Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:7209

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2021
Datum publicatie
15-12-2021
Zaaknummer
13.247858.20 (zaak A) en 13.281816.21 (zaak B)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ASR. meerderjarige verdachte veroordeeld voor winkeloverval en bedreiging van agent via facebook. Bewijsoverweging bedreiging. RN adviseert vw PIJ-maatregel. NIFP adviseert voorwaardelijk strafdeel. Rb komt tot toepassing 77c en legt deels vw JD op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13.247858.20 (zaak A) en 13.281816.21 (zaak B)

Datum uitspraak: 19 november 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende op het adres [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 2] , psycholoog, de heer D. Matser, psychiater, mevrouw [persoon] , orthopedagoog en de heer [naam 1] namens Reclassering Nederland (hierna: de Reclassering) naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

1. poging tot afpersing op 2 oktober 2020 van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] bij [naam winkel] te Amsterdam;

2. diefstal van 15 pakjes vloei van [naam winkel] onder bedreiging met geweld tegen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] op 2 oktober 2020 te Amsterdam;

Zaak B (zoals gewijzigd op de zitting)

Bedreiging van wijkagent [verbalisant 1] of een andere wijkagent van de eenheid Amsterdam via Facebook op 24 juli 2021 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

Geldigheid dagvaarding zaak B

De raadsvrouw heeft (naar de rechtbank begrijpt) gesteld dat de dagvaarding niet geldig is voor zover deze ziet op het onderdeel “of een (andere) (hem bekende) wijkagent van de eenheid Amsterdam” dat na wijziging aan de tenlastelegging is toegevoegd. Dit onderdeel is onvoldoende concreet omdat niet duidelijk is welke wijkagent wordt bedoeld, aldus de raadsvrouw

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het toegevoegde onderdeel “of een (andere) (hem bekende) wijkagent van de eenheid Amsterdam” weliswaar geen specifiek persoon betreft, maar dat dit niet zodanig onduidelijk en onbepaald is, dat dit de geldigheid van de dagvaarding aantast. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij de teksten heeft op Facebook heeft geplaatst en dat deze bedoeld waren voor een hem van gezicht bekende wijkagent uit Amsterdam [gebied] . In deze context moet het voor verdachte voldoende duidelijk zijn tegen welke beschuldiging hij zich dient te verdedigen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4 Waardering van het bewijs

Zaak A

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in zaak A kunnen worden bewezen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank; verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

op 2 oktober 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster 1] en [aangeefster 2] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag toebehorende aan [naam winkel] (perceel [straat] ),

- met een mondkapje om en een capuchon om zijn hoofd en

- op een dreigende manier naar de toonbank is gelopen en

- een mes aan die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft getoond en voorgehouden en

- met het mes heeft gezwaaid en

- daarbij heeft gezegd "waar is de kassa, geef me het geld",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:

op 2 oktober 2020 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 15 pakjes vloei, toebehorende aan [naam winkel] (perceel [straat] ), welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en of gemakkelijk te maken, met voormeld oogmerk

- met een mondkapje om en een capuchon om zijn hoofd en

- op een dreigende manier naar de toonbank is gelopen en

- een mes aan die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft getoond en voorgehouden en

- met het mes heeft gezwaaid en

- daarbij heeft gezegd "waar is de kassa, geef me het geld".

Zaak B

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedreiging van wijkagent [verbalisant 1] kan worden bewezen.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit nu – kort gezegd – niet aan de vereisten van een strafbare bedreiging wordt voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Op 24 juli 2021 is op het Facebook account van het basisteam [locatie] van de politie Amsterdam door verdachte met de Messenger functie de ten laste gelegde tekst geplaatst.

Op 10 augustus 2021 wordt dit voor het eerst gelezen door verbalisant [verbalisant 2] . De leidinggevende van alle wijkagenten van basisteam [locatie] , [verbalisant 3] , doet namens de politie Nederland, eenheid Amsterdam, en in specifiekere zin namens de wijkagenten van het werkgebied Amsterdam [gebied] , basisteam [locatie] , aangifte van onder meer bedreiging. Wijkagent [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij mogelijk wordt bedoeld door verdachte, aangezien hij de contactpersoon is van de broers van verdachte en daardoor ook bij hen thuis kwam.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij uit boosheid het bericht heeft gestuurd en dat dit bedoeld was voor een wijkagent in Amsterdam [gebied] . Hij weet niet hoe die persoon heet, maar hij kent hem van straat. Verdachte schreef de tekst uit pure frustratie en begrijpt dat mensen het eng kunnen vinden. Hij zou het zelf ook wel een probleem vinden en zou er ook wel een “dingetje van maken”.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van wijkagent [verbalisant 1] of een ander voor verdachte bekende wijkagent in Amsterdam ( [gebied] ) opleveren. Verdachte heeft een van deze wijkagenten bedoeld, zoals ook blijkt uit zijn eigen verklaring, en de adressering is daarmee voldoende concreet. Door de teksten naar het Facebookaccount van basisteam [locatie] te sturen heeft verdachte ten minste het voorwaardelijk opzet gehad om iedere (wijk)agent bij dat team, waaronder ook [verbalisant 1] , te bereiken. Verdachte heeft daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze teksten bij de ontvanger terecht zouden komen. De teksten zijn zodanig bedreigend dat – objectief beschouwd – bij de ontvanger de redelijke vrees kon ontstaan dat die zijn leven zou kunnen verliezen. Deze vrees hoeft niet daadwerkelijk te zijn ontstaan.

De rechtbank komt daarmee – anders dan de raadsvrouw – tot een bewezenverklaring van het in zaak B ten laste gelegde.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:

op 24 juli 2021 te Amsterdam, verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam als wijkagent bij politie Nederland, eenheid Amsterdam, basisteam [locatie] , wijk [naam wijk] of een andere hem bekende wijkagent van de eenheid Amsterdam heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend via Facebook Messenger een bericht op de Facebookpagina van het basisteam [locatie] geplaatst, inhoudende: "Laat die reclassering me alsjeblieft kanker met rust laten voor dat ik een kanker kogels door die wijk agent ze kop jaag als als die me dan nog niet met rust laat neuk ik fucking die kanker ofiesier ze kanker moeder nee maak geen kanker grap heb bij een matie een fucking kanker revolver liggen dus laat die kanker reclassering met kanker met rust laten voor ik een kogel door het hoofd van die nsber van een wijkagent schiet Hopelijk is dit duidelijk voor dat ik tot daden moet over gaat";

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Indien de rechtbank overgaat tot toepassing van het adolescentenstrafrecht, dient aan verdachte een jeugddetentie te worden opgelegd van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. In beide gevallen dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals geadviseerd door de Reclassering.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een op te leggen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet langer zou moeten duren dan het huidige voorarrest. Verder dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Er is geen grond om te komen tot oplegging van de door de Reclassering geadviseerde (voorwaardelijke) PIJ-maatregel.

De rechtbank overweegt dat de hierna te noemen strafoplegging in overeenstemming is met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 oktober 2021. Hieruit blijkt de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 20 november 2018 een poging tot afpersing bewezen heeft verklaard, maar dat verdachte ontslagen is van alle rechtsvervolging.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op [naam winkel] . Hij is met een mondkapje voor en capuchon op, gewapend met een mes de winkel binnen gegaan. Daar heeft hij twee meisjes, zussen van elkaar, [aangeefster 1] en [aangeefster 2] , bedreigd met dat mes en om de kassa en geld gevraagd. Zij waren aan het werk in de winkel van hun ouders. Doordat [aangeefster 1] haar vader belde en de zussen zich verder - naar eigen zeggen - van de domme hielden, heeft verdachte het opgegeven en is hij de winkel uitgerend. Voordat hij dit deed heeft hij nog een graai gedaan in een doos bij het raam en daar pakjes vloei gepakt. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig feit dat de rechtbank hem zwaar aanrekent.

Verdachte heeft gehandeld uit financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen voor de slachtoffers. Uit de aangiften en de vorderingen benadeelde partij van de slachtoffers blijkt hoeveel indruk het feit op hen heeft gemaakt. [aangeefster 1] (toen 17 jaar) werd angstig en raakte in paniek toen verdachte de winkel binnenkwam, maar vermande zich ook omdat haar nog jongere zusje erbij was. Pas achteraf werd zij overspoeld door angstgevoelens. Zij heeft last van slaapproblemen, die haar nu nog steeds parten spelen. Doordat zij weinig energie heeft en last heeft van concentratieproblemen, lijden haar schoolprestaties onder het gebeurde. Ze vindt het moeilijk om over de overval te praten en wil de gebeurtenis op eigen kracht verwerken. Ook de toen pas vijftienjarige [aangeefster 2] was tijdens de overval heel bang, vooral omdat zij wist dat [aangeefster 1] al eerder een overval heeft meegemaakt waarbij zij met een mes is bedreigd. Zij vindt het beangstigend dat de winkel van haar ouders is overvallen. Het gezin woont boven de winkel en [aangeefster 2] durft niet alleen in bed te slapen. Daarom slaapt haar moeder bij haar. [aangeefster 2] is door het feit in zichzelf gekeerd en lusteloos geworden, heeft last van concentratieproblemen en voelt zich nog steeds onveilig. Haar schoolprestaties zijn achteruit gegaan en zij is inmiddels onder behandeling bij een therapeut. Het handelen van verdachte heeft niet alleen grote gevolgen gehad voor de twee zusjes die in de winkel stonden, dit soort feiten zorgt ook voor een gevoel van onveiligheid van omwonenden en omstanders.

Daarnaast heeft verdachte een wijkagent bedreigd via Facebook. Verdachte heeft onder meer gedreigd deze persoon ‘een kogel door de kop te jagen’, kennelijk omdat hij met rust gelaten wilde worden tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Ook dit is een onacceptabel en ernstig feit.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 20 respectievelijk 21 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het adolescentenstrafrecht (hierna: jeugdstrafrecht) worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    adviesrapporten van de Reclassering van 25 februari 2021, 29 oktober 2021 en 1 november 2021;

  • -

    psychologisch Pro Justitia rapport van [naam 2] GZ-psycholoog en [persoon] orthopedagoog-generalist van 16 januari 2021;

  • -

    psychiatrisch Pro Justitia rapport van D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater van 19 januari 2021.

Uit het psychologisch onderzoek volgt dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking (disharmonisch intelligentieprofiel) en een reactieve hechtingsstoornis, ook ten tijde van het ten laste gelegde. Het is aannemelijk dat de beschreven meervoudige problematiek heeft doorgewerkt. Hierdoor is het advies om het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Door zijn beperkte cognitieve mogelijkheden en beperkte sociaal

emotionele ontwikkeling is verdachte afhankelijk van constante externe sturing van zijn

gedrag. Wanneer hij in een beschermde omgeving woont, is de verwachting dat hij zich positief laat beïnvloeden door professionele begeleiders. Geadviseerd wordt praktische ondersteuning en concrete begeleiding te bieden binnen een beschermde woonvorm met dagbesteding, passend bij zijn intelligentieniveau. Zijn autonomiebehoefte dient hierbij in voldoende mate gerespecteerd te worden om uitbreken te voorkomen.

De psychiater heeft gediagnosticeerd dat verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau (met een sterk disharmonisch intelligentieprofiel) op basis van niet aangeboren hersenletsel, een hechtingsstoornis en een verstoord verlopen identiteitsontwikkeling. Deze stoornissen waren aanwezig tijdens het ten laste gelegde en beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen. De feiten zijn verdachte verminderd toe te rekenen. Er zijn meerdere risicofactoren die de kans op recidive verhogen. Wanneer gekeken wordt naar de zorgbehoefte en de mogelijkheden tot beïnvloeding van de risicofactoren van verdachte, wordt duidelijk dat het belangrijkste deel van de beïnvloeding ligt in de omgevingsfactoren van verdachte, door middel van inbedding in toezicht. Dit kan worden vormgegeven in een voorwaardelijk strafdeel. Het ontwikkelingsperspectief van verdachte lijkt gering te zijn. Hij kan nog wel (enigszins) profiteren van een pedagogische aanpak, maar de toepassing van het meerderjarigenstrafrecht lijkt aangewezen omdat de reductie van het recidiverisico vooral gelegen is in het investeren in zijn directe omgeving, hoewel de psychiater op basis van het functioneren van verdachte ook het jeugdstrafrecht kan rechtvaardigen.

De Reclassering heeft geadviseerd om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten gezien de wegingskaders van de reclassering en het ontbreken van contra-indicaties. Zijn niveau is beperkt, hij laat kinderlijk en impulsief gedrag zien en is beïnvloedbaar. Verdachte kan weer bij zijn pleeggezin gaan verblijven in afwachting van beschermd wonen en stelt zich afhankelijk op naar volwassenen. Hij wordt ook nog leerbaar geacht. In het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel kunnen aan hem bijzondere voorwaarden worden opgelegd gericht op woonbegeleiding, dagbesteding en behandeling. Het plaatsen van verdachte in een PI voor volwassenen is contra geïndiceerd en dan heeft – indien hij zich niet aan de voorwaarden houdt – plaatsing een JJI de voorkeur.

De Pro Justitia deskundigen hebben op de zitting benadrukt dat wanneer een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt gebruikt als stok achter de deur er rekening moet worden gehouden met omzetting naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Verdachte zal dan langdurig behandeld gaan worden in een JJI, terwijl – kijkend naar de behandelbaarheid en problematiek van verdachte – daar weinig tot geen resultaat van te verwachten is en eerder frustrerend en daardoor contraproductief is. Verdachte is erbij gebaat dat wordt toegewerkt naar een woonvoorziening en dagstructuur met daarbij langdurig strak toezicht.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande adviezen en de psychische problematiek van verdachte, van oordeel dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte volgens het jeugdstrafrecht dient te worden berecht. Weliswaar hebben de Pro Justitia rapporteurs hun voorkeur uitgesproken voor het meerderjarigenstrafrecht, maar zij adviseren vooral een strak ambulant kader met voorwaarden en merken op dat verdachte niet geschikt is voor een PI voor volwassenen. De rechtbank vindt het passender om verdachte binnen het kader van het jeugdstrafrecht te berechten gelet op de persoon van verdachte, zoals ook door de Reclassering naar voren is gebracht. Verdachte is een kwetsbare, kinderlijke en beïnvloedbare jongvolwassen man met een verstandelijke beperking. Hij kan weer in het pleeggezin gaan wonen en kan vanuit deze omgeving mogelijk doorgroeien naar begeleid wonen. Hoewel het belangrijkste deel van de beïnvloeding ligt in de omgevingsfactoren, wordt er nog wel enige pedagogische beïnvloeding mogelijk geacht. Mede gezien het beperkte strafblad van verdachte en het feit dat hij ook momenteel in een JJI verblijft, vindt de rechtbank in dit geval de toepassing van het jeugdstrafrecht het meest passend.

Het is de rechtbank gebleken dat de rapporteurs – in de discussie over het jeugdstrafrecht – vooral pleiten tégen het opleggen van een langdurige intramurale behandeling in een JJI in het kader van de PIJ-maatregel. Het opleggen van een dergelijke maatregel is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aan de orde, ook niet in voorwaardelijke vorm. Het advies van de Reclassering daartoe acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Er wordt ook niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel. Een PIJ-maatregel moet immers in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, zoals bedoeld in artikel 77s lid 1 onder c van het Wetboek van Strafrecht. Dat is in deze zaak niet het geval, integendeel, het zou juist ongunstig zijn.

Gelet op de ernst van de feiten, zoals hierboven beschreven, zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie opleggen van aanzienlijke duur. Het onvoorwaardelijke deel daarvan zal worden beperkt tot zes maanden, zodat verdachte zich binnen afzienbare tijd buiten detentie verder kan ontwikkelen. Aan het voorwaardelijke deel zullen bijzondere voorwaarden worden verbonden, zoals geadviseerd door de Reclassering. Verdachte moet zich melden bij de reclassering, zich laten behandelen bij [instelling] , meewerken aan woonbegeleiding en beschermd wonen en verdachte moet een dagbesteding hebben. Daarnaast wordt het verdachte verboden contact op te nemen met de beide zusjes [achternaam aangeefsters] en mag hij niet in de buurt komen van [naam winkel] . Verdachte zal eerst bij het pleeggezin in [plaats] moeten gaan wonen. Het locatieverbod en -gebod zal met elektronisch toezicht worden gecontroleerd. De rechtbank hoopt dat verdachte zich in dit strakke ambulante kader laat behandelen en begeleiden om zo herhaling te voorkomen. Mocht hij zich toch niet houden aan een of meer voorwaarden loopt hij het risico opnieuw gedetineerd te raken.

De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, waardoor de straf lager is dan door de officier van justitie (subsidiair) gevorderd.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes (omschrijving: 5977594), dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het in zaak A bewezen geachte is begaan.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster 1]

De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert € 2.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 1.500,-

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel zoals door de officier van justitie voorgesteld niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [aangeefster 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[aangeefster 2]

De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert € 2.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 1.500,-

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel zoals door de officier van justitie voorgesteld niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [aangeefster 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde:

poging tot afpersing

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;

- zich laat behandelen door [instelling] Ambulante Forensische Geestelijke Gezondheidszorg, of een soortgelijke zorgaanbieder te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- meewerkt aan ambulante (woon)begeleiding door [naam 3] , of een

soortgelijke zorgaanbieder te bepalen door de reclassering.

- verblijft in een nader door de reclassering in samenwerking met de curator te bepalen instelling voor beschermd wonen. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

- inspanningen verricht tot het vinden en behouden van geschikte en structurele dagbesteding, te beoordelen door de reclassering en zolang de reclassering dat nodig acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] (10 november 2002) en [aangeefster 2]
(8 maart 2005), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de omgeving (zoals aangegeven op het kaartje op bijlage II) van de [naam winkel] aan de [straat] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op tijdstippen zoals door de reclassering vastgesteld op de navolgende locatie: [adres 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelde wordt daarbij gedurende de eerste 6 (zes) maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht gesteld ter controle op de nakoming van voornoemd locatieverbod – en gebod.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd: 1 stk Mes (omschrijving: 5977594)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [aangeefster 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 1], te betalen de som van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 1 dag.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [aangeefster 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 2], te betalen de som van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 1 dag.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en I. Timmermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2021.