Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:7261

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2021
Datum publicatie
13-12-2021
Zaaknummer
13/731018-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor betrokkenheid bij fraude met gehandicaptenparkeervergunningen. Zij heeft een gehandicaptenparkeervergunning gekocht van gemeenteambtenaren terwijl zij daar geen recht op had. Hiermee heeft zij het systeem van het parkeerbeleid van de gemeente ondermijnd. Verdachte wordt wegens valsheid in geschrift en oplichting veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke geldboete van € 4.800,-. Vrijspraak van actieve omkoping van de ambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/731018-18 (Promis)

Datum uitspraak: 13 december 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8 oktober 2021 (inhoudelijke behandeling) en 13 december 2021 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. A.M. Ruijs en L.S. van Haeringen (hierna: de officieren van justitie) en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. A.M. Koning naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

In augustus 2017 werd bij het stadsloket West van de gemeente Amsterdam ontdekt dat er vermoedelijk was gefraudeerd bij de aanvraag en het verstrekken van (fysieke) Europese gehandicaptenparkeerkaarten (hierna: gehandicaptenparkeerkaarten) waaraan vervolgens een (digitale) Amsterdamse parkeervergunning voor gehandicapte bewoners (hierna: parkeervergunning voor gehandicapte bewoners) is gekoppeld. Het Bureau Integriteit van de gemeente is hierop een onderzoek gestart waaruit de verdenking is ontstaan dat gemeenteambtenaren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hierbij betrokken waren. Op 16 januari 2018 heeft de gemeente Amsterdam aangifte gedaan van valsheid in geschrift en oplichting tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Naar aanleiding van de aangifte en de bevindingen van Bureau Integriteit, is een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam 13Earley. De inhoudelijke behandeling in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vond plaats op 1 en 4 oktober 2021. Het onderzoek heeft uiteindelijk ook geleid tot de strafzaak tegen verdachte, die zo’n parkeervergunning voor gehandicapte bewoners zou hebben verkregen. De strafzaak tegen verdachte is gelijktijdig op de zitting behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Voor een aantal andere begunstigden van de parkeervergunningen is de zaak afgedaan met een transactie.

De vragen die in deze zaak spelen zijn – kort gezegd – of verdachte en haar mededader(s) de documenten en formulieren die nodig zijn voor het verkrijgen van een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners valselijk hebben opgemaakt en in de systemen van de gemeente hebben verwerkt (feit 1), waardoor de gemeente Amsterdam, EGIS en Cition (de uitvoerders van het parkeerbeleid) zijn bewogen tot het afgeven van een dergelijke vergunning aan verdachte terwijl zij niet gehandicapt was. Met deze parkeervergunning kon zij vervolgens in heel Amsterdam gratis parkeren (feit 2). Verdachte zou de gemeenteambtenaren ter verkrijging van een parkeervergunning een geldbedrag hebben betaald, zodat ook de vraag voorligt of zij zich heeft schuldig gemaakt aan (actieve) omkoping (feit 3).

De rechtbank doet vandaag uitspraak in de zaken van alle verdachten.

3 Beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat zij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het:

Feit 1:

medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift ten aanzien van een gehandicaptenparkeerkaart, een aanvraagformulier voor een parkeervergunning voor gehandicaptenbewoners en een DAS-formulier in de periode van 3 oktober 2015 tot en met 23 februari 2016;

Feit 2:

medeplegen van oplichting van de Gemeente Amsterdam en/of EGIS en/of Cition Parkeermanagement in de periode van 1 februari 2016 tot en met 2 oktober 2018;

Feit 3:

actieve omkoping van gemeenteambtenaren in de periode van 3 oktober 2015 tot en met 23 februari 2016.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Onderzoeksresultaten

Eerst zal worden ingegaan op de wijze waarop een aanvraag voor een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners hoort te verlopen. Verder zal kort worden ingegaan op het onderzoek naar de persoonlijke bestandsomgeving binnen het werkaccount van de gemeente Amsterdam (hierna: persoonlijke bestandsmap) van de gemeenteambtenaren en hun de e-mailomgeving, andere bevindingen en de verklaring van verdachte.1

Werkwijze vergunningaanvraag

Uit de aangifte van de gemeente Amsterdam volgt dat een aanvraag voor een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners als volgt dient te verlopen:

- De aanvrager van de parkeervergunning voor gehandicapte bewoners moet een gehandicaptenparkeerkaart hebben. Deze kan alleen worden verkregen na keuring door een GGD-arts;

- De aanvrager van de parkeervergunning voor gehandicapte bewoners dient in persoon bij de balie van het stadsloket (onder andere) een aanvraagformulier, een kopie van de gehandicaptenparkeerkaart, een kopie van het identiteitsbewijs en een kopie van het kentekenbewijs in te leveren;

- De parkeervergunning voor gehandicapte bewoners wordt gekoppeld aan de gehandicaptenparkeerkaart. De medewerker bij de balie maakt hiervoor een formulier (‘de checklist’) op in het gemeentelijke DAS-systeem en vraagt een klantnummer aan in het digitale systeem voor parkeerproducten van Cition/EGIS: Epermix. 2

- De medewerker aan de balie print het DAS-formulier uit, vult daarop het klantnummer uit Epermix in en ondertekent deze met zijn of haar naam;

- Het DAS-formulier wordt aan de ‘vraagbaak’, een ‘expert parkeren’ van de inloopbalie, overhandigd. Hij of zij zet na akkoord met de hand een paraaf op het DAS-formulier. Vervolgens wordt het dossier per koerier naar EGIS verzonden.3 De begunstigde ontvangt een bevestiging, maar geen ‘fysieke’ parkeervergunning.

Aangetroffen documenten

Onderzoek wees uit dat aan de gehandicaptenparkeerkaart met nummer [nummer] , voorzien van de naam en pasfoto van verdachte4, een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners was gekoppeld terwijl deze niet was uitgegeven door de gemeente Amsterdam.5 Ook bleek verdachte niet door een GGD-arts te zijn gekeurd.6

Voor het aanvragen van de parkeervergunning voor gehandicapte bewoners is ten behoeve van verdachte een aanvraagformulier van Cition Parkeermanagement gedateerd 22 februari 2016 ingediend. Dit formulier is voorzien van verdachte haar gegevens zoals haar naam, adres, burgerservicenummer, geboortedatum, kaartnummer van de gehandicaptenparkeerkaart en haar kenteken. Ook zijn kopieën van haar rijbewijs en kentekenbewijs ( [kenteken] ) op naam van Leaseplan Nederland N.V. bijgevoegd.7

Voor het koppelen van de gehandicaptenparkeerkaarten aan een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners is gebruik gemaakt van het Epermix-account van medewerker [medewerker 1] .8 Na het koppelen van de gehandicaptenparkeerkaart van verdachte aan de parkeervergunning voor gehandicapte bewoners, is in het digitale systeem ‘DAS’ een checklist opgemaakt.9 Dit DAS-formulier gedateerd 23 februari 2016 is voorzien van een paraaf van ‘ [medewerker 1] ’ en ‘ [medeverdachte 1] ’ en getekend voor akkoord.10 [medewerker 1] heeft bij politie verklaard dat zij de op haar naam geregistreerde aanvraag van verdachte nooit heeft behandeld. Ook is het niet haar handschrift op het DAS-formulier.11 Uit een uitdraai met gegevens over de parkeervergunning van verdachte volgt dat deze voor vijf jaren is afgegeven.12

Onderzoek naar de e-mailomgeving van de gemeenteambtenaren

In de e-mailomgeving van [medeverdachte 1] is een e-mail van 12 september 2016 aangetroffen met het onderwerp ‘tets’ met in de bijlage het bestand ‘dossier’. De bijlage bevat een schema met onder andere de naam van verdachte en het kaartnummer van de gehandicaptenparkeerkaart op haar naam. Onderaan het schema staan de inloggegevens van onder andere mevrouw [medewerker 1] .13 Deze gegevens zijn hem toegestuurd door [naam 1] .14

In een e-mail van 12 oktober 2016 met het onderwerp ‘Ai’ van het zakelijke e-mailadres van [medeverdachte 1] aan het zakelijke e-mailadres van [medeverdachte 2] , is in de bijlage de gehandicaptenparkeerkaart op naam van verdachte aangetroffen.15 Op de gehandicaptenkaart zijn de foto, teksten en nummers over elkaar heen geplaatst.16

Telefonisch contact tussen verdachte en [medeverdachte 2]

Onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 2] wees uit dat het telefoonnummer van verdachte in de contactenlijst van de telefoon van [medeverdachte 2] was opgenomen onder de naam ‘ [verdachte] ’. Ook bleek dat er tussen verdachte en [medeverdachte 2] 15 keer telefonisch contact is geweest, voor het laatst op 7 augustus 2016.17

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij via een vage kennis een parkeervergunning heeft geregeld. Zij stond op de wachtlijst om in Amsterdam een parkeervergunning te krijgen. Via via kon het sneller worden geregeld. Verdachte heeft voor de parkeervergunning contant een bedrag van € 1.000,- betaald. Het aanvraagformulier heeft zij deels ingevuld, namelijk alleen de kopjes 1 en 3. Verdachte dacht wel dat dit niet de normale manier was waarop een parkeervergunning moest worden aangevraagd.18 Ze heeft er niet bij stil gestaan dat het zo ernstig was. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat zij ook haar kenteken heeft doorgegeven19 en het aanvraagformulier heeft ondertekend.20

4.2

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – dat alle feiten kunnen worden bewezen.

Verdachte heeft (deels) het aanvraagformulier voor de parkeervergunning ingevuld en ondertekend en haar gegevens en pasfoto aangeleverd. Op de aanvraag staat dat zij in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart. Deze gehandicaptenparkeerkaart is vals. Omdat het nummer van de valse gehandicaptenparkeerkaart op het aanvraagformulier is vermeld, is ook het aanvraagformulier vervalst. Ook is het DAS-formulier vals. Van de valse geschriften is ook gebruik gemaakt (feit 1). Bij het valselijk opmaken van de geschriften was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dat verdachte niet wist dat het om een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners ging, is ongeloofwaardig. Dit stond duidelijk op het aanvraagformulier vermeld. De gemeente is bewogen tot afgifte van een parkeervergunning waar verdachte geen recht op had. Het feit dat verdachte bij de aanvraag van de parkeervergunning is afgeweken van de gebruikelijke procedure, maakt dat het niet anders kan dan dat zij ook wist dat zij strafbaar handelde. Uit het dossier blijkt ook van een link tussen verdachte en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren mede verantwoordelijk voor het vervalsen van de benodigde papieren. Het medeplegen van oplichting kan worden bewezen (feit 2). Verdachte heeft de gemeenteambtenaren omgekocht door hen contant

€ 1.000,- te betalen voor een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners (feit 3). Wel moet vrijspraak volgen van het medeplegen van dit feit.

4.3

Standpunt verdediging

De raadsvrouw vindt – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnota – dat verdachte van de feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende naar voren gebracht.

Verdachte heeft geen geschriften, al dan niet met anderen, valselijk opgemaakt of vervalst (feit 1). De gehandicaptenparkeerkaart heeft zij niet gemaakt of gehad. Verdachte heeft deze zelfs nooit gezien. Verdachte heeft voor de vervaardiging daarvan niet haar pasfoto aangeleverd of haar handtekening geplaatst. Op het deel van het aanvraagformulier dat door verdachte is ingevuld, heeft zij enkel juiste persoonsgegevens vermeld. Het DAS-formulier is onvolledig, zodat niet te verifiëren is welke gegevens zijn ingevuld en of deze gegevens al dan niet stroken met de werkelijkheid. Het formulier wordt opgemaakt, geprint en ingevuld door een medewerker van de gemeente. Verdachte was niet op de hoogte van de werkprocessen van de gemeente. Dat zij begunstigde was is onvoldoende voor een bewezenverklaring van medeplegen van dit feit.

Er is geen sprake van ‘afgifte van enig goed’ zoals vereist is voor oplichting (feit 2). Het ‘goed’ moet daarvoor uit de beschikkingsmacht raken van het slachtoffer. Daarvan is bij de afgifte van een (herroepbare) vergunning geen sprake. De gemeente Amsterdam kon nog steeds beschikken over de parkeervergunning. Evenmin is sprake van het verlenen van een dienst, omdat ‘parkeergenot’ daar niet onder valt. Subsidiair is aangevoerd dat de periode waarbinnen de gemeente Amsterdam, EGIS en Cition zouden zijn opgelicht, moet worden bekort. Het aanvraagformulier van Cition Parkeermanagement is ingevuld op 22 februari 2016, terwijl de parkeervergunning van verdachte is ingetrokken op 20 maart 2018.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte € 1000,- heeft betaald aan [medeverdachte 2] . Verdachte wist niet of er sprake was van betaling aan een ambtenaar, zodat vrijspraak moet volgen van feit 3.

4.4

Oordeel van de rechtbank

4.4.1

Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift en gebruikmaken van valse geschriften

De rechtbank vindt ten aanzien van het aanvraagformulier van Cition Parkeermanagement voor een ‘Amsterdamse parkeervergunning voor gehandicapte bewoners’ bewezen dat verdachte die samen met een ander of anderen vals heeft opgemaakt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vals geschrift en gebruikmaken daarvan

Op het aanvraagformulier gedateerd 22 februari 2016 is vermeld dat verdachte in het bezit is van een gehandicaptenkaart terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Dit is een cruciaal onderdeel van de gevraagde informatie. Dit aanvraagformulier is dus valselijk opgemaakt.

Het aanvraagformulier is een geschrift dat bestemd is om te dienen tot bewijs van enig feit omdat met gebruikmaking van dit geschrift een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners kan worden aangevraagd en verkregen. Van dit valse formulier is ook daadwerkelijk gebruik gemaakt omdat deze in de systemen van de gemeente Amsterdam is verwerkt. Daarmee konden de begunstigden door heel de stad gratis parkeren. Daarmee staat ook het oogmerk vast.

Het aanvraagformulier is deels door verdachte zelf ingevuld. De rechtbank vindt aannemelijk dat het aanvraagformulier onder kopje 2 door (één van) de gemeenteambtenaren is ingevuld aangezien [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de beschikking hadden over de gehandicaptenparkeerkaart op naam van verdachte en de gegevens daarvan op de aanvraag konden invullen. Het handschrift wijkt ook af van het eerste deel van de aanvraag. Voor verdachte moet duidelijk zijn geweest dat de onjuiste informatie over een Europese gehandicaptenparkeerkaart (waar zij geen recht op had) zou worden aangevuld en dat het formulier, na het volledig maken daarvan, zou worden verwerkt in de systemen.

Gelet hierop is bewezen dat verdachte het aanvraagformulier samen met haar mededader(s) valselijk heeft opgemaakt en daar vervolgens opzettelijk gebruik van heeft gemaakt alsof het een echt geschrift was.

Partieel vrijspraak

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (medeplegen van) het valselijk opmaken van de gehandicaptenparkeerkaart en het DAS-formulier. De rechtbank komt daartoe vanwege het volgende.

De gehandicaptenparkeerkaart op naam van verdachte is aangetroffen in de

e-mailcorrespondentie tussen de gemeenteambtenaren. Het is goed mogelijk dat het proces van het opmaken van de gehandicaptenparkeerkaart volledig aan het zicht van verdachte was onttrokken. Het dossier biedt de rechtbank geen aanknopingspunten dat verdachte bij de vervaardiging daarvan betrokken is geweest door bijvoorbeeld gegevens aan te leveren of het document te voorzien van haar handtekening, laat staan dat zij kan vaststellen dat verdachte van het bestaan van de gehandicaptenparkeerkaart af wist. De rechtbank vindt daarom dit deel van de beschuldiging niet bewezen.

Verder leidt de rechtbank uit het dossier af dat de gemeenteambtenaren vanuit hun functie betrokken waren bij de verwerking van de vergunningaanvraag in de systemen van de gemeente. Het DAS-formulier is een ambtelijk formulier en het dossier biedt geen aanknopingspunten dat verdachte wist van het bestaan van dit formulier en de werkwijze voor de verwerking in de systemen. De gemeenteambtenaren beschikten over de inloggegevens van de medewerker waarmee de vergunningaanvraag van verdachte in

Epermix is verwerkt. Verder blijkt niet dat verdachte enige bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het DAS-formulier. Dat dit formulier onderdeel uitmaakt van het verkrijgen van een vergunning waarvan verdachte de begunstigde was is onvoldoende om tot medeplegen te komen. Daarom vindt de rechtbank de beschuldiging ook in zoverre niet bewezen.

Conclusie

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift ten aanzien van het aanvraagformulier van Cition Parkeermanagement en dat zij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van dit valse geschrift terwijl zij wist dat dit bestemd was voor gebruik alsof dit echt was.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit voor zover het gaat om het (medeplegen van) valselijk opmaken en gebruikmaken van de gehandicaptenparkeerkaart en het DAS-formulier.

4.4.2

Feit 2: medeplegen van oplichting

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de gemeente Amsterdam, EGIS en Cition Parkeermanagement.

De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Zoals volgt uit de verklaring van verdachte, was het haar te doen om een parkeervergunning. Om die te kunnen verkrijgen heeft verdachte het aanvraagformulier voor een parkeervergunning van gehandicapte bewoners voorzien van haar (persoons)gegevens en handtekening. Daarbij heeft zij ook kopieën van benodigde stukken aangeleverd. Vervolgens zijn de gemeenteambtenaren verder aan de slag gegaan en is ook een gehandicaptenkaart op naam van verdachte valselijk opgemaakt. Van deze gehandicaptenparkeerkaart is namelijk gebleken dat deze niet is uitgegeven. Bovendien is verdachte niet gekeurd door een GGD-arts. De gehandicaptenkaart is in elkaar gezet door bestanden te knippen en plakken. Door gebruik te maken van het account van een nietsvermoedende collega, [medewerker 1] , zijn door de gemeenteambtenaren de valse gehandicaptenkaart en het valse aanvraagformulier verwerkt in de systemen van de gemeente Amsterdam en is daaraan een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners op naam van verdachte gekoppeld. Daarvoor is ook een vals DAS-formulier opgemaakt. Hierop staat ten onrechte vermeld dat verdachte in het bezit is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart. De rechtbank vindt aannemelijk dat verdachte over (het verdere verloop van) de vergunningaanvraag contact heeft gehad met [medeverdachte 2] . Hoewel verdachte heeft ontkend dat zij [medeverdachte 2] kende, blijkt uit onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 2] het tegendeel. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben in 2016, het jaar waarin de parkeervergunning aan verdachte is verleend, meermaals telefonisch contact gehad.

Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte alle uitvoeringshandelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging zelf heeft verricht, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat verdachte als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat, om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen, is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het is niet noodzakelijk dat de medepleger zelf de gehele delictsomschrijving vervult, het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De verdachte kan ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachten zijn verricht.

De rechtbank kan op grond van het bewijs vaststellen dat tussen verdachte en de gemeenteambtenaren sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking zoals vereist is voor medeplegen. Bij die samenwerking was sprake van handelen overeenkomstig een van tevoren afgestemd plan, met een voor elk van de mededaders duidelijke rolverdeling en eigen taak. Verdachte heeft daarbij een voor de uitvoering van het feit substantiële en cruciale rol vervuld. Zij heeft gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om op illegale wijze in aanmerking te komen voor een parkeervergunning en heeft informatie ingewonnen over hoe zij die kon verkrijgen. Zij heeft een aanvraag voorzien van haar gegevens en ondertekend en verstrekt aan haar kennis teneinde deze aanvraag verder te laten verwerken. Dat het ging om een vergunning voor gehandicapte bewoners kan haar niet zijn ontgaan. Dit staat groot bovenaan de aanvraag en er wordt gevraagd om gegevens over de Europese gehandicaptenkaart. Door het aanleveren van essentiële documenten en het (deels) invullen van het aanvraagformulier, heeft verdachte feitelijke en relevante uitvoeringshandelingen verricht. De gemeenteambtenaren hebben gezorgd voor de andere benodigde documenten, het volledig maken van de aanvraag en de verwerking in de systemen. Het kan niet anders dan dat verdachte zich er ook bewust van was dat dit zou gebeuren teneinde de vergunning te krijgen. Uiteindelijk heeft verdachte gedurende een periode van om en nabij de twee jaren van de parkeervergunning gebruik gemaakt. Er was daarmee sprake van een zodanig nauw en bewust samenwerkingsverband tussen verdachte en haar mededaders, dat sprake is geweest van medeplegen.

De gemeente Amsterdam, EGIS en Cition zijn door het handelen van verdachte en haar mededaders, die daarbij gebruik hebben gemaakt van de wettelijke oplichtingsmiddelen ‘listige kunstgrepen’ en ‘een samenweefsel van verdichtsels’ bewogen tot afgifte van een parkeervergunning voor gehandicapte bewoners waarmee aan verdachte gratis parkeergenot werd verleend in heel Amsterdam. Hen werd voorgewend dat verdachte recht had op een dergelijke vergunning. Hierdoor zijn zij benadeeld omdat zij niet het geld hebben ontvangen dat zij normaal gesproken zouden hebben gekregen voor het betaald parkeren.

Anders dan de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat met de parkeervergunning wel degelijk een ‘goed’ is afgegeven als bedoeld in artikel 326 Sr. Een dergelijke parkeervergunning heeft immers economische waarde en is ook verhandelbaar in het economisch verkeer. Dat is hier in feite ook gebeurd. Het verlenen van parkeergenot valt naar het oordeel van de rechtbank onder het ‘verlenen van een dienst’. De verweren worden verworpen.

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Wel zal de periode waarbinnen dit heeft plaatsgevonden worden bekort.

4.4.3

Vrijspraak van feit 3: actieve omkoping

De rechtbank vindt het feit niet bewezen en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 177, eerste lid, onderdeel 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) veronderstelt dat de omkoper het oogmerk (de bedoeling) heeft dat de ambtenaar in zijn bediening iets doet of nalaat. Oogmerk in de zin van dit artikel is aanwezig wanneer de gever moet hebben beseft dat het doen van een gift als noodzakelijk en dus voor hem gewild gevolg meebrengt dat de ambtenaar wordt bewogen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Het betreft de zwaarste vorm van opzet die bovendien niet op de gift, maar op het gevolg moet zijn gericht. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte wist dat zij aan ambtenaren van de gemeente een geldbedrag betaalde zodat zij in hun bediening (vanuit hun functie) iets zouden doen, namelijk ervoor zorgen dat verdachte een parkeervergunning zou krijgen waar zij geen recht op had. De rechtbank overweegt dat verdachte wel in zijn algemeenheid had kunnen weten dat er ambtenaren betrokken waren bij de vergunningaanvraag, maar dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen, omdat zij mogelijk niet wist dat zij betaalde aan een ambtenaar.

De rechtbank vindt het feit niet bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in rubriek 4.1 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1:

in de periode van 3 oktober 2015 tot en met 23 februari 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

- een Aanvraagformulier "Amsterdamse parkeervergunning voor gehandicapte bewoners van Amsterdam" van Cition Parkeermanagement d.d. 22 februari 2016 t.b.v. [verdachte] ;

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben opgemaakt,

immers hebben zij, verdachte en/of haar mededaders in strijd met de waarheid

- die aanvraag voorzien van haar, verdachtes naam en adres en burgerservicenummer en geboortedatum en GPK nummer [nummer] en het kenteken ( [kenteken] ) op naam van Leaseplan Nederland B.V.

zulks terwijl, zij, verdachte in werkelijkheid niet in het bezit was van een reguliere Europese GPK en niet gehandicapt was en genoemd kaartnummer niet was uitgegeven en die aanvraag heeft voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken en toen en aldaar opzettelijk gebruik hebben gemaakt van voornoemd vals geschrift en dat valse geschrift voorhanden hebben gehad, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte en/of haar mededaders dat geschriften hebben ingeleverd en verwerkt in de digitale systemen DAS en Epermix, ten behoeve van het aanvragen en verkrijgen van een gehandicaptenparkeervergunning aan voornoemde aanvrager;

terwijl zij, verdachte, en haar mededaders, wisten dat dat geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt.

Feit 2:

in de periode van 1 februari 2016 tot en met 20 maart 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente Amsterdam en EGIS en Cition Parkeermanagement heeft bewogen tot de afgifte van een Amsterdamse gehandicaptenparkeervergunning en het verlenen van een dienst, te weten: het toekennen van (gratis) parkeergenot in heel Amsterdam voor een periode van maximaal vijf jaar aan verdachte t.b.v. kenteken [kenteken] , hebbende verdachte en/of haar mededaders valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- een vervalste Europese Gehandicaptenparkeerkaart (GPK) t.n.v. [verdachte] met kaartnummer [nummer] ;

- een vals Aanvraagformulier "Amsterdamse parkeervergunning voor gehandicapte bewoners van Amsterdam" van Cition Parkeermanagement d.d. 22 februari 2016 t.b.v. [verdachte] ;

- een vals DAS-formulier "Aanvragen Parkeervergunning : Gehandicapte bewoners - aanvragen/verlengen" d.d. 23 februari 2016 t.b.v. [verdachte] ;

- een kopie van haar, verdachtes, rijbewijs;

- een kopie van een kentekenbewijs behorend bij het kenteken [kenteken] ;

ingevuld en voorzien van een handtekening/paraaf en een handgeschreven "akkoord eind" en de (voor)namen " [medewerker 1] " en " [medeverdachte 1] " zijnde beide medewerk(st)ers van de gemeente Amsterdam en ingeleverd en verwerkt in de digitale systemen DAS en Epermix;

waardoor verdachte en haar mededaders hebben voorgewend dat verdachte een gehandicapte bewoonster van Amsterdam was en dat verdachte in het bezit was van een reguliere Europese GKP, waardoor die gemeente Amsterdam en EGIS en Cition Parkeermanagement werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Eis van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, te vervangen door hechtenis van 75 dagen als verdachte de taakstraf niet (volledig) uitvoert. Daarnaast vorderen zij oplegging van een geldboete van € 2.400,-, te vervangen door hechtenis van 34 dagen als de geldboete niet (volledig) wordt betaald. In de hoogte van de eis is aansluiting gezocht bij het eerdere transactievoorstel dat aanvankelijk aan verdachte is gedaan. Bij de strafeis is ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de draagkracht van verdachte.

7.2

Strafmaatverweer verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte werkt als ZZP-er. Als gevolg van de coronapandemie zijn haar inkomsten gekelderd. Zij kwam rond van enig werk en een tegemoetkoming van de staat. Verdachte heeft geen strafblad en is sinds deze zaak niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Ook is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. En het hele strafproces is door verdachte ook al ervaren als een soort straf. Deze omstandigheden rechtvaardigen een gematigde straf, zo mogelijk in de vorm van een taakstraf.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van een vals geschrift en oplichting. Hierdoor is aan verdachte een parkeervergunning afgegeven terwijl zij hier geen recht op had. Daarmee heeft zij vervolgens (gratis) en overal in heel Amsterdam kunnen parkeren. De gemeente Amsterdam is hierdoor geld misgelopen. Verdachte heeft als afnemer van deze frauduleuze parkeervergunning het systeem van het parkeerbeleid van de gemeente op een geraffineerde wijze ondermijnd en daarmee uitsluitend het doel gehad om zichzelf te bevoordelen en het zichzelf gemakkelijk te maken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld en ook na onderhavige feiten niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen vanwege het plegen van misdrijven.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is ook de ouderdom van de feiten relevant. Uitgangspunt is dat de behandeling van de strafzaak binnen twee jaren moet zijn afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte is op 3 oktober 2018 als verdachte gehoord. Vanaf dat moment kon zij verwachten dat tegen haar strafvervolging zou worden ingesteld en is de termijn gaan lopen. De rechtbank doet op 13 december 2021 uitspraak, ruim drie jaren en drie maanden later. Er is dus sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en verdachte heeft hierdoor onnodig lang in onzekerheid gezeten over de afdoening van de zaak.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op hetgeen de begunstigden die uiteindelijk niet vervolgd zijn als transactievoorstel hebben geaccepteerd. En op hoe de strafbare gedragingen van verdachte zich verhouden tot de gedragingen van anderen tegen wie in deze zaak (gelijktijdig) uitspraak wordt gedaan.

Alles afwegende, vindt de rechtbank de oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren noodzakelijk en passend. Als de taakstraf niet (volledig) wordt uitgevoerd kan deze worden omgezet in 50 dagen vervangende hechtenis. In de omstandigheid dat de officieren van justitie ook ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel hebben gevorderd in de ontnemingszaak die tegelijk met de strafzaak op de zitting is behandeld en het tijdsverloop, ziet de rechtbank aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete. De rechtbank zal naast de taakstraf wel een geldboete van € 4.800,- opleggen, maar geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, om te waarborgen dat verdachte zich niet opnieuw aan strafbare feiten zal schuldig maken.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen wat verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van

valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van oplichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 4.800,- (vierduizendachthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 58 (achtenvijftig) dagen.

Beveelt dat laatstgenoemde straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en R.C.J. Hamming, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2021.

1 Voor zover niet anders opgenomen, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00093 – p. ZD0-00094.

3 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00093 – p. ZD0-00094.

4 Een geschrift, te weten: een gehandicaptenparkeerkaart op naam van [verdachte] , p. ZD0-00176 – ZD0-00177.

5 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00096, onderaan.

6 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00097, bovenaan.

7 Een geschrift, te weten: een Cition aanvraagformulier op naam van [verdachte] met bijlagen, p. ZD0-00173 – ZD0-00175.

8 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00097, tabel.

9 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00100.

10 Een geschrift, te weten: een DAS-formulier ‘Aanvragen Parkeervergunning’ t.b.v. [verdachte] , p. ZD0-00178.

11 Verhoor getuige [medewerker 1] d.d. 10 april 2018, p. ZD0-01028.

12 Een geschrift, te weten een: Uitdraai gegevens vergunning, p. ZD0-00542.

13 Een geschrift, te weten: een e-mailbericht d.d. 12 september 2016, p. ZD0-01195 – ZD0-01196. Omwille van de leesbaarheid zal hierna worden volstaan met de omschrijving: ‘E-mailbericht of e-mailwisseling d.d. (datum) en vindplaats’.

14 E-mailwisseling d.d. 28 oktober 2015, p. ZD0-01209 – ZD0-01213.

15 E-mailbericht d.d. 12 oktober 2016, p. ZD0-00179.

16 Aangifte Gemeente Amsterdam d.d. 16 januari 2018, p. ZD0-00112.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2018, PD4-00040.

18 Verklaring van verdachte op de zitting van 8 oktober 2021.

19 Verhoor [verdachte] d.d. 3 oktober 2018, p. ZD0-00551.

20 Verhoor [verdachte] d.d. 3 oktober 2018, p. ZD0-00553.