Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
C/13/696002 / KG ZA 21-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering vergoeding schade € 75.000 wegens beroepsfout notaris (inschrijving bestuurder zonder formeel avabesluit) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/696002 / KG ZA 21-28 MDvH/MB

Vonnis in kort geding van 4 maart 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers bij conceptdagvaarding,

advocaat mr. W.O. Groustra te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

vrijwillig verschenen,

advocaat mr. H.J. Delhaas te Amsterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en gedaagden gezamenlijk [gedaagden] . Waar nodig zal eiser sub 1 afzonderlijk worden aangeduid met [eiser 1] , eiser sub 2 met [eiser 2] en gedaagde sub 1 met de kandidaat-notaris.

1 De procedure

Voor de aanvang daarvan op 8 februari 2021, is de mondelinge behandeling van deze zaak verplaatst naar 18 februari 2021 in verband met de barre weersomstandigheden, waardoor de reismogelijkheden ernstig beperkt waren.

Ter zitting van 18 februari 2021 heeft [eisers] de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagden] heeft aan de hand van een op voorhand toegezonden conclusie van antwoord verweer gevoerd.

Beide partijen hebben schriftelijke stukken ingediend en [eisers] heeft zijn standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.

Ter zitting waren aanwezig:

- [eiser 2] , [naam] (adviseur) en mr. Groustra;

- de kandidaat-notaris met mr. Delhaas.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 22 maart 2017 is de Huisartsenpraktijk [praktijk] B.V. (hierna: [praktijk] , of ook [praktijk] ) opgericht door [eisers] en zijn broer [betrokkene] (hierna ook: [betrokkene] ). De broers houden ieder sindsdien (middellijk) de helft van de 12 aandelen via hun respectievelijke vennootschappen ( [eiser 1] ) en ( [bedrijf betrokkene] B.V.). De kandidaat-notaris heeft de oprichtingsakte gepasseerd. Bij de oprichting is [bedrijf betrokkene] B.V., de vennootschap van [betrokkene] , aangesteld als (enig) statutair bestuurder.

2.2.

Bij e-mailbericht van 11 februari 2018 heeft [eisers] de kandidaat-notaris geschreven:

Van de KvK heb ik begrepen dat jij, als notaris, eenvoudig de fout in de statuten waardoor [betrokkene] alleen bestuurder is, kan aanpassen aangezien ik naast [betrokkene] bestuurder ben van Huisartsenpraktijk [praktijk] . Praktisch gezien lijkt mij zelfstandig bestuurder het handigst maar als [betrokkene] gezamenlijk bestuurderschap wil is dat ook prima.”

2.3.

Daarop heeft de kandidaat-notaris bij e-mailbericht van 12 februari 2018 geantwoord:

“Ik ben derhalve in afwachting van een reactie van [betrokkene] . De invulling en de ondertekening van de formulieren [van de Kamer van Koophandel (KvK), vzr.] kan door mij geschieden, zonder aanpassing van de statuten. (…) alleen het aantal bestuurders wordt gewijzigd en wellicht de bevoegdheid van de huidige bestuurder.”

2.4.

Bij e-mailbericht van 16 februari 2018 heeft [eisers] de kandidaat-notaris verzocht om nog diezelfde dag te zorgen voor invulling en ondertekening van de formulieren van de KvK:

“(...) [betrokkene] heeft al eerder aangegeven hiermee akkoord te zijn dus als hij verder niet reageert, mag je er van uitgaan dat het in orde is om mij als zelfstandig bestuurder toe te voegen.

Verder zou ik graag het antwoord willen op de volgende vraag:

(…)

In de akten van oprichting die een maand eerder door [betrokkene] ter beoordeling/controle naar mijn vrouw zijn gestuurd, staat mijn BV ( [eiser 1] ) als enige bestuurder vermeld in de slotverklaring.

Waarom is dit gewijzigd en waarom ben ik hiervan niet op de hoogte gesteld? Graag ontvang ik vandaag nog antwoord op mijn vraag en de formulieren die mijn toevoeging als bestuurder bewijzen.”

2.5.

Op 16 februari 2018 heeft de kandidaat-notaris als volgt geantwoord:

“(…) ik ben overtuigd (op basis van het papieren en het elektronische dossier) dat tot deze wijziging van bestuurder bij de ondertekening is besloten; een wijziging op het laatste moment derhalve. (…) Door mij wordt verondersteld dat deze wijziging was gebaseerd op de contracten met de zorgverzekeraar(s) enǀof dat U nog niet geheel de vrijheid van handelen had;

2.6.

Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 heeft de kandidaat-notaris (onder meer) aan [eisers] geantwoord dat het een benoeming ná de oprichting betrof, dat de statuten ongewijzigd bleven, dat bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA), maar dat een stem in de AVA alleen kan worden uitgebracht na volstorting van de aandelen. In een e-mailbericht van

18 februari 2018 heeft de kandidaat-notaris tevens verzocht mee te delen of de bestuurders gezamenlijk of zelfstandig bevoegd zouden moeten zijn.

2.7.

In een e-mailbericht van 2 maart 2018 heeft [eisers] aan de kandidaat-notaris geschreven:

In de bijlage de bevestiging van de € 6,- storting op aandelen ivm de bijschrijving van mij als bestuurder (…)”.

Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft de kandidaat-notaris [eisers] en [betrokkene] bericht dat de storting op de aandelen was ontvangen en voorts:

“het formulier KvK wordt ten spoedigste opgesteld en aan de KvK toegezonden; ingeschreven wordt de zelfstandig bevoegde algemeen directeur.”

Diezelfde dag is (ook) [eiser 1] ingeschreven als bestuurder in het bij de KvK gehouden handelsregister.

2.8.

In een e-mail van 19 september 2018 heeft [eisers] zijn broer onder meer geschreven:
Ik heb al meermaals om de afspraken en (arbeids)overeenkomst(en) met (…) en andere personeelsleden gevraagd. Ik ontvang deze graag vandaag (…) opdat ik als bestuurder van [praktijk] de nodige actie kan ondernemen om orde op zaken in de bedrijfsvoering te stellen. Ik zal jou daar natuurlijk tijdig over informeren.”

2.9.

Bij brief van 27 september 2018 heeft de (toenmalige) advocaat van [eisers] aan [bedrijf betrokkene] ( [betrokkene] ) onder meer het volgende geschreven:

Hoewel aanvankelijk de bedoeling was dat zowel u als cliënt directeur van [praktijk] zouden worden, bent u bij de oprichting alleen als directeur benoemd. Client is na lang aandringen op 2 maart 2018 directeur geworden. U weigert sindsdien cliënt – als mededirecteur – inzage te geven in de administratie, de financien en de met andere partijen gesloten overeenkomsten. Daarmee bemoeilijkt en schaadt u de bedrijfsvoering binnen [praktijk] . (…) Hoewel zowel cliënt als u beide (zelfstandig bevoegd) statutair bestuurder zijn, heeft u tot op heden geweigerd cliënt toegang te geven tot een aantal middelen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering.”

2.10.

Op enig moment heeft [eisers] aan [gedaagden] meegedeeld dat zijn inschrijving als bestuurder niet rechtsgeldig zou zijn geschied.

2.11.

Bij e-mailbericht van 6 september 2019 heeft de kandidaat-notaris aan de advocaat van [eisers] geschreven:

“(...) Het verwijt dat aan mij is toe te rekenen dat geen schriftelijk document aanwezig is van deze benoeming wordt door mij ten zeerste en volledig afgewezen. (...) In het dossier is klaarblijkelijk veel meer aan de orde dan mij bekend is (een vertroebeling van de relatie tussen de twee broers is aan mij bekend). Mijn verzoek tot een nadere mondelinge toelichting wordt mitsdien ten deze herhaald, met mijn aanbod een poging te doen alsnog tot een schriftelijk aandeelhoudersbesluit te komen met de broer van Uw cliënt.(...)”

2.12.

In een e-mail van 10 september 2019 heeft [betrokkene] het volgende aan de kandidaat-notaris geschreven:

In aanvulling op ons telefoongesprek inzake de inschrijving van mijn broer cq zijn (…) bv als medebestuurder in de huisartsenpraktijk [praktijk] bv meld ik u het volgende.

Deze inschrijving is op uitdrukkelijk verzoek van hem en met mijn goedkeuring uitgevoerd. Ter bevestiging daarvan stuur ik u de toentertijd gevoerde maiwisseling/correspondentie (…). Van een onterechte inschrijving kan derhalve geen sprake zijn geweest.”

2.13.

In een e-mail van 24 september 2019 schreef [eiser 2] aan zijn broer:

“(…) zend ik je hierbij een brief van een incassobureau die niet voor mij bestemd is, maar voor [praktijk] . Kennelijk komt de brief bij mij omdat ik in het handelsregister ben ingeschreven. Die inschrijving slaat echter helemaal nergens op. Het suggereert dat ik bestuurder ben, maar je weet wat de realiteit is: jij houdt mij overal buiten, je stuurt het bedrijf helemaal in je eentje en ik vervul geen enkele rol. Ik ben feitelijk helemaal geen bestuurder. Nu dit de realiteit is, wil ik van de registratie als bestuurder af. Ik wil daarmee ook verlost zijn van dit soort brieven etc. Van mijn advocaat begreep ik overigens dat, als je het goed beschouwt, de inschrijving van mij door (…) [gedaagden] helemaal niet had gemogen omdat er geen rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit bestaat. Jouw voortdurende behandeling van mij c.q. mij ter zake het reilen en zeilen van [praktijk] volstrekt te negeren, bevestigt op pijnlijke wijze dat ik helemaal geen bestuurder van [praktijk] ben en nooit geweest. Hoe zie jij dit? Ik voel mij nu behoorlijk mis-/gebruikt.

2.14.

Bij e-mail van 7 oktober 2019 heeft de kandidaat-notaris aan de advocaat van [eisers] bericht:
De mede-aandeelhouder, tevens mede-bestuurder, van de genoemde besloten vennootschap heeft mij verzocht u te berichten dat Uw cliënt als bestuurder van (…) [praktijk] (…) bij de KvK kan worden uitgeschreven. Tevens is aan mij bericht dat van een terugwerkende kracht geen sprake kan zijn, voorzover dit vanwege de KvK al mogelijk zou zijn.”

2.15.

Op 18 oktober 2019 heeft [eisers] opgave gedaan aan het handelsregister dat “[eiser 1] B.V. is uitgetreden als bestuurder (Algemeen directeur) per 2 maart 2018”.

Op 21 oktober 2019 heeft de KvK besloten tot inschrijving van deze opgave en de bevestiging daarvan verzonden aan [praktijk] en aan [eisers] .

2.16.

Op 19 november 2019 heeft [betrokkene] , namens [bedrijf betrokkene] , een bezwaarschrift bij de KvK tegen dit besluit tot registratie (van de uitschrijving van [eiser 1] met terugwerkende kracht) ingediend.

2.17.

Bij e-mail van 30 december 2019 heeft [eisers] [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden doordat deze hem ten onrechte als bestuurder zou hebben ingeschreven bij de KvK. De schade is voorlopig begroot op € 22.283,37 aan juridische kosten om de inschrijving ongedaan te maken, en [eisers] heeft [gedaagden] verzocht deze te vergoeden.

2.18.

Bij beslissing van 21 februari 2020 heeft de KvK het onder 2.16 genoemde bezwaar gegrond verklaard en het betwiste besluit van 21 oktober 2019 teruggedraaid. Tegen deze beslissing heeft [eisers] beroep aangetekend.

2.19.

Op 19 mei 2020 heeft [eisers] een klacht tegen de kandidaat-notaris ingediend bij de kamer voor het notariaat te Amsterdam. Kort gezegd kwam de klacht er in de kern op neer dat de kandidaat-notaris onzorgvuldig heeft gehandeld door [eisers] als (mede) bestuurder van [praktijk] te doen inschrijven bij de KvK, zonder dat daaraan een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit ten grondslag lag en zonder [eisers] behoorlijk voor te lichten over de mogelijke gevolgen van het bestuurder zijn.

2.20.

Op 2 juli 2020 heeft de KvK de inschrijving hersteld ‘zoals die tot stand was gebracht op 21 oktober 2019’, zodat [eiser 1] weer is uitgeschreven als bestuurder. Bij (nieuwe) beslissing van 21 augustus 2020 heeft de KvK het bezwaar van [betrokkene] daartegen van 19 november 2019 ongegrond verklaard.

2.21.

In de beslissing van de KvK van 21 augustus 2021 staat, voor zover van belang:

“(…)

Uit het onderzoek in bezwaar is gebleken dat er geen klip en klaar avabesluit ligt tot benoeming van belanghebbende [ [eisers] , vzr.] als bestuurder per 2/3/18. Er zijn wel bewijsstukken dat belanghebbende bestuurder wilde worden, en zich ook zo heeft gedragen, maar er is geen schriftelijk of electronisch vastgelegd avabesluit van 2/3/18 tot benoeming. De stelling van appellant [ [betrokkene] , vzr.] dat er feitelijk een benoeming in de zin van artikel 26 statuten buiten vergadering aan de orde is, kan de Kamer niet zonder meer volgen. Ook artikel 26 stelt een aantal vereisten aan een dergelijk besluit (schriftelijke dan wel electronische instemming met de wijze van vergaderen alsmede een schriftelijk dan wel electronisch vastgelegd besluit. Het is niet zonder meer duidelijk dat aan die eisen in casu is voldaan.

Het is kortom zonder uitspraak van de civiele rechter voor de Kamer niet vast te stellen of er op 2/3/18 een benoeming van belanghebbende tot bestuurder tot stand is gekomen. Noch als statutair bestuurder noch als gevolmachtigde (als natuurlijk persoon) met de titel directeur.

Een enkele opgaaf van de notaris aan het register is zeker niet afdoende bewijs daarvoor. De opgaaf is slechts een feitelijke handeling. De rechtshandeling (waarvan het resultaat wordt opgegeven) dient daaraan vooraf te gaan. Een en ander laat onverlet dat belanghebbende tot aan 21/10/19 voor derden kenbaar is geweest als bestuurder (…)”.

2.22.

Bij beslissing van 10 december 2020 heeft de kamer voor het notariaat de onder 2.19 samengevatte klacht van [eisers] gegrond verklaard en de kandidaat-notaris een waarschuwing opgelegd. Deze beslissing bevat de volgende overwegingen:

“(…)

5.3

De kamer stelt vast dat de inschrijving van de vennootschap van klager [ [eisers] , vzr.] in het handelsregister als bestuurder van [praktijk] op zichzelf in overeenstemming was met de (toentertijd) daartoe geuite wens van klager.

Echter, door het klakkeloos uitvoeren van die wens (na het opvragen van bewijzen van volstorting van de aandelen), zonder te informeren naar de onderliggende besluitvorming, heeft de kandidaat-notaris zichzelf de kans ontnomen zich te verdiepen in de achtergronden en beweegredenen en aldus de mogelijkheid om klager eventueel te adviseren over de inhoud van het statutair bestuurderschap, de nadelen die daaraan kunnen zijn verbonden en over welke alternatieven voorhanden waren ter bereiking van het door klager gewenste doel. Die waren immers zeker voorhanden als het louter ging om beschikkingsbevoegdheid over de bankrekening.

Daarnaast heeft de kandidaat-notaris met deze klakkeloze uitvoering zich er niet van vergewist of aan de benoeming tot directeur een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit ten grondslag lag en niet om overlegging daarvan gevraagd. Dat behoort tot de kerntaken van een (kandidaat-)notaris, te meer daar, zoals hier ook is gebleken, de KvK blindelings op de opgave van een notaris vertrouwt, juist omdat deze ervan uit mag gaan dat de notaris deze taak heeft vervuld. Dat de kandidaat-notaris dat in dit geval heeft nagelaten omdat blijkens zijn (…)e-mail sprake zou zijn van irritatie bij klager, die dat overigens betwist, is onprofessioneel en disculpeert de kandidaat-notaris geenszins.

(…)

5.6

Zoals uit hetgeen hierboven is overwogen heeft de kandidaat-notaris in het gehele traject verschillende steken laten vallen, kerntaken van een notaris verwaarloosd en zich niet professioneel opgesteld. De kamer rekent dit de kandidaat-notaris aan en twijfelt aan een verantwoorde praktijkvoering. Omdat echter niet gebleken is vaneen eerdere tuchtrechtelijke veroordeling wegens een soortgelijk vergrijp, volstaat de kamer met het opleggen van een waarschuwing.

(…)”.

Tegen deze beslissing is geen beroep aangetekend.

2.23.

Bij (aangetekende) brief van 30 december 2020 heeft [eisers] [gedaagden] (nogmaals) gesommeerd om een voorschot op schadevergoeding te betalen, van

€ 75.000,00. Volgens de sommatie bestaat de schade voorlopig uit een bedrag van

€ 41.936,48 aan kosten voor advies/zaakwaarneming door Groen/Olida Apeldoorn B.V. en een bedrag van € 32.440,05 aan advocatenkosten, alles ten behoeve van de procedure bij de KvK tot ongedaanmaking van de inschrijving van [eisers] als bestuurder.

2.24.

[gedaagden] wijst iedere aansprakelijkheid van de hand en heeft aan de sommaties niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een voorschot van € 75.000,00 op de schade die [eisers] heeft geleden en nog zal lijden door de handelwijze van [gedaagden] , met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

[eisers] stelt daartoe, samengevat, het volgende. [gedaagden] heeft zijn zorgplicht als (kandidaat)notaris verzaakt en niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris mag worden verwacht. Dat blijkt ook wel uit de beslissing van de kamer voor het notariaat. [gedaagden] heeft nagelaten om [eisers] goed voor te lichten over de gevolgen van de inschrijving als bestuurder en heeft zich er niet van vergewist of aan het besluit om [eiser 1] als bestuurder in te schrijven wel een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit ten grondslag lag, wat niet het geval was. Daarmee heeft de kandidaat-notaris een beroepsfout gemaakt. Als [eisers] zou hebben geweten wat de gevolgen waren of kunnen zijn van de inschrijving als bestuurder, met name voor zijn aansprakelijkheid, zou hij daartoe niet zijn overgegaan. Het doel dat hij met de inschrijving wilde bereiken was dat hij toegang zou krijgen tot de bankrekening van [praktijk] om inzage te krijgen in de financiële positie van [praktijk] en betalingen namens [praktijk] te kunnen verrichten. Dat had ook langs andere weg gekund, bijvoorbeeld door inschrijving als (niet statutair) directeur of gevolmachtigde. [eisers] heeft kosten moeten maken om de inschrijving bij de KvK ongedaan te maken, met het oog op beperking van de schade. Deze kosten bestaan uit kosten voor bijstand van zijn advocaat en advieskantoor Olinda (Groen), die [eisers] nu al heeft moeten maken, in totaal een bedrag van (afgerond) € 75.000,00. [gedaagden] is daarvoor aansprakelijk en dient dan ook tot betaling van (een voorschot op) dit bedrag te worden veroordeeld.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.2.

[eisers] stelt dat de kandidaat-notaris een beroepsfout heeft gemaakt, ten gevolge waarvan [eisers] schade lijdt en al heeft geleden. [eisers] beroept zich daarbij onder meer op de onder 2.22 weergegeven uitspraak van de kamer van het notariaat.

4.3.

Voorop staat dat een oordeel van de kamer voor het notariaat weliswaar een belangrijk gezichtspunt is, maar niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of de betrokken notaris civielrechtelijk tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en/of een onrechtmatige daad heeft begaan.

4.4.

[gedaagden] heeft in de eerste plaats betwist dat hij onzorgvuldig jegens [eisers] heeft gehandeld. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat [eisers] en zijn broer, via hun vennootschappen, beiden bestuurder zouden worden van [praktijk] . Pas op het moment van oprichting van de vennootschap is daarvan afgezien. Op basis van de stukken en hetgeen daarover ter zitting is gezegd, is aannemelijk geworden dat de reden dat [eisers] niet direct als bestuurder is ingeschreven te maken had met de administratie rond de overname van een eerdere praktijk, verband houdend met declaraties bij zorgverzekeraars. Verder is niet in geschil dat [eisers] alsnog als bestuurder is ingeschreven op zijn eigen uitdrukkelijke, meermaals geuite, verzoek, noch dat ten tijde van de inschrijving tussen de broers geen ‘gedoe in de onderlinge sfeer’ aan de orde was. Iets dergelijks is dus ook niet meegedeeld aan de kandidaat-notaris. Voor hem bestond dan ook geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de wens van [eisers] om als bestuurder te worden ingeschreven overeenkwam met zijn werkelijke wil of anderszins tot het doen van nader onderzoek. Daarnaast is voorstelbaar dat de kandidaat-notaris ervan uitging dat aan de benoeming van [eisers] als medebestuurder een aandeelhoudersbesluit ten grondslag lag, aangezien het verzoek tot inschrijving afkomstig was van de – enige – twee aandeelhouders van de vennootschap.

4.6.

De visie van de kandidaat-notaris, dat [eisers] wel degelijk de wil had om bestuurder te worden, maar daar naderhand, vanwege geschillen met zijn broer, anders over is gaan denken, vindt ook meer steun in het thans bekende feitenmateriaal, dan de visie van [eisers] , dat hij zich nooit als bestuurder had laten inschrijven als [gedaagden] hem uitgebreider zou hebben voorgelicht. Uit de door [gedaagden] overgelegde correspondentie (zie hiervoor onder 2.8, 2.9, 2.11) rijst immers het beeld dat hij daadwerkelijk wilde deelnemen aan de bedrijfsvoering en dat hij niet alleen bestuurder wilde worden om toegang te krijgen tot de bankrekening van [praktijk] , zoals hij nu stelt. Ook dit maakt de stelling van [eisers] dat zijn tegenover de kandidaat-notaris geuite wil gebrekkig was, niet aannemelijk.

4.7.

Het moge zo zijn dat de kandidaat-notaris, zoals de kamer voor het notariaat heeft geoordeeld, steken heeft laten vallen door [eisers] niet expliciet te wijzen op alle mogelijke gevolgen van het zijn van statutair bestuurder en zich niet ervan te vergewissen dat een schriftelijk aandeelhoudersbesluit daadwerkelijk bestond. Voorshands kan deze enkele vaststelling echter niet het oordeel dragen dat [gedaagden] daarmee zijn zorgplicht als (kandidaat)notaris op zodanig wijze heeft verzaakt dat sprake is van wanprestatie of onrechtmatig handelen. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden is voorshands begrijpelijk dat [gedaagden] meende dat [eisers] helemaal geen advies nodig had of wenste. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat de inschrijving niet zou zijn geschied, indien de kandidaat-notaris wel meer aandacht aan de mogelijke gevolgen zou hebben besteed en/of dat een schriftelijk aandeelhoudersbesluit tot benoeming van [eisers] als medebestuurder er niet zou zijn gekomen als [gedaagden] daarom had gevraagd. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de inschrijving van [eisers] als bestuurder ook zou hebben plaatsgevonden, als het door [eisers] onzorgvuldig geachte handelen van kandidaat-notaris wordt weggedacht. Een causaal verband ontbreekt.

4.8.

Voorshands wordt dus geoordeeld dat geen sprake is van onzorgvuldig, schadeplichtig handelen door [gedaagden] jegens [eisers] . Daar komt bij dat onvoldoende grond bestaat om de ‘schade’ die [eisers] tot nu toe stelt te hebben geleden aan het handelen van [gedaagden] toe te schrijven. Voorshands is immers onvoldoende aannemelijk geworden dat [eisers] schade heeft geleden doordat hij in de periode van 2 maart 2018 tot 21 oktober 2019 als bestuurder van [praktijk] ingeschreven is geweest. Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat derden hem als bestuurder hebben aangesproken, los van de omstandigheid dat een bestuurder zich voor eventueel wanbeleid van een medebestuurder waaraan hij part noch deel heeft, zou kunnen disculperen. Verder heeft [eisers] onvoldoende toegelicht dat zijn medebestuurder acties heeft ondernomen waardoor [eisers] is benadeeld, omdat hij bestuurder is geweest. Immers, [betrokkene] kon en kan namens [praktijk] (rechts)handelingen verrichten waardoor de vennootschap en de aandeelhouders, en dus ook [eisers] , benadeeld kunnen worden, of [eisers] nu medebestuurder is of niet.

4.9.

De conclusie op grond van het voorgaande is dan ook dat onvoldoende grond bestaat voor het toewijzing van de vordering tot vergoeding van de kosten voor advies en bijstand bij de bezwaarprocedure bij de KvK en dat van eventuele andere (dreigende) ‘schade’ niet is gebleken. Daar komt nog bij dat [gedaagden] bij de noodzaak voor het voeren van deze procedure, bij de hoogte en achtergrond van de opgevoerde bedragen en bij de evenredigheid van het gevorderde bedrag, terecht de nodige vraagtekens heeft geplaatst. Daarop hoeft echter, gezien de eerdergenoemde conclusie niet nader te worden ingegaan.

4.10.

De vorderingen voldoen dus niet aan het onder 4.1 genoemde criterium, zodat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd, met veroordeling van [eisers] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op:

– € 667,00 € 667,00 aan griffierecht en

– € 667,00 € 1.016,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2021.1

1 type: MB coll: JE