Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:8019

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2021
Datum publicatie
18-03-2022
Zaaknummer
4297545
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, 1.88/1.89 BW, zorgplicht, resterende termijnen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 4297545 DX EXPL 15-80

vonnis van: 16 december 2021

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. Van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. J. van Staveren.

De procedure

in conventie en in reconventie

1. Het verdere verloop van de procedure

Op 16 mei 2019 is in deze zaak tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Daarna is een rolmededeling gedaan waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van het hieronder genoemde arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJEU). Beide partijen hebben zich vervolgen bij akte uitgelaten.

De zaak staat thans weer voor vonnis.

Gronden van de beslissing

in conventie en in reconventie

1.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in voornoemd tussenvonnis. Daarin is onder meer overwogen dat de lease-overeenkomsten tijdig zijn vernietigd. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

1.2.

Nu de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] rechtsgeldig zijn vernietigd dienen alle betalingen van [eiser] aan Dexia op grond van die lease-overeenkomsten te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen hij op grond van die overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden. De eigendom van de geleasede effecten verblijft bij Dexia.

1.3.

Op grond van de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] is door [eiser] in totaal € 3.348,16 aan termijnen en een bedrag van € 431,02 aan restschuld aan Dexia betaald. Er is een bedrag van € 683,89 aan dividenden en € 341,40 aan ander voordeel door [eiser] ontvangen. Uit het financieel overzicht blijkt dat de restanthoofdsom van de lease-overeenkomst met nummer [nummer 2] € 3.690,72 bedraagt. Partijen zijn het erover eens dat de verkoopwaarde van deze aandelen € 865,92 bedroeg. Dat betekent dat [eiser] een bedrag van € 2.824,80 aan restschuld aan Dexia heeft voldaan.

Dexia is aldus gehouden een bedrag van € 5.578,69 aan [eiser] te restitueren.

1.4.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over laatstgenoemd bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde na de afloop van de termijn als genoemd in de vernietigingsbrief, dan wel (bij gebreke daarvan) vanaf het moment waarop Hendrickx uit een reactie van Dexia mocht afleiden dat Dexia tekort zou schieten in de nakoming van haar terugbetalingsverplichtingen, dan wel (indien van het een noch het ander sprake is geweest) vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte.

Nu zich in dit geval de laatste situatie voordoet, is Dexia met de terugbetaling in verzuim geraakt vanaf 11 oktober 2006. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf dat moment. Indien het betalingen betreft die nadien hebben plaatsgevonden, is daarover de wettelijke rente verschuldigd ingaande de dag van elke betaling.

1.5.

Nu [eiser] ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft terzake van de overeenkomsten met nummer [nummer 1] en [nummer 2] , zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

1.6.

Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding (meer specifiek: de lease-overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] ) .

De lease-overeenkomsten met nummers [nummer 3] (II), [nummer 4] (IV), [nummer 5] (V) en [nummer 6] (VI) Toepassing Hof-model en Hof-formule

2.1.

Partijen twisten over de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’ met betrekking tot de lease-overeenkomsten IV, V en VI.
Ten aanzien van de lease-overeenkomst II ( [nummer 3] ) zijn partijen het erover eens dat sprake is van een aanvaardbare financiële last voor [eiser] .

2.2.

Geconstateerd wordt dat [eiser] verder met betrekking tot de lease-overeenkomsten II, IV, V heeft gesteld dat Dexia ten onrechte resterende termijnen in rekening heeft gebracht.

Resterende termijnen

2.3

Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomsten bij de eindafrekening een bedrag van respectievelijk
€ 762,96, € 6.296,43 en € 21.924,49 bij [eiser] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van de effectenlease-overeenkomsten met nummers II, IV en V.

[eiser] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn).

2.4.

In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere Voorwaarden aanspraak worden gemaakt.

2.5.

De vraag of de beëindiging van de overeenkomst moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht. Dit leidt tot de conclusie dat het beding dat Dexia aanspraak geeft op na beëindiging van de overeenkomst nog resterende termijnen dient te worden vernietigd.

2.5.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere Voorwaarden bij) de overeenkomst Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden.

2.6.

Dexia wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de leaseovereenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van de [eiser] van de wettelijke regeling afweken. Niet gebleken is dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. In dit verband wordt verwezen naar het arrest van hof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826).

2.7.

Dexia stelt dat de mogelijkheid om een beroep te doen op de vernietigbaarheid van het oneerlijk beding reeds was verjaard, omdat de verjaringstermijn van drie jaar vanaf het moment dat zij jegens [eiser] een beroep deed op de Bijzondere voorwaarden (artikel 6:235 lid 4 BW), wat zij deed bij het opstellen van de eindafrekening. De kantonrechter volgt Dexia evenmin in deze stelling en verwijst daarbij naar de overwegingen van hof Amsterdam in het arrest van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2826), die hierbij worden overgenomen. Deze overwegingen zijn (r.o. 3.15):

Dexia heeft met artikel 6 en 15 van de Bijzondere voorwaarden bedongen dat zij bij wanbetaling door de [eiser] de leaseovereenkomst kan beëindigen en op de vordering van de [eiser] die dan ontstaat is artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Het opstellen van een eindafrekening waarbij aan deze contractuele regeling uitvoering wordt gegeven, is niet hetzelfde als het tegenover de [eiser] een beroep doen op de hier bedoelde bedingen. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] door het contant maken van de resterende leasetermijnen zich van de inhoud van de bedingen en de implicaties ervan bewust is geworden, terwijl ook niet kan worden gezegd dat die bewustheid er daardoor redelijkerwijs in voldoende mate had moeten zijn. Het beroep op verjaring faalt reeds om deze reden. Daarbij komt dat uit de rechtspraak van het HvJEU volgt (vgl. HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167 en HvJEU 22 april 2021 ECLI:EU:C:2021:313) dat een effectieve consumentenbescherming niet kan worden bereikt als de rechter niet ambtshalve verplicht is te onderzoeken of bepaalde bepalingen van het Unierecht inzake consumentenbescherming, zoals die van de Richtlijn, door de verkoper zijn geschonden. De rechter moet, wanneer hij ambtshalve een schending van een verplichting heeft vastgesteld, daaraan alle consequenties verbinden die naar nationaal recht uit die schending voortvloeien, met dien verstande dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich tegen de voorwaarde dat de sanctie van nietigheid van de bedingen moet worden ingeroepen door de consument en binnen een verjaringstermijn van drie jaar, zodat ook om die reden het beroep van Dexia op verjaring faalt.”

2.7

Uit het voorgaande volgt dat de post die ziet op de contant gemaakte resterende termijnen in de eindafrekeningen van de leaseovereenkomsten II, IV en V van respectievelijk € 762,96, € 6.296,43 en € 21.924,49 komt te vervallen. Indien [eiser] deze bedragen heeft voldaan, dient Dexia deze volledig te restitueren. Nu de vraag of sprake is geweest van een financieel zware onaanvaardbare last met betrekking tot deze lease-overeenkomsten nog moet worden beantwoord, moet het totaal te betalen dan wel te restitueren bedrag door partijen nog worden bepaald.

Toepassing Hof-model en Hof-formule

3.1.

Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen

Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

3.2.

Verder volgt daar uit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de door [eiser] geleden schade eerst in mindering dient te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [eiser] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. Indien het aangaan van de overeenkomst(en) voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [eiser] een derde deel van de schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de [eiser] de schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hofformule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [eiser] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.

3.3.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hofformule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y).

De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van de belegger. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W

staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning

voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De

factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B

staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en

aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.

Onaanvaardbaar zware financiële last?

3.4.

Tussen partijen is (onder meer) in geschil of [eiser] nog een vordering op Dexia omdat Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomst(en) haar zorgplichten heeft geschonden. In verband daarmee stelt [eiser] dat de overeenkomsten een onaanvaardbaar zware financiële last vormden en dat Dexia nog niet (volledig) heeft voldaan aan haar verplichting om twee derde van de inleg dient te vergoeden. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil:

  • -

    of [eiser] voldoende de gegevens heeft verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling en deze in voldoende mate heeft toegelicht en met stukken heeft onderbouwd.

  • -

    De berekening van [eiser] met betrekking tot de door hem betaalde rente uit kredietovereenkomsten;

  • -

    Het meenemen in de berekening van door [eiser] genoten fiscaal voordeel.

Verstrekking en onderbouwing gegevens [eiser]

3.5.

Vastgesteld wordt dat [eiser] niet (al) de voor de hier bedoelde beoordeling noodzakelijke (schriftelijke onderbouwing van de) financiële en andere persoonlijke gegevens heeft overgelegd. Dit betreft met name de gegevens omtrent:

- de gegevens uit de door [eiser] gevoerde onderneming, waaronder begrepen een jaarverslag;

-de kredietovereenkomsten waar [eiser] een beroep op doet zijn niet door hem overgelegd.

3.6

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] niet (voldoende) onderbouwd dat bij het aangaan van de overeenkomsten met nummers [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de daaruit volgende schade wegens termijnen geheel voor zijn rekening blijft.

Bij de bepaling of sprake is van onaanvaardbaar zware financiële last dienen al de van belang zijnde gegevens door [eiser] worden overgelegd. [eiser] heeft gesteld dat hij (in 2001) winst uit zijn onderneming heeft genoten. Met Dexia wordt overwogen dat hij een jaarverslag of andere stukken met betrekking tot dit bedrijf had behoren te overleggen. De kantontrechter verwijst daarbij naar het arrest van het hof Amsterdam van 20 januari 2015 (ECLI:GHAMS:2015:100) waaruit blijkt dat privé-onttrekking dienen te worden meegenomen als inkomen (factor X) in de Hofformule. Dat speelt met name in het onderhavige geval nu [eiser] winst heeft behaald uit de onderneming. Datzelfde geldt voor de door hem opgevoerde kredietovereenkomsten en de bepaling van de hoogte van de factor C.

Conclusie betreffende het bestaan van een onaanvaardbaar zware financiële last

3.7.

Met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] volgt uit het voorgaande dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan.

3.8.

De kantonrechter gaat uit van de door Dexia overgelegde financiële gegevens nu deze niet wel onvoldoende door [eiser] zijn weersproken.

3.9

Nu de leaseovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [eiser] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia schade dienen te vergoeden te berekenen volgens bovenbedoelde maatstaven.

Fiscale voordelen.

3.10.

De kantonrechter verwijst naar het arrest van het hof Amsterdam van 9 oktober 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3749), welke als leidraad wordt genomen. Dat betekent dat de stelling van [eiser] dat fiscale voordelen niet behoren te worden meegenomen wordt gepasseerd.

Art. 6:100 BW bepaalt: “Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dat voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht”.

Nu de schadebrengende gebeurtenis, schending van de waarschuwings- en onderzoeksplicht, naast de ontvangen dividenden en het batig saldo, ook heeft geleid tot de fiscale voordelen, dienen ook die voordelen bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening te worden gebracht (zie ook HR 19 mei 1995, NJ 1995, 531).

De op basis van overeenkomsten met nummers [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] verschuldigde rente en ontvangen dividenden (ingehouden dividendbelasting) leiden tot het door Dexia berekende fiscale voordeel van in totaal € 2.001,22 (€ 690,63, € 1.279,95 en
€ 30,64). Gesteld noch gebleken is dat [eiser] het fiscale voordeel niet werkelijk heeft genoten. Gezien het vorenstaande is er geen reden de verrekening van het voordeel te beperken.

Batig saldo

3.11.

Tussen partijen is eveneens niet in geschil dat [eiser] een batig saldo uit voorgaande overeenkomsten van in totaal € 10.056,33 heeft genoten. Het batig saldo is meegenomen in de berekening van de schade van de lease-overeenkomsten II (€ 961,22) en IV (€ 9.095,11).

3.12.

Uit het voorgaande volgt dat de schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [eiser] blijft, evenals 1/3 deel van de schade wegens (eventuele) restschuld.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst met nummer [nummer 3] betekent dit het volgende. Deze overeenkomst is met een positief bedrag van € 11,56 geëindigd. Dit bedrag is ook uitgekeerd. Om die reden staat er geen uit te keren bedrag in de bijlage I. Echter, er is op grond van deze overeenkomst een bedrag van € 762,96 aan resterende termijnen in rekening gebracht. Dexia dient dit bedrag te restitueren. Dexia is over het door haar verschuldigde bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 maart 2004.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst met nummer [nummer 4] betekent dit het volgende. Uit bijlage II blijkt dat [eiser] 1/3 deel van de restschuld dient te betalen. Het totale bedrag aan restschuld is gewijzigd naar een bedrag van € 2.787,89, waarbij het ten onrechte in rekening gebrachte bedrag aan resterende termijnen in mindering is gebracht op de totale restschuld. Het bedrag aan fiscaal voordeel is opgenomen onder de post uitgekeerde dividenden. Het voor rekening van [eiser] blijvende deel van de restschuld bedraagt
€ 2.563,55. [eiser] is over het door hem verschuldigde bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 dagen na de eindafrekening, zijnde vanaf 1 juli 2006.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst met nummer [nummer 5] betekent dit het volgende.

Uit bijlage III blijkt dat [eiser] 1/3 deel van de restschuld dient te betalen. Het totale bedrag aan restschuld is gewijzigd naar een bedrag van € 10.233,88, waarbij het ten onrechte in rekening gebrachte bedrag aan resterende termijnen in mindering is gebracht op de totale restschuld. Het bedrag aan fiscaal voordeel is opgenomen onder de post uitgekeerde dividenden. Het voor rekening van [eiser] blijvende deel van de restschuld bedraagt € 5.223,81. [eiser] is over het door hem verschuldigde bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 10 dagen na de eindafrekening, zijnde vanaf 1 juli 2006.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst met nummer [nummer 6] betekent dit het volgende

Uit bijlage IV blijkt dat [eiser] 1/3 deel van de restschuld dient te betalen. Het bedrag aan fiscaal voordeel is opgenomen onder de post uitgekeerde dividenden. [eiser] heeft de restschuld voldaan. Dat betekent dat Dexia 2/3 deel daarvan dient te restitueren. Dit betekent dat Dexia nog een bedrag van € 914,60 aan [eiser] verschuldigd is. Dexia is over het door haar verschuldigde bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van betaling daarvan door [eiser] , zijnde 5 maart 2004.

Buitengerechtelijke kosten.

4. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is in de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is. Dit brengt mee, dat de vordering van Dexia toegewezen kan worden, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

De lease-overeenkomsten met nummers [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 11]

5.1.

Dexia stelt met betrekking tot de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 11] het volgende. Zij meent er recht en belang bij te hebben dat de rechtspositie terzake deze overeenkomsten tussen partijen wordt vastgesteld. Zolang deze vaststelling er niet is kan er volgens Dexia nimmer gesteld worden dat het geschil definitief beëindigd is.

5.2.

[eiser] heeft terzake deze overeenkomsten naar voren gebracht dat hij geen vorderingen heeft gepretendeerd te hebben met betrekking tot deze overeenkomsten.
Om die reden ziet de kantonrechter aanleiding de vordering van Dexia toe te wijzen.

5.3.

Dat betekent dat Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 12] aan al haar verplichtingen jegens [eiser] uit hoofde van deze overeenkomsten heeft voldaan.

6.4.

Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.
Proceskosten

6. Gelet op het verloop en de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.


BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht dat de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] zijn vernietigd;

veroordeelt Dexia aan [eiser] ter zake de lease-overeenkomsten te betalen
€ 5.578,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal van de voor
11 oktober 2006 aan Dexia gedane betalingen verminderd met de wettelijke rente over het totaal van voor die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, een en ander vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over elke eventuele na 11 oktober 2006 aan Dexia verrichte betaling, steeds vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening, en verminderd met de wettelijke rente over elke na die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, steeds vanaf het moment van ontvangst, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven betreffende de overeenkomsten met nummer [nummer 1] en [nummer 2] - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit deze lease-overeenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,-;

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst(en) met nummers [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeelt Dexia aan [eiser] terzake de lease-overeenkomst(en) met nummers [nummer 3] en [nummer 6] te betalen een bedrag van respectievelijk € 762,96 en € 914,60, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 maart 2004 en 5 maart 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

in reconventie

veroordeelt [eiser] aan Dexia terzake de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 4] en [nummer 5] te betalen een bedrag van respectievelijk € 2.563,55 en
€ 5.223,81, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart voor recht dat Dexia jegens [eiser] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomsten met nummers [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] en [nummer 11] heeft voldaan;


in conventie en in reconventie

VII. compenseert de proceskosten, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

VIII. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IX. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter