Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:814

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
13/650192-19 (ontneming)
Formele relaties
Veroordeling feit: ECLI:NL:RBAMS:2021:813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing ontnemingsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/650192-19 (ontneming)

Datum uitspraak: 3 maart 2021

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummers 13/650192-19 en 13/674007-20, tegen:

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) ,

geboren te [geboortegegevens] 1960,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, en het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering en van wat de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat de veroordeelde en zijn raadslieden, mrs. J.A.W. Knoester en C.J.J. Kwint, naar voren hebben gebracht.

2 Vordering en de grondslag daarvan

De officier van justitie heeft op 3 maart 2020 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. De vordering ziet op een bedrag van € 104.250,00. Dit bedrag aan voordeel is volgens het Openbaar Ministerie ontstaan door het overtreden van het beroepsverbod van tien jaar waartoe [verdachte] is veroordeeld op 20 april 2012. Die beschuldiging, het overtreden van het beroepsverbod, is een van de beschuldigingen die zijn aangebracht in de bijbehorende strafzaak.

De ontnemingszaak is op 17 februari 2021, tegelijk met de strafzaak, op zitting behandeld.

De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting bijgesteld naar een bedrag van
€ 89.250,00. Dat bedrag zou [verdachte] aan de Staat moeten betalen.

[verdachte] is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2021 onder andere veroordeeld voor een recht uitoefenen, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, meermalen gepleegd. Hij heeft het door de rechtbank in 2012 opgelegde beroepsverbod overtreden.

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e Sr en beoogt het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen uit dit feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank duidt in dit vonnis de persoon die in de tenlastelegging in de onderliggende strafzaak ‘slachtoffer 1’ wordt genoemd aan met ‘aangeefster.’ De in de tenlastelegging in de onderliggende strafzaak als slachtoffers 2 t/m 6 aangeduide personen worden in dit vonnis verder aangeduid als betrokkenen 2 t/m 6.

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De vordering van de officier van justitie vindt haar grondslag in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (het ontnemingsrapport) van 27 januari 2020.1 De conclusie van dit rapport luidt dat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 104.250,00. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij, anders dan het rapport, de opleidingskosten van [slachtoffer] niet meeneemt in haar berekening van het wederrechtelijke voordeel omdat zij die in een te ver verwijderd verband vindt staan tot het strafbare feit. De vordering is daarom naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 89.250,00.

Dit bedrag is gebaseerd op de volgende ontvangsten:

Betrokkene

Ontvangsten

Betrokkene 2

€ 38.250,-

(overgemaakt op 11 september, 2 en 27 oktober 2017)

Betrokkene 3

€ 6.000,-

(overgemaakt op 31 november 2017 en 4 januari 2018)

Betrokkene 4

€ 20.000,-

(overgemaakt op 23 november 2017)

Betrokkene 5

€ 5.000,-

(overgemaakt op 19 en 20 juni 2018)

Betrokkene 6

€ 20.000,-

(overgemaakt op 26 januari 2018)

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 89.250,00

3.2.

Standpunt van de verdediging

De ontnemingsvordering moet worden afgewezen gelet op de door de verdediging bepleitte vrijspraak van de beschuldiging, die ziet op het overtreden van het beroepsverbod in de strafzaak. Als de rechtbank in de strafzaak tot een ander oordeel komt, moet rekening worden gehouden met het volgende.

Zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd, moet de post, die ziet op de opleidingskosten van [slachtoffer] , worden afgewezen. Er bestaan onvoldoende aanwijzingen dat het verkregen voordeel wederrechtelijk is.

[verdachte] betwist niet dat hij € 20.000,- heeft gekregen voor de behandeling van betrokkene 6, maar stelt wel dat hij voor die behandeling kosten heeft gemaakt. [verdachte] heeft in het kader van deze behandeling, € 5.000,- betaald aan aangeefster voor de door haar verrichte werkzaamheden. Deze € 5.000,- moet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Daarnaast moet, in het geval dat de rechtbank in de strafzaak komt tot het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij, betrokkene 5, en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, dit toegewezen bedrag in mindering worden gebracht bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde.

De rechtbank vindt dat [verdachte] door het overtreden van zijn beroepsverbod voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot deze beslissing op grond van de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van 3 maart 2021 in de onderliggende strafzaak zijn opgenomen en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 januari 2021.

Met de officier van justitie en de verdediging vindt de rechtbank dat de vergoeding die [verdachte] heeft ontvangen voor de opleiding van [slachtoffer] van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten afgetrokken. Dat [slachtoffer] die vergoeding aan [verdachte] heeft betaald voor een behandeling in strijd met het beroepsverbod kan uit het dossier niet worden afgeleid.

Uit niets is gebleken dat aangeefster loon heeft ontvangen in het kader van de behandeling van betrokkene 6. Het verweer dienaangaande is onvoldoende onderbouwd en wordt daarom verworpen, zodat ten aanzien van deze betrokkene wordt uitgegaan van een voordeel van
€ 20.000,00.

De vader van betrokkene 2 heeft naast een vergoeding voor de behandeling van € 37.500,00 ook een bedrag van € 750,00 betaald om kosten van levensonderhoud van te betalen. Aannemelijk is dat dat bedrag ook daaraan is besteed, zodat die betaling niet als wederrechtelijk voordeel kan worden aangemerkt.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de volgende berekening (met inachtneming van de in het rapport genoemde bedragen):

Betrokkene

Vergoeding

Betrokkene 2

€ 37.500,-

Betrokkene 3

€ 6.000,-

Betrokkene 4

€ 20.000,-

Betrokkene 5

€ 5.000,-

Betrokkene 6

€ 20.000,-

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 88.500,00

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] met het overtreden van zijn beroepsverbod voordeel verkregen dat door de rechtbank wordt geschat op € 88.500,00.

4 Verplichting tot betaling

Niet is gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag gelet op het hiervoor overwogene op € 88.500,00.

5 Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 88.500,00.

Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 88.500,00 (achtentachtigduizend vijfhonderd euro) aan de Staat.

Bepaalt de duur van de gijzeling die bij niet betalen door de officier van justitie kan worden gevorderd, op ten hoogste 3 (drie) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. J. Knol en G.H. Marcus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2021.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e 2e lid Sr met nummer 2018179090, inclusief onderliggende stukken, van 27 januari 2020, opgesteld door [brigadier] , brigadier, Senior Tactische Opsporing.