Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:7465

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2021
Datum publicatie
22-12-2021
Zaaknummer
C/13/710235 / KG ZA 21-955
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

ABN AMRO heeft relatie met een klant (een autohandelaar) opgezegd. Subsidiaire vordering van de klant om ten minste 1 bankrekening in stand te houden wordt in kort geding toegewezen. De door ABN AMRO geschetste risico’s op witwassen en terrorismefinanciering zijn onvoldoende reëel en concreet Groot belang van de klant om aan het betalingsverkeer te kunnen blijven deelnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2022, afl. 2, p. 65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/710235 / KG ZA 21-955 HH/MV

Vonnis in kort geding van 20 december 2021

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiseressen bij dagvaarding van 26 november 2021,

advocaat mr. J.M. Wagenaar te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A.L. Bremmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook [eiseres 1] , [eiseres 2] en ABN AMRO worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 6 december 2021 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] de dagvaarding toegelicht. ABN AMRO heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van eiseressen: [eiseres 2] , met haar zoon [zoon eiseres 2] , en met mr. Wagenaar;

aan de zijde van ABN AMRO: J [senior adviseur] , senior adviseur klachten-management, met mr. Bremmer.
Na verder debat is vonnis bepaald op 20 december 2021.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 1] is op 1 september 2008 opgericht door [eiseres 2] en haar voormalige echtgenoot [ex-echtgenoot eiseres 2] . Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel houdt [eiseres 1] zich bezig met de (groot)handel, waaronder import en export, van auto’s. [eiseres 1] bankiert sinds 2008 bij ABN AMRO.

2.2.

Op 11 mei 2020 is [ex-echtgenoot eiseres 2] als vennoot van [eiseres 1] uitgetreden. Op diezelfde datum is de zoon van [eiseres 2] , [zoon eiseres 2] , toegetreden als vennoot. Het uittreden van [ex-echtgenoot eiseres 2] als vennoot was een gevolg van de echtscheiding tussen hem en [eiseres 2] . [ex-echtgenoot eiseres 2] voert sindsdien (samen met zijn dochter) de onderneming Auto Export Nederland.

2.3.

Bij brief van 3 december 2020 heeft ABN AMRO 12 vragen gesteld aan [eiseres 1] . In die brief is tevens opgenomen:
Indien u nalaat de gevraagde informatie en documentatie vóór 22 december 2020 te verstrekken, dan kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit kan en mag niet van de bank gevraagd worden. Als u niet voldoet aan de verzoeken in deze brief, dan zal de bank de relatie met u in heroverweging nemen. Dit kan betekenen dat de bank de relatie met u beëindigt.

2.4.

Bij brief van 7 januari 2021 heeft ABN AMRO [eiseres 1] opnieuw verzocht de 12 vragen te beantwoorden.

2.5.

Bij brief van 28 januari 2021 heeft ABN AMRO “een laatste herinnering informatieverzoek” naar [eiseres 1] gezonden, met het verzoek vóór 12 februari 2021 te reageren.

2.6.

Bij brief van 10 februari 2021 heeft [eiseres 1] gereageerd op de laatste brief van ABN AMRO. In haar brief geeft [eiseres 1] onder meer aan dat zij de brieven van 3 december 2020 en 7 januari 2021 niet heeft ontvangen. Tevens geeft zij aan de gevraagde informatie vóór 1 maart 2021 te kunnen verzenden.

2.7.

Op 22 februari 2021 heeft [eiseres 1] de vragen van ABN AMRO beantwoord. De volgens [eiseres 1] relevante documentatie heeft zij meegezonden.

2.8.

Op 4 maart 2021 heeft ABN AMRO de ontvangst van de hiervoor genoemde brief bevestigd en op 25 maart 2021 heeft ABN AMRO aan [eiseres 1] een brief gezonden met zes nadere vragen.

2.9.

Bij brief van 6 april 2021 heeft [eiseres 1] de nadere vragen van ABN AMRO beantwoord. Ook heeft zij in de brief van 6 april 2021 een nadere toelichting gegeven op haar beantwoording van de 12 aanvankelijke vragen.

2.10.

Bij brief van 20 mei 2021 heeft ABN AMRO de relatie met [eiseres 1] beëindigd op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Reden hiervoor is dat ABN AMRO op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) verplicht is om voortdurend klantenonderzoek te doen en dat zij in dat kader van [eiseres 1] onvoldoende opheldering heeft gekregen over onder meer de wijzigingen in de vennootschapsstructuur, de indiening van de jaarcijfers over de boekjaren 2018, 2019 en 2020, het anti-witwasbeleid en het beleid ten aanzien van screening van afnemers. In de brief is hiertoe opgenomen dat [eiseres 1] “onvoldoende gehoor [heeft] gegeven om de door de bank gevraagde informatie en documentatie binnen de gestelde termijn te doen toekomen”.
Ter toelichting staat in de brief het volgende:
“De bank stelt vast dat [eiseres 1] (…) niet beschikt over een actueel Anti-Witwasbeleid. De door u uitgevoerde controles, zoals door u toegelicht in uw voornoemde brieven, kwalificeert voor de bank als onvoldoende voor de bedrijfstak waarin u werkzaam bent. Speciaal ook met betrekking tot de handel met partijen gevestigd in de landen Bosnië Herzegovina en Servië. De bank begrijpt dat 66% van de bedrijfsomzet van [eiseres 1] wordt gerealiseerd via deze partijen. In voornoemde landen is sprake van een hoog risico op witwassen en/of terrorisme financiering. De partijen waarmee u zaken doet zijn veelal niet via openbare bronnen te verifiëren. Het omzetaandeel van partijen uit deze landen, tezamen met het ontbrekende Anti-witwasbeleid zijn risico’s die de bank niet wenst te lopen.
In reactie geeft u in de brief van 22 februari 2021 aan dat u zich niet bezig houdt met de Wwft, maar dat u een autobedrijf bent dat veel auto’s wil exporteren. De bank stelt zich op het standpunt dat het naleven van de Wwft, gezien de bovengenoemde feiten, essentieel is. Het niet handelen naar de van toepassing zijnde wetgeving is onacceptabel.
Het blijft voor de bank onduidelijk hoe het verdienmodel van [eiseres 1] precies werkt en welke risico’s hier worden gelopen. Ook de uitermate steile groeicurve van de omzet kan de bank niet plaatsen in combinatie met het feit dat mevrouw [eiseres 2] , blijkens de toelichting in voornoemde brieven, alleen exploiteert. Ook de rollen van de heren [ex-echtgenoot eiseres 2] en [zoon eiseres 2] in [eiseres 1] zijn onvoldoende inzichtelijk voor de bank. De bank heeft u gevraagd om de jaarcijfers over de boekjaren 2018, 2019 en 2020 aan te leveren. Aangezien het boekjaar 2020 net was afgesloten heeft u de bank voorzien van grootboekrekeningen en tussentijdse cijfers, over de periode 1 januari tot en met 30 april 2020. Echter deze cijfers hebben betrekking op [naam v.o.f.] . Dit is een ander bedrijf, eveneens gevestigd op [adres] en met [naam vennoot 1] (is: [eiseres 2] ) en [naam vennoot 2] als vennoten. De bank heeft hier niet om gevraagd.
Het gebrek aan informatie en inzicht brengt voor de bank niet in te schatten risico’s met zich mee. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. De bank kan dientengevolge niet uitsluiten dat de gelden op onrechtmatige wijze zijn verkregen of dat de producten en diensten op oneigenlijke wijze worden gebruikt. Om deze redenen wordt de bancaire relatie met [eiseres 1] beëindigd.
(…)
De medewerkers van de bank zullen uw vragen met betrekking tot deze brief niet persoonlijk of telefonisch beantwoorden. Reageert u daarom uitsluitend schriftelijk en gebruik hiervoor bovenstaand adres. U krijgt binnen vier weken antwoord op uw brief.”

Tot slot staat in de brief dat [eiseres 1] voor een periode van vijf jaar wordt opgenomen op de interne waarschuwingslijst van ABN AMRO met betrekking tot witwassen en financiering van terrorisme.

2.11.

ABN AMRO heeft tevens de bankrelatie met [eiseres 2] opgezegd.

2.12.

Bij brief van 16 juni 2021 heeft de advocaat van [eiseres 1] geprotesteerd tegen de beëindiging van de bankrelatie. Bij deze brief waren de volgende stukken gevoegd: (1) de cijfers van de eerste vier maanden van 2020, (2) een Wwft beleidsnotitie en (3) de vergunningen van [eiseres 1] van de RDW en de Douane. In de brief is ABN AMRO gesommeerd de bankrelatie te continueren.

2.13.

Bij brief van 29 juli 2021 heeft ABN AMRO haar beslissing gehandhaafd. In die brief staat onder meer:
Met de brieven van 11 februari 2021 en 25 februari 2021 heeft klant geantwoord. Weliswaar heeft klant vragen beantwoordt en documentatie toegestuurd, doch de wijze van beantwoording en de toegestuurde informatie was onvoldoende.

2.14.

Bij brief van 9 augustus 2021 heeft de advocaat van [eiseres 1] de verwijten van ABN AMRO betwist. In de brief staat onder meer: “(…) de bank laat na om concreet te benoemen welke informatie dan zou ontbreken en/of onvoldoende zou zijn.

2.15.

Bij brief van 12 oktober 2021 is de hiervoor genoemde brief beantwoord door de ‘Afdeling Klachtenmanagement’ van ABN AMRO. In die brief is onder meer opgenomen:
De bank benadrukt dat zij cliënt niet heeft beschuldigd van witwassen of financiering van terrorisme, noch van fraude. Dit is ook duidelijk verwoord in genoemde brieven uit 2020 en 2021. Hierin staat uitgelegd dat de verklaring en aangeleverde informatie inzake cliënt tekort schieten en dat de bank daarom niet kan uitsluiten dat sprake is van witwassen of financiering van terrorisme. Er is geenszins sprake van een verdenking of van een beschuldiging.
(…)
Het kan zijn dat u het niet eens bent met dit besluit en ons antwoord. U kunt uw klacht direct aan de rechter voorleggen.

2.16.

Op 28 oktober 2021 heeft de advocaat van [eiseres 1] de jaarcijfers over 2020 naar ABN AMRO gezonden.

2.17.

ABN AMRO heeft toegezegd de relatie met [eiseres 1] voort te zetten, in afwachting van de uitkomst van dit kort geding.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres 1] vordert – kort gezegd – het volgende:
primair

1. ABN AMRO te verbieden om uitvoering te geven aan de opzegging van de relatie met [eiseres 1] en [eiseres 2] ;
2. ABN AMRO te veroordelen alle bankrekeningen, betaalpassen en creditcards van [eiseres 1] en [eiseres 2] in stand te laten en uitvoering te geven aan transacties op de rekeningen;
3. ABN AMRO te verbieden om [eiseres 1] en [eiseres 2] op te nemen in het IVR of in een vergelijkbaar register;
een en ander op straffe van dwangsommen;
subsidiair

ABN AMRO te veroordelen om [eiseres 1] tenminste te laten beschikken over één bankrekening (bij voorkeur rekening [nummer] ) en uitvoering te geven aan transacties op die rekening;
een en ander op straffe van dwangsommen;
meer subsidiair

ABN AMRO te veroordelen om [eiseres 1] tenminste te laten beschikken over één bankrekening (bij voorkeur rekening [nummer] ) en uitvoering te geven aan transacties op die rekening, totdat er een onherroepelijke uitspraak is gedaan in de bodemprocedure;
een en ander op straffe van dwangsommen;
in alle gevallen
ABN AMRO te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure èn in de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres 1] en [eiseres 2] stellen hiertoe – zeer kort gezegd – dat de opzegging van de relatie in strijd is met de zorgplicht van ABN AMRO (artikel 2 van de ABV), naar maatsteven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW) en onrechtmatig. Ook de Wft en de Wwft bieden geen grondslag voor opzegging van de relatie. [eiseres 1] heeft een Wwft beleid. Bosnië Herzegovina en Servië gelden niet (langer) als risicolanden. [eiseres 1] heeft duidelijkheid verschaft over alle door ABN AMRO opgeworpen vragen, waaronder vragen over haar verdienmodel, de “groeicurve” in de omzetcijfers en over de rol van [ex-echtgenoot eiseres 2] en [zoon eiseres 2] . Ook zijn inmiddels de jaarcijfers van 2020 aan ABN AMRO toegezonden. [eiseres 1] benadrukt het spoedeisend belang bij het behoud van haar bankrekeningen.

3.3.

ABN AMRO heeft – zeer kort gezegd – het verweer gevoerd dat zij als ‘poortwachter’ heeft geconstateerd dat er een reëel en concreet risico bestaat dat de diensten van [eiseres 1] (ongewild) worden misbruikt voor witwaspraktijken en/of financiering van terrorisme, terwijl [eiseres 1] dit onvoldoende onderkent en onvoldoende acties onderneemt om deze risico’s te verkleinen. Bovendien heeft [eiseres 1] op tal van punten onvoldoende informatie verstrekt. [eiseres 1] bevindt zich in een integriteitsgevoelige sector en handelt met Bosnië Herzegovina, een ‘hoogrisico-land’, en met Servië, een ‘verhoogd risico-land’. Omdat [eiseres 1] contante betalingen van meer dan € 10.000,- aanvaardt, rusten ook op haar op grond van de Wwft verplichtingen. Daarvan is [eiseres 1] zich onvoldoende bewust. Onder 5.3 van haar conclusie van antwoord heeft ABN AMRO opgesomd welke antwoorden van [eiseres 1] zij niet afdoende vindt. Al met al is ABN AMRO van mening dat zij de relatie met [eiseres 1] op grond van artikel 35 ABV en op grond van artikel 5 lid 3 Wwft heeft kunnen beëindigen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben een spoedeisend belang bij het in behandeling nemen van hun vorderingen. Aannemelijk is dat de onderneming van [eiseres 1] in haar voortbestaan wordt bedreigd indien zij niet langer de bancaire diensten van ABN AMRO kan afnemen. Eveneens is aannemelijk dat [eiseres 1] niet gemakkelijk in aanmerking komt om bij een andere grootbank diensten af te nemen, indien zij er melding van maakt dat ABN AMRO de relatie met haar heeft beëindigd. Dat [eiseres 1] beschikt over een rekening bij Bunq maakt evenmin dat zij geen spoedeisend belang zou hebben. Op grond van de verklaring van [eiseres 2] ter zitting dat overschrijvingen via die bank geruime tijd duren en er maximumbedragen gelden per overschrijving, kan worden aangenomen dat die rekening niet geschikt is voor het businessmodel (handel in auto’s in het hogere prijssegment) van [eiseres 1] .

4.2.

Bij de beoordeling van dit geschil zijn de volgende uitgangspunten van toepassing.

(1) Op grond van artikel 35 ABV heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd.
(2) De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (zie artikel 6:248 lid 2 BW en HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929).

(3) Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht (artikel 2 ABV), waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. In het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1652) oordeelde de Hoge Raad dat in beginsel op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden. Daarbij weegt volgens de Hoge Raad zwaar mee dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren.

(4) Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. Ook in het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden.

(5) Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV).

4.3.

Uit de in het geding gebrachte correspondentie en uit hetgeen ter zitting door ABN AMRO naar voren is gebracht volgt dat ABN AMRO met name zwaar tilt aan de volgende punten:
1. de wijziging in de vof-structuur van [eiseres 1] en de vraag wie de vennoten zijn;
2. zakelijk en privégebruik van de rekeningen lopen door elkaar;
3. er is sprake van een aantal ongebruikelijke transacties;
4. [eiseres 1] is zich onvoldoende bewust van haar eigen Wwft-verplichtingen; er is onder meer geen deugdelijk anti-witwasbeleid;
5. [eiseres 1] houdt zich niet aan haar eigen zorgplicht (artikel 2 ABV);
6. [eiseres 1] handelt met afnemers uit risicolanden;
7. het business- en verdienmodel en de spectaculaire groeicurve roepen vragen op;
8. er is nog altijd sprake van een substantieel aantal cashbetalingen;

9. de jaarcijfers van 2020 zouden van een andere onderneming zijn.
Subsidiair stelt ABN AMRO dat sprake is van een vertrouwensbreuk; zij wijst in dit verband op het krantenartikel van 14 september 2021 in Dagblad Tubantia.

4.4.

De ernst van alle hiervoor genoemde punten is door [eiseres 1] en [eiseres 2] gemotiveerd bestreden. Hiertoe hebben zij het volgende aangevoerd:
ad 1. de structuur en de rol van [ex-echtgenoot eiseres 2] en [zoon eiseres 2] is duidelijk uitgelegd in de brieven van de advocaat van [eiseres 1] van 22 februari 2021 en 16 juni 2021; vanwege de echtscheidingsprocedure (die nog loopt) is [ex-echtgenoot eiseres 2] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en dus niet langer betrokken bij de vennootschap; zijn plaats is ingenomen door [zoon eiseres 2] , de zoon van [eiseres 2] , die administratieve werkzaamheden verricht bij de onderneming;
ad 2. een enkele keer worden privé-uitgaven gedaan met de zakelijke bankrekening; dit is niet erg mits dit achteraf in de boekhouding wordt verantwoord, en dat is steeds gebeurd; grote betalingen aan [ex-echtgenoot eiseres 2] zijn nog door hem zelf gedaan; [eiseres 2] was het hier ook niet mee eens, maar dit is nu eenmaal gebeurd in het kader van een ingewikkelde echtscheiding en boedelafwikkeling;
ad 3. de ongebruikelijke transacties bestonden met name uit de cash opnamen van grote bedragen in een casino; [eiseres 2] heeft die opnamen gedaan omdat zij in paniek was na de mededeling van ABN AMRO dat de relatie werd beëindigd; zij heeft dit gedaan in een casino omdat daar geen opnamelimiet geldt;
ad 4. er is inmiddels wel degelijk een anti-witwasbeleid; dit document was gevoegd bij de brief van de advocaat van [eiseres 1] van 16 juni 2021; ook is al in zijn brief van 22 februari 2021 uitgelegd waaruit dit beleid bestaat; dat het hier gaat om een deugdelijk beleid blijkt alleen al uit het feit dat [eiseres 1] beschikt over een vergunning van de Douane / Belastingdienst als Toegelaten Exporteur en over een bewijs dat zij staat geregistreerd bij de RDW; deze instanties hebben [eiseres 1] eveneens aan een onderzoek onderworpen; overigens kan [eiseres 2] niet verweten worden dat zij als MKB’er niet van de ene op de andere dag precies op de hoogte was van alle ins and outs van de Wwft;
ad 5. [eiseres 1] is van mening dat zij wel degelijk voldoende informatie heeft verstrekt en ten bewijze van de juistheid daarvan ook tal van documenten heeft toegezonden aan ABN AMRO; correcte invulling van haar zorgplicht wordt echter bemoeilijkt door de houding van ABN AMRO; het is nimmer mogelijk geweest een persoonlijk gesprek te hebben met een medewerker van ABN AMRO, ook niet aan de telefoon; er kan enkel schriftelijk worden gereageerd naar een anoniem postbusnummer; [eiseres 2] heeft ABN AMRO meerdere keren uitgenodigd persoonlijk bij haar op kantoor of bij haar boekhouder te komen kijken, maar daar is nooit op ingegaan;
ad 6. [eiseres 1] heeft aangetoond dat Bosnië Herzegovina en Servië niet langer als risicolanden kunnen worden aangemerkt; de advocaat van [eiseres 1] heeft hiertoe ter zitting aangevoerd dat ABN AMRO zich had gebaseerd op een Amerikaans rapport uit 2020; inmiddels is hiervan de versie van 2021 verschenen, waarvan hij schermuitdraaien in het geding heeft gebracht;
ad 7. het verdienmodel is transparant en eenvoudig, namelijk de import en export van auto’s; een en ander is uitvoerig beschreven in de brief van de advocaat van [eiseres 1] van 22 februari 2021; ABN AMRO heeft niet concreet gemaakt wat hieraan onduidelijk zou zijn; dat een groeicurve in de omzet is te zien is alleen maar mooi en is onder meer een gevolg van het feit dat [eiseres 1] een vergunning heeft gekregen als Toegelaten Exporteur van de Douane; haar advocaat heeft dat toegelicht in zijn brief van 16 juni 2021;

ad 8. in de autobranche waren cashbetalingen in het verleden zeer gebruikelijk; [eiseres 2] doet er alles om het aantal cashbetalingen te verminderen, maar dat gaat nu eenmaal niet van de ene op de andere dag; thans staat het aantal cashbetalingen gelijk aan 10% van de omzet;
ad 9. per ongeluk zijn er cijfers verstrekt van de vennootschap van [ex-echtgenoot eiseres 2] , maar een en ander is hersteld bij e-mail van de advocaat van [eiseres 1] van 28 oktober 2021 (zie 2.16).

4.5.

Geoordeeld wordt als volgt. Het gemotiveerde verweer van [eiseres 1] tegen het standpunt van ABN AMRO snijdt op tal van punten hout. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter de risico’s die ABN AMRO ziet niet voldoende reëel en concreet om beëindiging van de relatie te rechtvaardigen. Hierbij wordt een groot belang gehecht aan de noodzaak van [eiseres 1] om te kunnen beschikken over een bankrekening, zoals ook volgt uit het onder 4.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021. Aan dit belang van [eiseres 1] wordt voorshands voldoende tegemoetgekomen door toewijzing van de subsidiaire vordering. Onweersproken is dat de rekening van [eiseres 2] bij ABN AMRO niet of nauwelijks gebruikt wordt en zij blijkbaar beschikt over (een) andere privérekening(en). Zij heeft derhalve geen belang bij de primaire vordering. De primaire vorderingen onder 1 en 2 zullen dus niet worden toegewezen.

4.6.

Het (subsidiaire) standpunt van ABN AMRO dat de relatie met [eiseres 1] moet worden beëindigd als gevolg van een vertrouwensbreuk kan aan dit oordeel niet afdoen. In dit kader heeft de vertegenwoordiger van ABN AMRO op de zitting onder meer verklaard dat:
- er elke keer nieuwe verklaringen komen, die veel algemeenheden bevatten;
- dat het vertrouwen steeds meer wordt beschaamd, onder meer omdat de media worden ingeschakeld en door de nonchalance in de antwoorden;
- dat het aantal vragen alleen maar toeneemt; dat [eiseres 1] alles terugkaatst en geen pro-activiteit toont om zaken beter te doen;
- dat hij met kromme tenen zit te luisteren en het vertrouwen compleet weg is.
Deze min of meer ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiseres 1] en [eiseres 2] vinden naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende steun in de feiten. Het krantenartikel in Tubantia (productie 22 van [eiseres 1] ) is niet van dien aard dat hierdoor een vertrouwensbreuk kan worden gerechtvaardigd.

4.7.

Ter zitting is gebleken dat [eiseres 1] niet is geregistreerd in het IVR, maar op een interne waarschuwingslijst die door ABN AMRO wordt bijgehouden op grond van het bepaalde in de Wwft. In dit kort geding heeft [eiseres 1] onvoldoende aangevoerd dat toewijzing op dit moment rechtvaardigt. Registratie in het IVR kent een eigen rechtsbescherming. Zolang er geen registratie is kan er geen (ongeclausuleerd) verbod worden toegewezen, omdat onduidelijk is wat de overwegingen zijn geweest om op te nemen.

4.8.

Aan de uit te spreken veroordelingen zullen geen dwangsommen worden verbonden. ABN AMRO heeft ter zitting toegezegd vrijwillig aan eventuele veroordelingen te zullen voldoen.

4.9.

Bij gebrek aan enige onderbouwing worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

4.10.

ABN AMRO zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,52

- griffierecht 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.781,52

4.11.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt ABN AMRO om [eiseres 1] tenminste te laten beschikken over één bankrekening (bij voorkeur rekening [nummer] ) en uitvoering te geven aan transacties op die rekening;
5.2. veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] tot op heden begroot op € 1.781,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente deze kosten met ingang van de veertiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2021.1

1 type: MV coll: MvG