Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:7389

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2021
Datum publicatie
28-12-2021
Zaaknummer
C/13/678593 / HA ZA 20-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"onredelijke hinder", Modelreglement, bamboevloer in appartement hoeft niet te worden verwijderd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/708933 / HA ZA 21-940

voorheen zaaknummer / rolnummer: C/13/678593 / HA ZA 20-96

Vonnis van 8 december 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.C. Hopmans te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Deze zaak is bij deze rechtbank aanhangig geweest onder de nummers C/13/678593 / HA ZA 20-96. Partijen hebben tijdens de mondelinge (GOO-)behandeling op 18 oktober 2021 een schikking bereikt die [eiseres] binnen tien dagen zonder opgave van redenen kon ontbinden van welk recht zij gebruik heeft gemaakt. Daarmee is de zaak onder een nieuw nummer heropend.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 juli 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 18 oktober 2021, met de daarin vermelde processtukken.

1.3.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het buiten hun afwezigheid opgemaakte proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de opmerkingen die mr. De Lugt bij brief van 24 november 2021 en mr. Hopmans bij brief van 29 november 2021 hebben gemaakt.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Het pand aan de [adres] te Amsterdam is rond 1894 gebouwd, in 2006 gerenoveerd en op 1 juni 2007 gesplitst in vier appartementsrechten. Daarbij is een vereniging van eigenaren (hierna de VvE) opgericht. In de splitsingsakte is het Modelreglement 2006 (hierna het Modelreglement) van toepassing verklaard.

2.2.

Het Modelreglement luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 17

1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig:

(…)

a. de grond, de funderingen, de dragende muren, de kolommen, het geraamte van het gebouw, de gevels (daaronder begrepen de gevelbeplatingen en dilataties), de balkonconstructies, de galerijen, de daken (inclusief de waterkerende lagen), de dakbedekking, de dakkapellen, de schoorstenen, de rook- en ventilatiekanalen, de vuilstortkokers, de lift- en leidingschachten, alsmede de vloeren en de wanden die de scheiding vormen tussen gemeenschappelijke gedeelten of tussen (een) gemeenschappelijk(e) gedeelte(n) en (een) privé gedeelte(n) of tussen privé gedeelten;

(…)

c. de plafonds en overige afwerklagen en de bekleding van de vloeren en de wanden die zich niet bevinden in een privé gedeelte, alsmede de plafonds en afwerklagen van de vloeren van de balkons, ook voor zover aanwezig binnen een privé gedeelte;

(…)

2. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden niet gerekend:

(…)

c. al die zaken die bestemd zijn om uitsluitend te worden gebruikt door de eigenaar of gebruiker van - of uitsluitend dienstbaar zijn aan - één privé gedeelte, voor zover niet anders in het reglement vermeld of met inachtneming van het bepaalde in artikel 18 als zodanig gekwalificeerd.

Artikel 18

Indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of de grond dan wel een zaak al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten en/of de gemeenschappelijke zaken behoort, wordt hierover beslist door de vergadering.

(…)

Artikel 26

1. De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.

(…)

3. Bestaande situaties ten tijde van de splitsing dienen te worden geduld.”

2.3.

De VvE heeft geen huishoudelijk reglement.

2.4.

In alle woningen van het pand en dus ook op de derde verdieping bevindt zich een bamboeparketvloer.

2.5.

[gedaagde] is in februari 2013 eigenaar geworden van het appartement gelegen op de derde en vierde verdieping van het pand. [eiseres] is in december 2014 eigenaar geworden van het appartement op de tweede verdieping.

2.6.

Bij beschikking van 28 juni 2019 heeft de kantonrechter van deze rechtbank een daartoe bij verzoekschrift ingediend verzoek van [eiseres] toegewezen en ing. W. Beentjes, werkzaam bij LBP Sight te Nieuwegein, benoemd tot deskundige (hierna de deskundige).

2.7.

Het rapport van de deskundige van 1 november 2019 luidt, voor zover hier van belang:

Situatie

[adres] is een appartementengebouw uit 1894 en is in 2006 gerenoveerd. De woning Da [adres] ligt op de tweede verdieping en de woning [adres gedaagde] op de derde en vierde verdieping.

De woning [adres eiseres] heeft een woonkamer aan de voorzijde en een slaapkamer aan de achterzijde. Tussen deze ruimtes ligt een badkamer. Zie bijlage 1. De woning [adres gedaagde] heeft op de derde verdieping een woonkamer aan de voorzijde en een open keuken aan de achterzijde. Deze beide ruimten liggen in hun geheel boven woning [adres eiseres] . Op de vierde verdieping zijn de slaapkamers en badkamer van [adres gedaagde] gelegen.

De bewoonster van [adres eiseres] heeft hinder van het lopen op de derde verdieping.

(…)

Tabel2

Contactgeluidisolatie resultaten

Situatie

Conform NEN 1070 en

Bouwbesluit 2012

Gemeten LnT,A

In dB

Conform Bouwbesluit 2003

Gemeten Ico

In dB

Opmerkingen

WK 47III-WK 47II

54(53,7)

+5

Op parketvloer

KK 47III-SK47II

59(58,6)

0

Op parketvloer

WKT47III-WK47II

48(48,0)

+11

Op kleed bij zitgedeelte In de

woonkamer 47III

(…)

Vragen van verzoekster:

1. In welke geluidweringsklasse (1 uitstekend, II goed, III matig, IV slecht, V zeer slecht) moet de vloer in de woning aan de [adres] -III (hierna: de woning) worden ingedeeld?

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de slaapkamer en de woonkamer van [adres eiseres] . Als we de klassen van NEN 1070:1999 (zie daarvoor bijlage II) aanhouden en de

bovengenoemde classificaties aanhouden dan valt de woonkamer in de klasse op de grens van slecht/matig en de slaapkamer op de grens van slecht en zeer slecht. De onderschrijding van de klassen is 1 dB. De exacte grens ligt op 53,5 respectievelijk 58,5 dB daar conform de

norm NEN 5077:2006 naar boven toe moet worden afgerond.

2. Is er sprake van overschrijding van de toepasselijke geluidsnormen met betrekking tot de in de woning gelegen vloer?

In een later stadium heb ik bij de gemeente Amsterdam Stadsdeel West gegevens opgevraagd over een Bouwvergunning voor het adres [adres] rond 2006. Uit deze gegevens blijkt dat B&W voor dit project geen lagere IIu,k- c.q. Ico-waarden hebben opgegeven in de Bouwvergunning. Zie figuur 1 voor artikel 3.20 van het Bouwbesluit voor de bevoegdheid die B&W hebben op basis van het Bouwbesluit 2003. De nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003 zijn op deze bouwvergunning van toepassing.

De contactgeluideis is: Ico moet ten minste + 5 dB zijn.

NB: Deze stukken over de bouwvergunning heb ik pas veel later ontvangen na het uitbrengen van het conceptrapport.

Tussen de woonkamers is Ico = +[5, rb] dB gemeten. Deze voldoet aan deze eis.

Tussen de slaapkamers is 0 dB gemeten. En deze voldoet niet aan de eis.

(…)

3. Voldoet de contactgeluidisolatie in de woning aan de heersende normen?

De contactgeluidisolatie voldoet in de woonkamer aan de huidige nieuwbouwnormen uit het

Bouwbesluit 2012 (LnT,A ≤ 54 dB). De slaapkamer voldoet daar niet aan. De huidige normen zijn van kracht sinds 2003. In 2012 zijn nieuwe internationale grootheden ingevoerd in de geluidisolatie. (…)

(…)

13. In artikel 26 van de splitsingsakte is geen getalsmatige norm gegeven. Wat is in deze specifieke situatie de minimale norm waarde geluidisolatie qua contactgeluiden aan moet voldoen ten aanzien van dit pand en waar blijkt dat uit?

Als er niets is vastgelegd in het reglement van de VvE, betekent dit dat de veroorzaker en de gehinderde geen houvast hebben.

Er wordt bij reglementen regelmatig uitgegaan van het realiseren van Ico ten minste + 10dB bij appartementen met een VvE in situaties bij harde vloerafwerking. Hierbij merken we op, dat het hierbij in de meeste gevallen gaat om situaties met steenachtige vloeren waar met relatief eenvoudige ondervloeren en laminaat of parket gemakkelijk 10 dB verbetering kan worden gerealiseerd bij een basisvloer met een geluidisolatie Ico van ten minste 0 dB. De eis die van toepassing sinds 1976 in de woningbouw.

We hebben hier echter te maken met een houten basisvloer waar al een verende laag en estrich platen op (de 2E32) zijn aangebracht. In dergelijke gevallen kan met een harde vloerafwerking met verende laag geen verbetering van 10 dB meer worden gerealiseerd maar eerder een kleine verbetering in de orde van 1 dB. In dergelijke gevallen is een verbetering van het plafond, wanneer mogelijk, een methode. Alleen bij zeer goed ontworpen en uitgevoerde verend opgelegde dekvloeren en een goed ontkoppeld plafonds kunnen l-waarden worden bereikt van 10 dB of meer en dan alleen nog in de woonkamer in slaapkamers lukt dat in de regel niet.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – [gedaagde] op straffe van de verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot:

primair:

I. het binnen 14 dagen na dit vonnis verwijderen en verwijderd te houden van de houten vloer uit alle vertrekken van de woning op de derde verdieping van het appartement en tot het aanbrengen van een vloerbedekking die voldoet aan de vereisten van het Modelreglement 2006;

subsidiair:

II. het isoleren van de vloer van de gehele derde verdieping van het appartement zodat de geluidwering valt binnen de geluidsweringsklasse “uitstekend” in de zin van NEN1070:1999, dan wel “zeer goed” in de zin van NEN1070:1999;

meer subsidiair:

III. het isoleren van de vloer op de derde verdieping van het appartement die is gelegen boven de slaapkamer van het appartement van [eiseres] zodat de geluidwering valt binnen de geluidweringsklasse “uitstekend” in de zin van NEN1070:1999, dan wel “zeer goed” in de zin van NEN1070:1999;

IV. het verlenen van medewerking aan (waaronder mede maar niet uitsluitend te verstaan het zo nodig (gezamenlijk) aanstellen van een deskundige) een vervolgonderzoek naar de contactgeluidsisolatie van de vloer en de opbouw van de vloer in zijn woning door LBP Sight, althans door een door partijen gezamenlijk of door de rechter aan te wijzen deskundige;

en primair en (meer) subsidiair:

V. te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door zijn onrechtmatig handelen door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade;

VI. te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich ervan weerhoudt gedrag te vertonen, dat (mede) ten doel heeft [eiseres] verdere schade te berokkenen;

VII. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de door haar ten gevolge van het onrechtmatig handelen geleden schade, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

VIII. het vergoeden van de kosten van de onderzoeken van LBP Sight aan [eiseres] op

grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en b BW van € 2.117,50, vermeerderd met de

wettelijke rente in de zin van art 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de

dag der algehele voldoening, binnen veertien dagen na vonniswijzing;

IX. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiseres] kort gezegd het volgende. [gedaagde] handelt onrechtmatig door het hebben van de vloer in zijn woning op de derde verdieping. De vloer voldoet niet aan de eisen in het Modelreglement. In de woning van [gedaagde] zijn steeds meer bewoners gekomen. [eiseres] lijdt schade door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of de vloer van [gedaagde] zoveel geluidsoverlast veroorzaakt dat hij die moet weghalen of verbeteren. Tijdens de zitting, die was bedoeld om een gezamenlijke oplossing te zoeken voor de problemen, heeft [eiseres] verteld dat zij zoveel hinder ervaart van de geluiden van haar bovenbuurman, dat zij daar ziek van is geworden en zich niet meer prettig voelt in haar woning. [gedaagde] heeft toegelicht dat ook hij veel last heeft gehad van het geschil met [eiseres] over de vloer, zijn huwelijk is op de klippen gelopen en de verkoop van zijn appartement wordt bemoeilijkt zolang deze procedure loopt. Partijen hebben geprobeerd om hun geschil te beëindigen door een plan te maken om de vloer van [gedaagde] op gezamenlijke kosten te vervangen. Dit plan is mislukt. [eiseres] heeft meegedeeld dat zij het financieel niet kan opbrengen om een bijdrage te leveren aan de vloer van [gedaagde] . De rechtbank zal de zaak daarom beoordelen op zijn juridische merites.

4.2.

[gedaagde] heeft in de eerste plaats als verweer aangevoerd dat [eiseres] niet hem, maar de VvE moet aanspreken op de gestelde gebreken aan de vloer omdat de vloer gemeenschappelijk is en dus onder het beheer van de VvE valt. Dat verweer gaat niet op. Artikel 17 lid 1 onder a van het Modelreglement, waarop [gedaagde] zich in dit verband heeft beroepen, bepaalt niet dat de vloer waarover het geschil gaat gemeenschappelijk is. De bepaling betreft de vloeren voor zover ze de scheiding vormen tussen privé gedeelten. Daaronder kan slechts worden verstaan de houtenbalkenconstructie die, net als bijvoorbeeld de bouwmuren, behoort tot het geraamte van het gebouw en niet wat daar in de afzonderlijke woningen op is gelegd, de vloeropbouw.

[gedaagde] heeft ter ondersteuning van de stelling dat de vloeren gemeenschappelijk zijn ook gewezen op artikel 17 lid 2 onder c en artikel 18 van het Modelreglement en betoogd dat aan de vergadering van de VvE niet is voorgelegd of de vloeren al dan niet gemeenschappelijk zijn, daar is immers geen twijfel over. Zonder een meer concrete toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, kan dit betoog niet worden gevolgd. De vloer waar het hier over gaat is immers slechts dienstbaar aan [gedaagde] . Niet is duidelijk hoe daar twijfel over kan bestaan. Dat aan de vergadering van de VvE daarover geen vraag is voorgelegd, is irrelevant.

[eiseres] heeft tenslotte terecht gewezen op artikel 17 lid 1 onder c van het Modelreglement dat onder meer bepaalt dat de plafonds en vloeren buiten de privégedeeltes alsmede de plafonds en vloeren op de balkons, gemeenschappelijk zijn. Dit betekent dat de vloer in de woning van [gedaagde] niet gemeenschappelijk is. [eiseres] heeft dus de juiste persoon gedagvaard.

4.3.

Verder is ter zitting aan de orde geweest artikel 26 lid 3 van het Modelreglement, dat bepaalt dat bestaande situaties ten tijde van de splitsing dienen te worden geduld. De vorderingen van [eiseres] stuiten af op deze bepaling, omdat (op basis van de eigen stellingen van [eiseres] , die ter zitting niet langer zijn weersproken door [gedaagde] ) vaststaat dat de bamboevloer die zich in alle woningen van het pand en dus ook op de derde verdieping bevindt, is gelegd in het kader van de renovatie en vóór de splitsing in 2007.

4.4.

De vorderingen van [eiseres] kunnen ook overigens niet slagen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

[eiseres] stelt dat artikel 26 lid 1 van het Modelreglement een absoluut verbod behelst. Dat wordt niet gevolgd. De eerste zin van artikel 26 lid 1 geeft alleen een aanwijzing: de vloerbedekking moet zo zijn samengesteld dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan. In de tweede zin staat wel een verbod: het aanbrengen van onder meer parket (waartoe een bamboevloer moet worden gerekend) mag niet. Maar het laatste deel van de zin bepaalt dat dat anders is als normen in acht worden genomen die zijn vastgelegd in het huishoudelijk reglement of die door de vergadering zijn vastgesteld en als de vloer geen onredelijke hinder geeft voor de andere eigenaren of gebruikers.

In de eerste plaats geldt dat [gedaagde] de vloer op de derde verdieping niet heeft aangebracht. De vloer is gelegd in 2007 en was dus al in de woning aanwezig toen [gedaagde] daar in 2013 ging wonen. Strikt genomen kan het beroep op artikel 26 lid 1 [eiseres] alleen al daarom niet baten. Maar ook als dat anders was, dan kan wat in artikel 26 lid 1 staat niet worden aangemerkt als een absoluut verbod omdat op het verbod dat daarin wordt genoemd uitzonderingen mogelijk zijn.

4.6.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt omdat de vloer onredelijke hinder veroorzaakt als bedoeld in artikel 26 lid 1 van het Modelreglement. Zij doet ook een beroep op de artikelen 5:37 en 6:162 BW: [gedaagde] handelt volgens haar in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door de vloer in zijn appartement te hebben.

4.7.

De rechtbank stelt voorop, en ter zitting is ook duidelijk geworden, dat [eiseres] veel last heeft van de geluiden van de derde verdieping. De contactgeluiden door het lopen over de vloer, het verschuiven van stoelen en het spelen van kinderen zijn voor haar zeer belastend. Maar ook al voelt het voor Macinksi als onredelijk dat zij steeds last heeft van het lawaai van de vloer van [gedaagde] , dat is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatige hinder.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het antwoord op de vraag of daarvan sprake is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) niet alleen is vereist dat schade is geleden, maar ook dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en dat er causaal verband is tussen dat handelen en de schade.

4.8.

[eiseres] heeft gesteld dat artikel 26 lid 1 van het Modelreglement bepaalt dat de vloer een geluidsreductie (isolatiewaarde) van Ico = +10 decibel (hierna dB) moet hebben. Zij heeft echter niet toegelicht waarop zij deze stelling baseert. De VvE heeft geen invulling gegeven aan de term “onredelijke hinder” in het Modelreglement. In de splitsingsakte is artikel 26 lid 1 van het Modelreglement niet aangevuld of gewijzigd en de VvE heeft geen huishoudelijk reglement opgesteld. Het begrip “onredelijke hinder” is ook niet op andere wijze, bijvoorbeeld met een vergaderbesluit, door de VvE ingevuld. Dat het in gevallen waarin deze open norm niet is ingevuld door de VvE, gebruikelijk is om terug te vallen op de norm Ico = + 10 dB kan niet zonder meer worden aangenomen. De rechtbank leidt dit ook af uit het antwoord van de deskundige op vraag 13 in het deskundigenrapport van 1 november 2019 (zie 2.7), waar hij schrijft: “Als er niets is vastgelegd in het reglement van de VvE, betekent dit dat de veroorzaker en de gehinderde geen houvast hebben.”

Nu [eiseres] haar stelling op dit punt niet verder concreet heeft toegelicht kan zij daarin niet worden gevolgd.

4.9.

Ter ondersteuning van haar stelling dat sprake is van onredelijke of onrechtmatige hinder heeft [eiseres] verder verwezen naar het deskundigenrapport. Daarin staat onder meer dat op de rond 2006 voor de renovatie gegeven bouwvergunning de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003 van toepassing zijn en dat dat betekent dat de contactgeluidseis Ico +5 dB geldt. De deskundige heeft vastgesteld dat de isolatie boven de woonkamer aan deze eis voldoet en die boven de slaapkamer niet.

Overwogen wordt dat [eiseres] niet heeft toegelicht en dat uit het deskundigenrapport ook niet kan worden afgeleid op welke grond de eisen die conform de bouwvergunning voor de renovatie golden, nu aan [gedaagde] kunnen worden tegengeworpen. De bouwvergunning is in 2006 door de gemeente aan een van de toenmalige eigenaren van het pand verleend. Daar staat [gedaagde] buiten. Ook hier geldt dat er geen grond is om aan te nemen dat het Bouwbesluit 2003 de algemeen geldende (wettelijke) norm is voor minimaal te hanteren geluidsisolatie-eisen in een situatie als de onderhavige. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde NEN-normen en de vaststelling in het deskundigenrapport dat de vloer boven de woonkamer van [eiseres] voor wat betreft de geluidweringsklasse van NEN1070:1999, als op de grens van slecht en matig en boven de slaapkamer op de grens van slecht en zeer slecht wordt beoordeeld.

4.10.

Dat neemt niet weg dat de vraag of de vloer voldoet aan het Bouwbesluit 2003 en in welke geluidweringsklassen van NEN1070:1999 de vloer valt, omstandigheden zijn die meewegen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder.

De rechtbank acht daarbij van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat de klassen van NEN 1070:1999 slechts met 1 dB worden onderschreden en de deskundige op vraag 10.B heeft geantwoord dat een foutmarge van 1 dB een standaardafwijking is. Verder is van belang dat de isolatie boven de woonkamer wel voldoet aan het Bouwbesluit 2003 en alleen die boven de slaapkamer niet, wat opmerkelijk is aangezien de vloer op de hele derde verdieping hetzelfde is. Het deskundigenbericht geeft hiervoor geen verklaring. [gedaagde] heeft erop gewezen dat in het plafond van de slaapkamer van [eiseres] een gat zit en dat dit mogelijk de reden is dat de geluidisolatie boven de slaapkamer slechter is dan boven de woonkamer. Hier heeft [eiseres] niets tegenin gebracht en de deskundige is hierop niet ingegaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat de slechtere geluidsisolatie boven de slaapkamer het gevolg is van dat gat in het plafond van [eiseres] en niet van de samenstelling van de vloer van [gedaagde] .

4.11.

Verder wordt in aanmerking genomen dat het pand waarin de woningen zijn gelegen dateert uit 1894. Oude panden als deze zijn over het algemeen gehorig, daaraan kunnen niet dezelfde geluidsisolatie-eisen worden gesteld als aan nieuwbouwwoningen. In 2006/2007 is het pand gerenoveerd. Daarbij is in alle appartementen dezelfde bamboevloer aangelegd (zoals gezegd reeds lang voordat [eiseres] en [gedaagde] daar kwamen wonen). [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat dit is gebeurd na de splitsing van de panden in appartementsrechten en dat de VvE daar toentertijd mee heeft ingestemd.

Hieruit kan worden afgeleid dat alle bewoners van het pand dezelfde bamboevloer in hun appartement hebben als [gedaagde] . Niet is duidelijk hoe hij als enige van hen onrechtmatig zou kunnen handelen door het hebben van zo’n vloer. Het enkele feit dat [eiseres] geluidsoverlast ervaart, is daarvoor onvoldoende.

Verder is gesteld noch gebleken dat er tussen 2007 en 2017 klachten over de gehorigheid van de vloeren zijn geweest. Ook [eiseres] heeft na de aankoop van het appartement op de tweede verdieping eind 2014 meer dan twee jaar in de woning gewoond zonder dat zij zulke klachten had.

Indien de vloer onredelijke hinder veroorzaakt, ligt het voor de hand dat de andere bewoners van het pand ook klachten hebben en dat er al eerder klachten zijn gemeld. Maar daarvan is dus niets gebleken. In dat licht moet ervan worden uitgegaan dat de geluiden die [eiseres] als hinder ervaart, de normale leefgeluiden zijn die buren in een weliswaar gerenoveerd, maar oud pand van elkaar horen. Dat de hinder voor [eiseres] is ontstaan nadat [gedaagde] zijn gezin uitbreidde, maakt evenmin dat het hebben van de bamboevloer als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.12.

De slotsom is dat de vorderingen, die alle zijn gegrond op de stelling dat de vloer onrechtmatige hinder veroorzaakt die aan [gedaagde] kan worden toegerekend, zullen worden afgewezen.

4.13.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 937 voor griffierecht en € 1.126 (twee punten x tarief € 563) voor salaris advocaat. De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing wordt vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.063, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] ontstane nakosten, begroot op € 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 85 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de bedoelde aanschrijving tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2021.1

1 type: EMH