Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:749

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
13/171398-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen, art. 420ter Sr. 18 maanden gevangenisstraf. Geen vormverzuim ex art. 359s Sv bij raadplegen digitale-gegevensdragers omdat de rechter-commissaris deze in beslag genomen had en aan de politie ter hand gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/171398-20

Datum uitspraak: 24 februari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , gedetineerd in de [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2021.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 3 december 2020 – ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) geleden in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 30 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, en/of Juan Dolio en/of Santo Domingo, althans in de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer voorwerp(en), te weten (onder meer):

  • -

    diverse, althans een of meerdere geldbedrag(en), gestort op een of meerdere bankrekening(en) ten name van [medeverdachte 1] , te weten in totaal (ongeveer) 637.615,- euro, in elk geval enig geldbedrag (ZD3) en/of

  • -

    diverse, althans een of meerdere geldbedrag(en), te weten van in totaal (ongeveer) 393.165,55 euro, in elk geval enig geldbedrag en/of diverse sieraden en/of diverse tassen en/of diverse kledingstukken en/of (een) auto(’s) (waaronder een Audi S3) en/of levensonderhoud voor/van/aan [medeverdachte 2] (ZD1) en/of

- diverse, althans een of meerdere (dure) auto’s, te weten (onder meer) een McLaren Spider 650 S uit 2015 en/of een Mercedes-Benz G500 uit 2017 en/of een Mercedes-Benz GT AMG Coupé uit 2018 (ZD4) en/of

- een contant geldbedrag, te weten in totaal (ongeveer) 207.700,- euro en/of 23.950,- euro en/of 11.000,- euro, in elk geval enig geldbedrag (ZD2) en/of

- een contant geldbedrag, te weten in totaal (ongeveer) 1.760,- euro, in elk geval enig geldbedrag (ZD4) en/of

- diverse (dure) (merk)kleding en/of dure (merk)schoenen (van onder andere de/het merk(en) Louis Vuitton, Gucci en Louboutin), te weten onder meer (ongeveer) 30 jassen en/of (ongeveer) 75 paar schoenen (ZD4) en/of

- diverse (dure) horloges (van onder andere de/het merk(en) Rolex en/of Audemars Piguet en/of Patek Philippe) met een totale aanschafwaarde van (ongeveer) 603.340,- euro, te weten onder meer een horloge van het merk Rolex, type Day-Date 40 met een nieuwwaarde van (ongeveer) 37.512,- euro en/of een horloge van het merk Audemars Piguet, type Royal Oak Rubens Baricello II met een nieuwwaarde van (ongeveer) 47.673,- euro en/of een horloge van het merk Patek Philippe, type Nautilus Gold met een nieuwwaarde van (ongeveer) 135.000,- euro) (ZD4) en/of

- diverse (andere) (dure) sieraden (van onder andere het merk Cartier) met een totale aanschafwaarde van (ongeveer) 15.938,- euro (ZD4) en/of

- diverse luxegoederen voor [persoon] , te weten onder meer een of meerdere tas(sen) van de/het merk(en) Dior en/of Louis Vuitton en/of Gucci en/of schoenen van de/het merk(en) Louis Vuitton en Balenciaga met een totale aanschafwaarde van (ongeveer) 11.663,- euro (ZD4) en/of

- diverse luxegoederen, te weten onder meer een Virtual Reality bril en/of zes, althans een of meer telefoons van het merk Apple Iphone (ZD4) en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruikgemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – (geheel of gedeeltelijk) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

De rechtbank merkt ambtshalve ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake van het aan verdachte ten laste gelegde (gewoonte)witwassen in Juan Dolio en/of Santo Domingo, althans in de Dominicaanse Republiek, het volgende op.

3.2.

Ingevolge artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. Verdachte is Nederlander. Witwassen wordt in Nederland als misdrijf beschouwd.1 Ook in de Dominicaanse Republiek is op witwassen straf gesteld.2 De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vervolging van de verdachte ter zake van het witwassen in de Dominicaanse Republiek.

4 Vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?

4.1.

De verdediging heeft – overeenkomstig de randnummers 27 tot en met 49 van haar overgelegde pleitaantekeningen – aangevoerd dat het onderzoek aan de gegevensdragers (iPhones en iMac) van verdachte onrechtmatig is geweest. In strijd met de smartphonejurisprudentie van de Hoge Raad (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584) zijn de gegevensdragers van verdachte uitgelezen en is de inhoud daarvan doorzocht. Hierbij is een min of meer compleet beeld verkregen van het persoonlijke leven van verdachte. Aangezien sprake is van onderzoek dat veel verder gaat dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer – welk recht is neergelegd in artikel 8 van het EVRM – had, gelet op het smartphone-arrest, voorafgaand toestemming moeten worden gegeven door een officier van justitie dan wel een rechter-commissaris. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een onrechtmatige inbreuk op het recht van verdachte op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en dus van een schending van artikel 8 EVRM. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv dat zodanig ernstig is dat het gevolg daarvan moet zijn dat al het bewijs dat is verkregen door het uitlezen van de gegevensdragers van cliënt van het bewijs moet worden uitgesloten, aldus de verdediging.

4.2.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

4.3.

De Hoge Raad heeft in zijn zogenoemde smartphone-arresten van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/229 en ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/230 m.nt. Kooijmans3, ten aanzien van het onderzoek aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken (digitale-gegevensdragers) het volgende overwogen:

“2.5. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076, NJ 1994/577). Dat geldt ook voor in andere inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens. De wettelijke basis voor dat onderzoek door opsporingsambtenaren is gelegen in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd.

2.6.

Voor het doen van onderzoek door een opsporingsambtenaar aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken teneinde de beschikking te krijgen over daarin opgeslagen of beschikbare gegevens vereist de wet geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Indien de met het onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren, neergelegd in art. 94, in verbinding met art. 95 en 96 Sv, daarvoor voldoende legitimatie. Dit zal het geval kunnen zijn indien het onderzoek slechts bestaat uit het raadplegen van een gering aantal bepaalde op de elektronische gegevensdrager of in het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens. Indien dat onderzoek zo verstrekkend is dat een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker van de gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, kan dat onderzoek jegens hem onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technische hulpmiddelen.

2.7.1.

Het Hof heeft het gevoerde verweer verworpen op de enkele grond dat art. 94 Sv een voldoende wettelijke grondslag vormt voor het door een opsporingsambtenaar verrichte onderzoek aan de smartphone van de verdachte. Daarmee heeft het Hof het in 2.6 overwogene miskend. Het middel klaagt daarover terecht.

2.7.2.

Na terugwijzing van de zaak zal het Hof moeten beoordelen of ten aanzien van de op de voet van art. 94 Sv in verbinding met art. 95 en 96 Sv inbeslaggenomen smartphone en het ten behoeve van de opsporing vastleggen van de daarin opgeslagen of beschikbare gegevens sprake is van meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Indien het Hof bevindt dat sprake is van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 84 beschreven gang van zaken – kort gezegd inhoudend dat met daartoe bestemde apparatuur en/of software alle op een smartphone en/of de bijbehorende SIM-kaart opgeslagen of beschikbare gegevens zijn uitgelezen waardoor (volledig) inzicht is verkregen in contacten, oproepgeschiedenis, berichten en foto's – ontstaat daardoor het vermoeden dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt.

Indien het Hof tot dat oordeel zou komen, zal het op de voet van art. 359a Sv moeten beoordelen of aan het ontbreken van een wettelijke legitimatie enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308.)

2.8.

Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. In zo een geval vormen de genoemde wettelijke bepalingen een toereikende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen – waaronder elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Daarbij valt – in het licht van art. 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn.”

4.4.

In zijn arrest van 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:202 heeft de Hoge Raad overwogen dat “in het samenstel van de bepalingen waarop de bevoegdheid tot inbeslagneming is gebaseerd (…) tevens de wettelijke basis voor de bevoegdheid (ligt) om aan in beslag genomen voorwerpen onderzoek te doen ten behoeve van de waarheidsvinding, teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers en andere in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, opgeslagen of beschikbare gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076 en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584).”

4.5.

De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot het in beslag nemen van een digitale-gegevensdrager behelst dus tevens de bevoegdheid tot het (doen) verrichten van onderzoek.4 Ook de gegevens die zijn opgeslagen op een door de rechter-commissaris in beslag genomen digitale-gegevensdrager zoals een smartphone mogen daarom worden geraadpleegd. De rechter-commissaris hoeft het onderzoek niet zelf te verrichten. Hij kan op grond van artikel 177 van het Wetboek van Strafvordering een opdracht geven aan opsporingsambtenaren dat onderzoek te verrichten.

4.6.

Het proces-verbaal van aanvraag machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming in panden: [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] van 23 juni 2020 (pagina 2209 tot en met 2216 van het dossier) houdt onder meer dat onder gezag van mr. A. Kerkhoff, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, op 27 mei 2019 een strafrechtelijk onderzoek is gestart waarin [verdachte] als verdachte is aangemerkt. Hij wordt verdacht van witwassen. In het proces-verbaal staat verder gerelateerd dat het in verband met het vorenstaande, van belang is dat ter verkrijging van de nodige bewijslast tegen de verdachte(n), een doorzoeking wordt verricht ter inbeslagneming van de daarvoor vatbare voorwerpen, die betrekking kunnen hebben op het gepleegde misdrijf. Gezocht dient te worden naar onder andere communicatiemiddelen / gegevens die nader inzicht kunnen geven in genoemde verdenking.

4.7.

Bij beslissing van 24 juni 2020 heeft de rechter-commissaris de vorderingen ex artikel 110 Sv van 23 juni 2020 tot doorzoeking van drie adressen die in verband waren gebracht met de verdachte tot inbeslagneming toegewezen, op de wijze en onder de voorwaarden als in de vorderingen omschreven (pagina 2242 tot en met 2244).

4.8.

In het proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagneming van 8 juli 2020 van de rechter-commissaris betreffende de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] (pagina 2269 tot en met 2271) heeft de rechter-commissaris onder meer gerelateerd dat volgens mededeling van de (hulp)officier van justitie in afwachting van haar komst de aanwezige elektronische (telecommunicatie)apparatuur is veiliggesteld met het oog op het behoud van de mogelijkheid om onderzoek te doen naar zich daarop bevindende gegevens. Ten slotte heeft de rechter-commissaris in het proces-verbaal opgenomen dat zij de iPhones en iMac in beslag genomen heeft en die aan de (hulp)officier van justitie ter hand heeft gesteld.

4.9.

Hoewel uit het oogpunt van het waarborgkarakter van de bemoeienis van de rechter-commissaris van belang kan zijn dat ondubbelzinnig blijkt dat een opdracht tot onderzoek ex artikel 177, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is gegeven, was het in de onderhavige zaak niet nodig dat de rechter-commissaris een expliciete beslissing nam over het onderzoek aan en in de digitale-gegevensdragers (iPhones en iMac) van de verdachte. Het was de betrokkenen duidelijk waarom de digitale-gegevensdragers in beslag genomen moesten worden. De inbeslagneming door de rechter-commissaris en de terhandstelling van de in beslag genomen smartphones aan de politie impliceert dat deze digitale-gegevensdragers vrijelijk onderzocht mochten worden.

4.10.

De conclusie is dat zich geen vormverzuim heeft voorgedaan.

5. Juridisch kader witwassen 5

5.1.

Aan verdachte is kort gezegd het medeplegen van (gewoonte)witwassen ten laste gelegd, artikel 420bis, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

5.2.

Gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, is het voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel dat een voorwerp “afkomstig uit enig misdrijf” is, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Uit de bewijsmiddelen behoeft dus niet te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Voor een veroordeling ter zake van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht is wel vereist dat (met voldoende mate van zekerheid) vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

5.3.

In het geval op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf kan niettemin bewezen worden geacht dat een in de tenlastelegging genoemd voorwerp (of geldbedrag) “afkomstig is uit enig misdrijf”, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

5.4.

Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

5.5.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

6 De beoordeling van het bewijs

6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

6.2.1.

De verdediging heeft zich wat betreft het volgende gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank:

  • -

    het contante geldbedrag van in totaal € 23.950,- en

  • -

    van het contante geldbedrag van € 11.000,- een bedrag van € 4.070,-;

  • -

    een contant geldbedrag van € 1.760,-;

  • -

    dure merkkleding en dure merkschoenen;

  • -

    diverse dure sieraden;

  • -

    diverse luxegoederen voor [persoon] ;

  • -

    diverse luxegoederen: een virtualrealitybril en zes iPhones.

6.2.2.

De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van de volgende voorwerpen en bedragen het Openbaar Ministerie er niet in is geslaagd om met bewijsmiddelen een gerechtvaardigd witwasvermoeden jegens verdachte aan te tonen en dat om die reden dan ook vrijspraak dient te volgen. Het gaat om:

  • -

    contante stortingen tot een bedrag van € 637.615,- op de rekeningen ten name van [medeverdachte 1] ;

  • -

    diverse geldbedragen, in totaal € 393.165,55, diverse sieraden, tassen en kledingstukken en auto’s waaronder een Audi S3 en levensonderhoud voor/van/aan [medeverdachte 2] ;

  • -

    diverse, dure auto’s, te weten een McLaren Spider 650 S uit 2015, een Mercedes-Benz G500 uit 2017 en een Mercedes-Benz GT AMG Coupé uit 2018;

  • -

    diverse dure horloges;

  • -

    een contant geldbedrag van in totaal € 207.700,-.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.6

6.3.2.

Uit verstrekte fiscale gegevens van het iCOV (infobox voor Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) is naar voren gekomen dat verdachte tussen 2015 en 2019 geen inkomsten en/of toeslagen heeft gehad. Ook heeft hij geen schenkingen, leningen of erfenissen ontvangen. Er is van hem één bankrekening bekend, dit is een Rabobankrekening [rekeningnummer 1] .7 Uit opgevraagde bankafschriften van deze rekening tussen 6 september 2014 en 4 juni 2019 blijkt dat hier nauwelijks transacties op zijn gedaan. Vanaf maart 2017 zijn er alleen nog transacties te zien voor de kosten van het aanhouden van de rekening. Kosten voor levensonderhoud, verzekeringen en huur zijn niet te zien.8

6.3.3.

In de periode van 6 januari 2015 tot en met 18 juni 2019 wordt 141 keer contant geld gestort voor in totaal € 403.070,- op de betaalrekening [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 1] . Op 20 mei 2019 wordt er om 14.13 uur in Nykoeping in Zweden een betaling gedaan voor omgerekend € 107,10 met pasnummer [nummer 1] en op diezelfde dag wordt er om 15.02 uur een storting gedaan op de Dam 2 in Amsterdam met pasnummer [nummer 2] . Er wordt van deze rekening huur betaald voor de woning aan de [adres 2] en voor de huur van de woning aan de [adres 3] . Ook zijn er maandelijkse betalingen te zien voor vaste lasten, zoals KPN, Waternet, Essent en Menzis.9

6.3.4.

In de telefoon van [medeverdachte 3] staan gesprekken tussen hem (“ [medeverdachte 3] ”) en “ [medeverdachte 1] ” (met wie [medeverdachte 1] wordt bedoeld). Op 29 juni 2020 om 12.11 uur informeert “ [medeverdachte 1] ”: ‘Heeft die kleine je nog geld gegeven om voor mij te storten?’ Om 12.12 uur antwoordt [medeverdachte 3] : ‘Ja schat heb ik vanochtend gestort’. Even later bericht “ [medeverdachte 1] ”: ‘Thanks babe’ en ‘Dan ga ik het nu regelen.’ Omstreeks 15.13 uur, laat “ [medeverdachte 1] ” weten: ‘Zo heb alles geregeld’ en ‘Ticket naar Amsterdam en hotel in Atlanta’. Diezelfde dag, 29 juni 2020 om 12.50 uur, vraagt “ [verdachte] ” ( [telefoonnummer 1] ) aan [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 2] ) of hij al gestort heeft voor [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] bevestigt dit en zegt dat hij nu met ‘ [medeverdachte 1] ’ op de app zit.’ In de telefoon zit ook een foto van een brief van de ABN Amro van 16 juli 2019, gericht aan [medeverdachte 1] waarin de bank haar bedankt voor de mail en aangeleverde documentatie op 25 juni 2019 ten aanzien van de onderzochte transacties op [rekeningnummer 2] . En verder nog een foto van een brief van ABN Amro van 7 april 2020, gericht aan [medeverdachte 1] , waarbij de nieuwe betaalpas was ingesloten ten name van [medeverdachte 1] , [rekeningnummer 2] .10 In een van de telefoons van verdachte wordt hetzelfde gesprek aangetroffen met ‘ [medeverdachte 3] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) dat is gevoerd op 29 juni 2020.11

6.3.5.

Op de ING-rekening van de [medeverdachte 1] , de zus van verdachte, die op 19 juni 2019 is geopend, is in de periode tot en met 10 juni 2020 elf keer contant geld gestort voor een bedrag van in totaal € 23.950,-. Van deze rekening wordt voor zes maanden de huur van de [adres 2] betaald.12 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij elf keer geld heeft gestort op de ING-rekening van [medeverdachte 1] en dat hij dat geld had gekregen van verdachte.13

6.3.6.

[medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij contant geld (€ 4.100,-) op zijn rekening heeft gestort en op verzoek van verdachte aan [medeverdachte 2] heeft overgemaakt. Er € 4.070,- naar haar rekening overgemaakt.14 Verdachte heeft verklaard dat hij in totaal € 4.000,- aan [medeverdachte 3] heeft gegeven en dat dit geld naar [medeverdachte 2] is overgemaakt.15

6.3.7.

Verdachte is op 30 juni 2020 aangehouden op het adres [adres 2] .16 Diezelfde dag heeft op dat adres een doorzoeking plaatsgevonden.17 Bij die doorzoeking zijn onder meer de volgende voorwerpen aangetroffen:

- € 1.760,- € 1.760,- in de bovenste lade van een slaapkamerkastje;18

- dure merkkleding (ongeveer 30 jassen) en ongeveer 75 paar dure merkschoenen van de merken Givenchy, Christian Dior, Louis Vuitton, Gucci en Louboutin;19

- diverse sieraden van het merk Cartier, waaronder twee dezelfde type armbanden: een armband van witgoud en de andere van goud;20

- een virtualrealitybril (omschreven als viewer) samen met een 3d-projector en zes Apple-telefoons (iPhones).21

6.3.8.

In de telefoon van verdachte staan foto’s van diverse kledingstukken, schoenen en tassen. Al deze foto’s zijn omstreeks mei 2020 gemaakt. Uit onderzoek in de telefoons komt naar voren dat verdachte sinds medio 2019 een vriendin heeft, [persoon] , aan wie hij vermoedelijk een Gucci rugzaktas van Dior (€ 4.100,-), twee tassen van Louis Vuitton (€ 1.820,- en € 1.930,-) en pumps van dat merk (€ 1.573,-) en Balenciaga boots (€ 750,-) cadeau heeft gedaan. Uit onderzoek op internet naar de aanschafwaarde van de goederen is een bedrag van ongeveer € 11.663 naar voren gekomen.22 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad een aantal luxe goederen voor [persoon] heeft aangeschaft.23

6.3.9.

De rechtbank is van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voorwerpen en geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft immers geen aantoonbaar legaal inkomen of anderszins aantoonbaar legaal verkregen vermogen maar heeft kennelijk wel de beschikking over veel contant geld gehad en dure spullen aangeschaft. Van verdachte mag worden daarom verlangd worden dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen en geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

6.3.10.

Verdachte heeft op 3 juli 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij in de Dominicaanse Republiek auto’s verhuurt en huizen en horloges verkoopt. Ter zitting heeft verdachte herhaald dat hij dure horloges van vrienden verkoopt en daar zijn geld mee verdient. De rechtbank is van oordeel dat van een concrete, verifieerbare verklaring geen sprake is. Voor zover mogelijk heeft de politie de verklaring van verdachte geverifieerd. Uit de bevindingen van de politie komt kort gezegd naar voren dat het niet aannemelijk is dat verdachte werkzaam is in de Dominicaanse Republiek. Er is niets gevonden dat er op duidt dat verdachte een bedrijf op zijn naam heeft in het buitenland of daar legale werkzaamheden verricht.24

6.3.11.

De slotsom is dat met voldoende mate van zekerheid een legale herkomst van de aangetroffen hiervoor genoemde voorwerpen en geldbedragen kan worden uitgesloten en dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voorwerpen en geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

6.3.12.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat het bedrag van € 210.595,- dat tussen 11 mei 2017 en 6 juli 2019 door 44 contante stortingen op de rekening [rekeningnummer 3] [medeverdachte 1] terechtgekomen is van verdachte afkomstig was of dat hij dat tezamen en in vereniging met zijn zus voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat eveneens onvoldoende bewijs dat de diverse geldbedragen die [medeverdachte 2] heeft ontvangen, behoudens het hiervoor genoemde bedrag van € 4.070,-, en het bedrag van € 6.930,- (€ 11.000 - € 4.070,-) dat [medeverdachte 3] heeft ontvangen, van verdachte afkomstig zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de sieraden, tassen en kledingstukken en auto’s waaronder een Audi S3 van [medeverdachte 2] . Ook ten aanzien van de ten laste gelegde dure horloges kan niet met voldoende mate van zekerheid worden gezegd dat verdachte deze voorhanden heeft gehad en wat de waarde ervan was. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van het geld dat bij [medeverdachte 3] thuis is aangetroffen, in totaal € 207.700,- met onvoldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat dit geld afkomstig is van verdachte. Er is wel een verband tussen de zus van verdachte en dat geldbedrag maar geen (rechtstreeks) verband met verdachte. Ook hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd ten aanzien van hetgeen is ten laste gelegd met betrekking tot [medeverdachte 2] is onvoldoende om van verdachte een verklaring te verlangen.

6.3.13.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte heel veel selfies heeft gemaakt terwijl hij in dure auto’s rijdt in de Dominicaanse Republiek en dat uit de vele foto’s die in de telefoons van verdachte zijn gevonden volgt dat hij deze gedurende een langere periode gebruikt heeft. Op een aantal foto’s is te zien is dat de auto’s bij elkaar geparkeerd staan, waarbij in sommige gevallen op de parkeerplekken de nummers van de woningen te zien zijn die behoren bij de woningen van verdachte. In de telefoon van zijn zus zijn eigendomsbewijzen op naam van anderen gevonden van een Mclaren Spider 650 S uit 2015 en een Mercedes Benz G500 uit 2017. En in en gesprek met zijn zus heeft verdachte het over het willen aanschaffen van een alarmsysteem voor zijn auto’s. Aan de hand van de foto’s, video’s, eigendomsbewijzen en de gesprekken zou volgens de officier van justitie kunnen worden vastgesteld dat verdachte in de Dominicaanse Republiek over dure auto’s beschikt. De rechtbank is van oordeel dat het bewijs dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde dure auto’s heeft geleverd onvoldoende is om te kunnen spreken van een vermoeden van witwassen. Bewijs dat deze goederen door verdachte zijn aangeschaft dan wel hem toebehoren, ontbreekt.

6.3.14.

Verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

7 Bewezenverklaring

7.1.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich – al dan niet tezamen met een ander – heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, en alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededader telkens (van) een of meer voorwerpen, te weten:

- diverse geldbedragen, gestort op bankrekeningen ten name van [medeverdachte 1] , te weten in totaal 427.020 euro (403.070 euro + 23.950 euro) en

- een geldbedrag voor [medeverdachte 2] en

- een contant geldbedrag, te weten ongeveer 6.930,- euro,

en heeft hij, verdachte,

- een contant geldbedrag, te weten in totaal 1.760,- euro, en

- dure merkkleding en dure merkschoenen van onder andere de merken Louis Vuitton, Gucci en Louboutin, te weten 30 jassen en ongeveer 75 paar schoenen en

- diverse dure sieraden van onder andere het merk Cartier en

- diverse luxegoederen voor [persoon] , te weten tassen van de merken Dior en Louis Vuitton en Gucci en schoenen van de merken Louis Vuitton en Balenciaga, met een totale aanschafwaarde van ongeveer 11.663,- euro en

- diverse luxegoederen, te weten onder meer een virtualrealitybril en zes iPhones,

de herkomst verhuld, en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruikgemaakt, terwijl hij en zijn mededader wisten, dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (geheel of gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf.

7.2.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat die in de voetnoten in rubriek 6.3 (het oordeel van de rechtbank) staan vermeld.

9 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

11 Motivering van de straf

11.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierenvijftig maanden, met aftrek van voorarrest.

11.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan hij reeds in voorlopige hechtenis heeft verbleven. Zij heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. De hoogte van de op te leggen straf is afhankelijk van hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren. Verdachte dient van het grootste deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Daarmee wordt ook de periode van het witwassen aanzienlijk korter. Wanneer de bedragen die eventueel wel kunnen worden bewezen verklaard bij elkaar op worden geteld komt de verdediging tot de conclusie dat een maximaal bedrag van ten hoogste € 75.000 zou kunnen worden bewezen verklaard. Afgezet tegen de LOVS-oriëntatiepunten zou dit neerkomen op een gevangenisstraf van maximaal zeven maanden. Verdachte heeft geen relevante documentatie. Hij is op 30 juni 2020 aangehouden en verblijft inmiddels bijna acht maanden in voorlopige hechtenis. Een periode die hem niet in de koude kleren is gaan zitten. Hij heeft gedurende deze tijd niet één keer bezoek ontvangen en door de coronamaatregelen is detentie onmiskenbaar nog zwaarder dan normaal.

11.3.

Het oordeel van de rechtbank

11.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en (gelet op de verbeurdverklaring) de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

11.3.2.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

11.3.3.

Verdachte heeft zich jarenlang, veelvuldig en op verschillende manieren schuldig gemaakt aan witwassen. In totaal gaat het om een bedrag van ongeveer een half miljoen euro. Verdachte heeft al die tijd met crimineel verkregen geld een luxe leven kunnen leiden. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging voor de legale economie. Het bevordert het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt en zonder witwassen het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

11.3.4.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 31 augustus 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens witwassen. Gelet op de bewezen verklaarde periode en omvang van het witwassen, legt dit echter niet veel gewicht in de schaal.

11.3.5.

Mede gelet op de oriëntatiepunten die de rechtbanken landelijk hebben vastgesteld voor het witwassen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van anderhalf jaar passend en geboden is.

12 De in beslag genomen voorwerpen

12.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat dat de voorwerpen op de lijst met in beslag genomen voorwerpen – met uitzondering van de voorwerpen met de nummers 60 tot en met 64 – worden verbeurd verklaard. Ten aanzien van de voorwerpen met de nummers 60 tot en met 64 (plasticzakjes voor de verpakking van geld, bundels elastiekjes en een doos waar geld in zat) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zullen worden ‘vernietigd’.

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren en die staan vermeld op de lijst met in beslag genomen voorwerpen die als bijlage aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt met uitzondering van de nummers 55 (Rolex) en 60 tot en met 64, dienen te worden verbeurd verklaard. Zij zijn daarvoor vatbaar aangezien met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

12.3.

Het horloge van het merk Rolex (nummer 55 op de lijst) wordt ook verbeurd verklaard. Uit het dossier blijkt niet dat het horloge onder verdachte in beslag genomen is. Uit het beslagnummer ([beslagnummer]) zou kunnen worden afgeleid dat dit horloge in beslag genomen is onder de zus van verdachte, [medeverdachte 1] , die ook verdachte is in het (witwas)onderzoek [naam onderzoek] . Een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort, kan alleen worden verbeurd verklaard als a. degene aan wie het toebehoort bekend was met de verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie het toebehoort (artikel 33a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). In het geval het horloge toebehoort aan [medeverdachte 1] kan het worden verbeurd verklaard vanwege de onder a. genoemde reden en als het niet aan haar toebehoort kan het worden verbeurd verklaard vanwege de onder b. genoemde reden.

12.4.

De wet kent de rechter niet de bevoegdheid toe te beslissen dat een voorwerp moet worden vernietigd. Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld dat de plastic zakjes, de elastiekjes en de doos waarin geld heeft gezeten, moeten worden onttrokken aan het verkeer overweegt de rechtbank dat een voorwerp alleen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer is voor zover het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang (artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht) of als het aan de dader of de verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, en het bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, maar alleen indien het voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan (artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht). Het ongecontroleerde bezit van plastic zakjes, elastiekjes en/of een doos is niet in strijd met de wet of met het algemeen belang zodat de rechtbank geen aanleiding ziet deze voorwerpen te onttrekken. Zij zal gelasten dat de voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De officier van justitie kan dan na ommekomst van de bewaartermijn alsnog de beslissing nemen de voorwerpen te vernietigen, hetgeen overigens al is gebeurd.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

14 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de eerste 3 opsommingstekens in de bewezenverklaring:

Medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Ten aanzien van de overige opsommingstekens in de bewezenverklaring:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de voorwerpen genoemd op de lijst met in beslag genomen voorwerpen met uitzondering van de voorwerpen met de nummers 60 tot en met 64.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de nummers 60 tot en met 64.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. H.E. Hoogendijk en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2021.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

1 Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Tweede boek van het Wetboek van Strafrecht Titel XXXA).

2 Ley contra el Lavado de Activos y el Financiamiento del Terrorismo de la República Dominicana, No. 155-17.

3 Zie ook HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1079, NJ 2019/464 m.nt. Jörg.

4 Zie ook Kamerstukken II 2016/17, Aanhangsel van de Handelingen, Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, nr. 2174.

5 Zie HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, NJ 2010/460; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond .

6 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

7 Het geschrift, zijnde iRVI Natuurlijke Personen van [verdachte] , [geboortedag] 1982, pagina 1686 tot en met 1693.

8 Proces-verbaal van bevindingen Rabobank rekening [medeverdachte 1] (nummer 41), pagina 1122 tot en met 1123.

9 Proces-verbaal van bevindingen ABN Amro [medeverdachte 1] (nummer 152), pagina 1131 tot en met 1132.

10 Proces-verbaal eerste onderzoek Samsung Galaxy S9 (item: 5936874), beslagene [medeverdachte 3] , pagina 1139 tot en met 1141.

11 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek iPhone 11 (nummer 214), pagina 1385 tot en met 1393, in het bijzonder pagina 1385 en 1386

12 Proces-verbaal van bevindingen ING [medeverdachte 1] (nummer 149), pagina 1136 tot en met 1137.

13 Proces-verbaal verhoor van de verdachte [medeverdachte 3] (nummer 169), pagina 1540 tot en met 1553, in het bijzonder pagina

14 Proces-verbaal van eerste verhoor [medeverdachte 3] (nummer 158), pagina 1532 tot en met , in het bijzonder pagina 1534, 1537 en 1538.

15 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 10 februari 2021 zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

16 Proces-verbaal van aanhouding van de verdachte [verdachte] , pagina 1632 tot en met 1632.

17 Proces-verbaal bevindingen doorzoeking [adres 2] , pagina 2250 tot en met 2267.

18 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen goederen woning [adres 2] , pagina 2250 tot en met 2267, in het bijzonder pagina 2255.

19 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen goederen woning [adres 2] (nummer 183), pagina 1175 tot en met 1183, in het bijzonder pagina 1175 tot en met 1180.

20 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen goederen woning [adres 2] (nummer 183), pagina 1175 tot en met 1183, in het bijzonder pagina 1180 tot en met 1181.

21 Proces-verbaal bevindingen doorzoeking [adres 2] , pagina 2250 tot en met 2267, in het bijzonder pagina 2262.

22 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek iPhone 11 (nummer 214), p. 1385 tot en met 1393, in het bijzonder pagina 1387, 1389 en 1390.

23 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 10 februari 2021 zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

24 Zie het proces-verbaal van bevindingen verklaring [verdachte] m.b.t. werk [geboorteland] , pagina 1187 tot en met 1188.