Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
13/752172-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Het vonnis dat ten grondslag ligt aan dit EAB, dateert uit 2014. Het daaropvolgende arrest is gewezen in 2015. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en de naderhand opgetreden zorgelijke ontwikkeling in Polen. In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat een schending van de aan de opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich heeft voorgedaan. De raadsvrouw heeft desgevraagd ter zitting opgemerkt geen verweer te voeren op dit punt. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752172-20

RK nummer: 21/85

Datum uitspraak: 4 maart 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 december 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 november 2016 door the Regional Court in Opole (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres opgeëiste persoon] ,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 februari 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the Regional Court in Opole van 24 juni 2014 met referentie III K 21/13 (het vonnis in eerste aanleg). In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

Uit aanvullende informatie van 12 januari 2021 blijkt dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen dit vonnis. Die procedure heeft geresulteerd in een verdict of the Court of Appeal in Wrocław of May 7, 2015 (referentie: II AKa 99/15), waarin de veroordeling in eerste aanleg in stand is gelaten. De rechtbank merkt in dit kader op dat – anders dan de raadsvrouw stelt – het feit dat een arrest in hoger beroep is gewezen, niet betekent dat daarmee de grondslag van het EAB is komen te vervallen indien alleen het vonnis in het EAB wordt genoemd. Het vonnis in eerste aanleg blijft, na de bevestiging in hoger beroep, het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis en is daarmee de basis voor het EAB. Ook eist de OLW niet dat een onderliggend vonnis door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt overgelegd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2006:BD2852).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en die oplegging is bevestigd in het genoemde arrest.

Dit vonnis en het arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

In het EAB staat dat de opgeëiste persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis in eerste aanleg heeft geleid.

Uit een brief van 5 februari 2021 van the Regional Court in Opole blijkt dat the Court of Appeal in Wrocław in zaak II AKa 99/15 het door of namens de opgeëiste persoon ingestelde hoger beroep heeft behandeld. De raadsman van de opgeëiste persoon was aanwezig bij de zitting in hoger beroep en heeft namens de opgeëiste persoon het woord gevoerd. De opgeëiste persoon was ‘duly notified’, maar is niet ter zitting verschenen.

Hierop heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het parket te Amsterdam nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten.

Uit aanvullende informatie van 8 februari 2021 van the Regional Court in Opole blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure in hoger beroep werd bijgestaan door een door hem gemachtigd raadsman, die aanwezig was in de procedure in hoger beroep. De raadsman was ook aanwezig toen het arrest werd uitgesproken.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 18 februari 2021 verklaard dat hij zijn raadsman inderdaad heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen.

De rechtbank concludeert dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b) OLW, nu de opgeëiste persoon op de hoogte was van de behandeling ter terechtzitting en een door hem gekozen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren. Die advocaat heeft ook daadwerkelijk ter terechtzitting de verdediging gevoerd. De in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond is daarom niet van toepassing.

5 Strafbaarheid

5.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 en 2 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid/naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.

6. De hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie

In haar uitspraak van 27 januari 20211 heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 20202(Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)) geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat voormeld arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn er in deze zaak geen gegevens voorhanden met betrekking tot the Regional Court in Opole en the Court of Appeal in Wrocław die tot een diskwalificatie als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” zouden kunnen leiden.

De rechtbank merkt verder op dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen en van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft. Dit overleveringsverzoek ziet echter op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, die al is opgelegd bij het eerder aangehaalde vonnis uit 2014 en is bevestigd in het arrest van 7 mei 2015. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en de naderhand opgetreden zorgelijke ontwikkeling in Polen. De rechtbank overweegt dat in deze omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat een schending van de aan de opgeëiste persoon toekomende rechten, zoals gewaarborgd in artikel 47 Handvest, zich heeft voorgedaan. De raadsvrouw heeft desgevraagd ter zitting opgemerkt geen verweer te voeren op dit punt.

7 Detentieomstandigheden in Polen

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, nu niet duidelijk is in welke gevangenis de opgeëiste persoon na zijn eventuele feitelijke overlevering terecht zal komen en hoe de omstandigheden daar zijn. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden, zodat nadere informatie kan worden opgevraagd over de gevangenis waar de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering terecht zal komen.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

Met betrekking tot de detentieomstandigheden in de gevangenissen in Polen is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Polen bevat op grond waarvan de rechtbank af zou moeten wijken van haar eerder (onder andere op 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507) uitgezette lijn, te weten dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. Het CPT-rapport van 28 oktober 2020, dat ziet op de situatie van personen die gedetineerd zijn op politiebureaus, geeft de rechtbank geen aanleiding om haar eerder uitgezette lijn te herzien. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285a Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Opole (Polen).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. C. Klomp en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2021:179

2 Hof van Justitie van de Europese Unie, 17 december 2020, gevoegde zaken C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1033 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit))