man. De man verzorgt de kinderen en wil deze vorm van gezinsleven bestendigen door de kinderen te erkennen, waardoor hij onderhoudsplichtig wordt en de kinderen van hem kunnen erven. Gelet hierop kan naar de mening van de man daarom geen sprake zijn van een schijnerkenning die er enkel en alleen op gericht zou zijn om toegang tot Nederland te verkrijgen. De man is van mening dat de enkele vaststelling dat de erkenning nationaliteitsrechtelijke gevolgen en daarmee ook mogelijk verblijfsrechtelijke gevolgen heeft, niets afdoet aan de mogelijkheid om te erkennen. Of sprake is van een schijnerkenning zal over het algemeen pas na verloop van tijd kunnen worden vastgesteld en niet voorafgaand. Om die reden heeft de wetgever ook bepaald dat het OM in dat geval handhavend op kan treden. In de beoordeling door de ambtenaar worden kinderrechten naar de mening van de man ten onrechte niet meegewogen, terwijl het belang van het kind op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) de eerste overweging dient te vormen. In het geval de erkenning wordt geweigerd, dan zullen de kinderen met hun moeder uit Nederland worden verwijderd en zullen de kinderen met slechts één ouder in Ghana moeten gaan wonen. De moeder heeft geen uitzicht op het verwerven van enig inkomen in Ghana en zal haar gezin niet kunnen onderhouden. Het gezin zal geen toegang hebben tot basale gezondheidszorg en het onderwijs is van onvoldoende kwaliteit. De situatie voor de kinderen in Ghana is veel slechter dan de situatie voor de kinderen in Nederland. Met de weigering om akten van erkenning op te maken wordt naar de mening van de man een inbreuk gemaakt op de artikelen 4 tot en met 10 IVRK. Daarnaast staat de weigering op gespannen voet met de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

3.1.3. De ambtenaar voert verweer tegen het verzoek van de man. De ambtenaar stelt zich niet langer op het standpunt dat sprake is van een huwelijksbeletsel tussen de man en de moeder. Wel is de ambtenaar van mening dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het afstammingsrecht om de kinderen toelating tot Nederland te laten verkrijgen. Dit is in strijd met de openbare orde. Volgens de ambtenaar is de rol van de heer [naam biologische vader] in het leven van de kinderen onduidelijk. Volgens de moeder draagt hij een beetje bij in de kosten van de kinderen en is er eens in de twee tot drie maanden contact. De conclusie dat de kinderen van de heer [naam biologische vader] niets meer te verwachten hebben, is naar de mening van de ambtenaar te voorbarig. Er is een reële kans dat de heer [naam biologische vader] van het vaderschap wordt uitgesloten, zodat de moeder en de kinderen hun verblijf in Nederland, ver weg van de vader, voort kunnen zetten. De man gaat uitgebreid in op de financiële vooruitzichten van de moeder in Ghana en de mogelijkheden die zij heeft om daar voor de kinderen te zorgen. Ook hier wordt weer het belang vooropgesteld om verblijf in Nederland te kunnen krijgen. De ambtenaar ziet hierin een grond dat de erkenning niet is gericht op het vestigen van familierechtelijke betrekkingen tussen de erkenner en de kinderen, maar op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Het is duidelijk dat de man een band heeft met de moeder en de kinderen. Deze band valt echter niet gelijk te stellen aan een vaderband. Er is sprake van een grootouderrol en niet van een vaderrol. De ambtenaar is ervan overtuigd dat de man de kinderen nooit zou hebben willen erkennen wanneer dit geen verblijfsrechtelijke gevolgen met zich mee zou hebben gebracht. De moeder zal ook altijd aan de kinderen duidelijk maken dat hij hun stiefopa is. Dit bevestigt naar de mening van de ambtenaar dat de man geen vaderrol ambieert en dat de moeder hem evenmin de vaderrol over haar kinderen wil geven. De vaderrol is alleen nodig voor het andere belang: het economisch belang van een verblijf in Nederland. Een afweging van de verblijfsbelangen van de kinderen past niet in de afweging die de rechtbank moet maken over de vraag of de erkenning is gericht op het vestigen van familierechtelijke betrekkingen tussen een (sociale) vader en zijn kinderen. De ambtenaar concludeert dan ook dat de erkenning alleen erop is gericht om de kinderen en de moeder toelating tot Nederland te laten verkrijgen.

3.1.4. Uit het verslag van de bijzondere curator komt het navolgende naar voren. Uit het weigeringsbesluit blijkt dat de eerste reden voor de weigering luidt dat er tussen de man en de moeder een familierechtelijke verwantschap in neergaande lijn bestaat, zodat sprake is van een beletsel voor erkenning. Nu in deze zaak van erkenning of wettiging van de moeder door de man geen sprake is, geldt er naar de mening van de bijzondere curator geen huwelijksverbod zoals bedoeld in artikel 1:204 BW, zodat in zoverre er geen beletsel aan erkenning van de kinderen door de man in de weg staat.

De tweede reden van de ambtenaar om erkenning te weigeren, is omdat er sprake zou zijn van een schijnerkenning. Op dit moment is de verblijfsvergunning van de moeder en [minderjarige 1] ingetrokken en heeft de IND een terugkeerbesluit genomen. Hierdoor is het verblijf van de moeder en de kinderen zeer onzeker geworden. De moeder verblijft al geruime tijd in Nederland en de kinderen verblijven sinds hun geboorte in Nederland. De kinderen hebben hun directe familie in Nederland. Daarnaast hebben de moeder, de heer [naam biologische vader] en de man verklaard dat de toekomstkansen voor de kinderen gunstiger zijn als zij in Nederland kunnen blijven. De bijzondere curator vindt het daarom in het belang van de kinderen als zij in Nederland kunnen opgroeien. Door de erkenning kunnen de kinderen de Nederlandse nationaliteit verkrijgen en kan hun verblijf in Nederland worden gewaarborgd. Volgens de bijzondere curator blijkt uit hetgeen naar voren is gebracht niet dat sprake is van erkenning met het enkele doel om de kinderen het Nederlanderschap te laten verkrijgen en de moeder een afgeleid verblijfsrecht te verschaffen. De moeder en de kinderen leven al geruime tijd in gezinsverband met de man. De man draagt bij in de dagelijkse zorgtaken voor de kinderen. De man en de moeder wensen het gezamenlijk gezag te delen. De man en de kinderen hebben duidelijk een hechte band met elkaar en er is sprake van family life in de zin van artikel 8 EVRM. De man heeft verklaard zijn verantwoordelijkheid voor de kinderen te willen nemen, nu en in de toekomst. Gezien dit alles is de bijzondere curator van mening dat de man family life heeft met de moeder en de kinderen en dat hij zorgtaken voor de kinderen op zich heeft genomen die normaliter door een vader worden gedragen en dat daarmee een geoorloofd motief voor erkenning bestaat, naast de verkrijging van het Nederlanderschap voor de kinderen. De bijzondere curator stelt voorts dat de moeder, de man en de heer [naam biologische vader] aan haar hebben verklaard dat de heer [naam biologische vader] de biologische vader is van de kinderen. De heer [naam biologische vader] heeft geen bezwaar tegen de erkenning door de man, omdat hij onvoldoende in staat is om voor de kinderen te zorgen en hij geen relatie heeft met de moeder. Er is daarom volgens de bijzondere curator geen reden van een situatie waarin de man misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot erkenning om zo de erkenning door de biologische vader onmogelijk te maken. Daar komt bij dat erkenning geen waarheidshandeling is en dat de wet aan niet-biologische vaders de mogelijkheid geeft om een kind te erkennen. Daar staat tegenover dat het uitgangspunt is dat het voor de kinderen van belang is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Het is daarom wel in het belang van de kinderen dat zij weten van wie zij afstammen. De bijzondere curator adviseert de rechtbank om het verzoek van de man toe te wijzen.

3.1.5. Het OM heeft het volgende naar voren gebracht. Het OM kan zich verenigen met het standpunt van de ambtenaar, zoals vermeld in het weigeringsbesluit van 2020. Bovendien zijn er bij het verzoekschrift geen bijlagen gevoegd waaruit de afstamming van de moeder blijkt. Ook zijn er geen documenten bijgevoegd waaruit blijkt of de kinderen al een juridische vader hebben. Naar de mening van het OM dient het verzoek van de man afgewezen te worden.

3.1.6. De moeder heeft aangegeven dat zij en haar kinderen al jaren samen met de man als een gezin samenwonen en dat de man zorgdraagt voor haar kinderen. De kinderen zien de man als een vaderfiguur. Zij wil dit gezinsleven graag bestendigen.

4 De beoordeling

4.1.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.1.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 3 Rv. Nu het verzoek ertoe strekt de ambtenaar te gelasten zijn medewerking te verlenen aan het opmaken van Nederlandse akten van erkenning welke aan een Nederlandse geboorteakte dient te worden toegevoegd, is Nederlands recht van toepassing op dit verzoek.

4.2.

Relatieve bevoegdheid en ontvankelijkheid

4.2.1.

Naar aanleiding van – zoals in dit geval – een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 1:18c of 20c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of, buiten het geval van stuiting van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, kunnen belanghebbende partijen binnen zes weken na de verzending van dat besluit een verzoek indienen bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen (artikel 1:27 BW).

4.2.2.

Aangezien het gaat om een besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam is deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. De man heeft het verzoek binnen de gestelde termijn van zes weken ingediend, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.3.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.1.

De rechtbank dient te beoordelen of de ambtenaar op juiste gronden heeft geweigerd mee te werken aan het opmaken van de aktes van erkenning. Uit artikel 1:18c lid 2 BW volgt dat de ambtenaar (onder meer) weigert tot het opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.

4.3.2.

Niet langer is in geschil dat de man bevoegd is om de kinderen te erkennen. Van een huwelijksbeletsel of juridisch vaderschap van de heer [naam biologische vader] is niet gebleken en ook overigens is de rechtbank niet van enig beletsel als bedoeld in artikel 1:204 BW gebleken. De rechtbank concludeert dan ook dat de man bevoegd is om de kinderen te erkennen.

4.3.3.

Naar de rechtbank begrijpt is de ambtenaar van mening dat de man, doordat hij de kinderen wil erkennen, zijn bevoegdheid daartoe misbruikt. Op grond van artikel 3:13 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Op grond van artikel 3:15 BW is dit artikel ook van toepassing op de erkenning.

4.3.4.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de ambtenaar. Voor dit oordeel overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.5.

Gebleken is dat de moeder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf bij partner de heer [naam partner] ’ had. Bij brief van 4 mei 2020 is aan de moeder een voornemen tot het intrekken van de verblijfsvergunning gezonden. Bij besluit van 8 juni 2020 is de verblijfsvergunning van de moeder alsmede die van [minderjarige 1] met terugwerkende kracht per 1 april 2020 ingetrokken. De moeder heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 13 augustus 2020 ongegrond is verklaard. De aanvraag voor een verblijfsvergunning voor [minderjarige 2] is bij beschikking van 11 juni 2020 afgewezen. Het bezwaar van de moeder is bij besluit van 13 augustus 2020 ongegrond verklaard. Dit brengt mee dat de moeder en de kinderen op dit moment geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Aan de moeder is opgedragen om Nederland samen met de kinderen te verlaten.

4.3.6.

De man en de moeder zijn op 11 mei 2020 naar het Stadsloket gegaan om de kinderen te erkennen. Dit volgt zo kort op de bovengenoemde brief van 4 mei 2020 dat aannemelijk is dat het daarop een reactie was om via die weg alsnog legaal verblijf in Nederland van de moeder en de kinderen te bewerkstelligen. Dat dit het doel was volgt ook uit het verzoek om scheiding van tafel en bed dat de man en [naam 2] vervolgens hebben ingediend. Dat is ingediend vanwege het weigeringsbesluit van de ambtenaar om zo de weg voor erkenning door de man van de minderjarigen – die daardoor de Nederlandse nationaliteit zouden krijgen – vrij te kunnen maken. De rechtbank heeft begrip voor deze beweegredenen van de man om zijn stiefdochter en stiefkleinkinderen met wie hij family life heeft in Nederland te behouden. De erkenning is hier echter niet voor bedoeld.

4.3.7.

De erkenning is een rechtshandeling en beoogt rechtsgevolgen in het leven te roepen (artikel 3:59 juncto 3:33 BW), in dit geval het doen ontstaan van een familierechtelijke betrekking. Het is een juridische vorm voor het vestigen van familierechtelijke betrekkingen in situaties, waarin deze betrekkingen niet reeds van rechtswege zijn voortgevloeid, zoals die met de moeder door geboorte of die met de moeder en de vader door de geboorte uit een huwelijk. De verwekker van het kind kan zich aldus manifesteren. Daarnaast heeft de erkenning een andere betekenis, namelijk die van aanvaarding van het vaderschap door een andere man dan de biologische vader. Dit aspect is met name van belang, indien de biologische vader onbekend is of zich niets aan het kind gelegen laat liggen. De erkenning heeft in dit geval de functie van een adoptie, zij is de juridische vormgeving aan sociaal, affectief ouderschap, die bepaald in een behoefte voorzien en het belang van een kind in zoverre dient dat het aldus familierechtelijke betrekkingen tot een moeder en een vader kan verwerven.

4.3.8.

In dit geval zou van de tweede betekenis van de erkenning sprake kunnen zijn, te weten de aanvaarding van het vaderschap. De rechtbank is echter ervan overtuigd geraakt dat de man niet daadwerkelijk als vader van de kinderen te boek wil staan, behalve om zo te voorkomen dat de moeder en de kinderen Nederland moeten verlaten. Voor dit oordeel verwijst de rechtbank allereerst naar hetgeen hierboven onder 4.3.6 is overwogen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien gesteld dat hij de stiefopa is die de vaderrol vervult en dat hij onderscheid maakt tussen identiteit enerzijds en feitelijke rolvervulling anderzijds. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de man niet de identiteit van vader op zich wil nemen, maar dat hij enkel feitelijk de vaderrol wenst te vervullen. Voor het feitelijk vervullen van een vaderrol is erkenning echter niet de geëigende weg. Daartoe kunnen de kinderen gewoonweg in het gezin van de man worden opgenomen en door hem verzorgd en opgevoed worden. Bovendien kunnen die door de man en de moeder gewenste (rechts)gevolgen beter op andere wijze worden bereikt. Zo kunnen de man en de moeder op grond van artikel 1:253t BW de rechtbank verzoeken hen samen met het gezag – dat de plicht en het recht het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden omvat – over de kinderen te belasten, waardoor de man op grond van artikel 1:253w BW voorts verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud. Daarnaast kan de man de moeder en de kinderen in zijn testament opnemen, indien hij wenst dat zij van hem erven. Aangezien de man in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat, hebben de kinderen op grond van artikel 1:377a BW recht op omgang met hem en kan de man om een omgangsregeling verzoeken. Door een en ander aldus te regelen blijft de mogelijkheid tot erkenning door de in dit geval bekende biologische vader in stand.

4.3.9.

De kinderen hebben immers een bekende biologische vader, te weten de heer [naam biologische vader] , naar wie zij ook zijn vernoemd en met wie er eenmaal per twee tot drie maanden contact is via videobellen. Uitgangspunt is dat zowel de verwekker als het kind er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Hoewel de heer [naam biologische vader] aan de bijzondere curator te kennen heeft gegeven dat hij akkoord is met de erkenning van de kinderen door de man, omdat hij financieel niet voor de kinderen kan zorgen en van mening is dat de kinderen een betere toekomst in Nederland hebben, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een vader die zich niets aan de kinderen gelegen laat liggen. Integendeel, de heer [naam biologische vader] gaat zelfs zo ver dat hij de kinderen door een andere man zou laten erkennen om ze een betere toekomst te geven. Daarnaast is gebleken dat de heer [naam biologische vader] zeer blij was om [minderjarige 1] te zien toen de moeder met hem naar Ghana kwam. De heer [naam biologische vader] heeft tijd met [minderjarige 1] doorgebracht en met hem gespeeld, waarbij de heer [naam biologische vader] zeer veel blijdschap voelde, zo blijkt uit het verslag van de bijzondere curator.

4.3.10.

De rechtbank concludeert dan ook dat – hoewel de man een zeer belangrijke rol speelt in het leven van de moeder en de kinderen (en vice versa) en hij in het belang van moeder en de kinderen probeert te handelen – de man middels de erkenning enkel wil voorkomen dat de moeder en de kinderen uitgezet worden in een situatie waarvoor de erkenning niet bedoeld is. Hiermee gebruikt de man zijn bevoegdheid om de kinderen te erkennen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.

4.3.11.

De man heeft nog gesteld dat met de weigering erkenningsakten op te maken de ambtenaar inbreuk maakt op de artikelen 4 tot en met 10 IVRK omdat de kinderen daardoor niet in Nederland opgroeien. Om die reden staat volgens de man de weigering ook op gespannen voet met de artikelen 8 en 14 EVRM.

4.3.12.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op het IVRK en het EVRM faalt. Voor de vraag of de weigering in strijd is met het IVRK of het EVRM gaat het er niet om wat het door de man gestelde gevolg daarvan is – namelijk dat de kinderen niet de Nederlandse nationaliteit krijgen en zij en de moeder niet langer in Nederland kunnen blijven – maar om de vraag of de weigering van de erkenning op zichzelf in strijd is met het IVRK of EVRM. Dat is echter gesteld noch gebleken.

4.3.13.

Dit leidt tot de slotsom dat de ambtenaar – met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen – het opmaken van de aktes van erkenning heeft mogen weigeren, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek van de man af;

5.2.

beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator als beëindigd;

5.3.

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter tevens kinderrechter, mr. L. van der Heijden en mr. J. Kloosterhuis, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Bennekom, griffier, op 10 maart 20211

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.