Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:69

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
13.148640.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een zieke 36-jarige man die in juni 2019 in Amsterdam 40 hennepplanten teelde om er cannabisolie van te maken is niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Er is sprake van een zeer uitzonderlijke situatie waardoor het telen van hennepplanten in dit geval gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.148640.19

Datum uitspraak: 14 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 november 2019, 6 februari 2020 en 31 december 2020. Verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, waren daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van:

het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 1,7 kilogram henneptoppen en/of 40 hennepplanten op 18 juni 2019 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 De waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van partijen

Zowel de officier van justitie als de raadsman vindt dat kan worden bewezen dat verdachte 40 hennepplanten heeft gekweekt en dat hij van het aanwezig hebben van de henneptoppen moet worden vrijgesproken.

3.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte 40 hennepplanten heeft gekweekt. Van het aanwezig hebben van de henneptoppen wordt hij vrijgesproken.

In de woning van verdachte zijn op 18 juni 2019 40 hennepplanten aangetroffen. Verdachte bekent de planten te hebben gekweekt en heeft verklaard dat hij dit al ruim tien jaar doet om cannabisolie van te maken. Verdachte lijdt aan chronische lymfatische leukemie. De ziekte is niet te genezen, maar verdachte gebruikt medicijnen om zijn bloedwaarden op peil te houden. Tegen de bijwerkingen van de medicatie gebruikt verdachte de cannabisolie, waarover hierna onder 5 meer.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

op 18 juni 2019 te Amsterdam in een pand aan de [adres] opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad 40 hennepplanten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat sprake is van een overmacht situatie, in de zin van noodtoestand, waardoor het feit niet strafbaar is. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte gebruikt de cannabisolie om de bijwerkingen van zijn medicatie (Ibrutinib) tegen te gaan. Ibrutinib veroorzaakt ernstige maagpijn, waartegen verdachte morfine voorgeschreven krijgt. Van de morfine krijgt verdachte last van obstipatie. Bovendien heeft verdachte van de morfine een steeds hogere dosis nodig om het gewenste effect te bereiken. Van de morfine wordt hij misselijk en krijgt hij stemmingswisselingen die verband houden met de afhankelijkheid ervan. De cannabisolie voorkomt en/of verdrijft zijn misselijkheid, geeft hem een hongergevoel, waardoor hij beter op gewicht blijft, onderdrukt de pijn, waardoor hij beter kan slapen en brengt hem in betere stemming, waardoor hij minder depressief en negatief is. Daar komt bij dat verdachte inmiddels angstaanvallen en kokhalsneigingen krijgt bij het innemen van zijn medicatie. Daarbij helpt de cannabisolie hem rustig te worden voordat hij zijn medicatie moet innemen. Reële alternatieven voor de zelfgemaakte cannabisolie zijn er niet. Verdachte heeft geen cannabis op recept kunnen krijgen van zijn huisarts. Maar al zou dat wel zo geweest zijn, was dat geen alternatief geweest. De cannabis die bij de apotheek te verkrijgen is, heeft veel lagere concentraties werkzame stoffen dan het product dat verdachte zelf maakt. Bovendien is de samenstelling van het product van verdachte uniek en precies goed voor hem. Een zelfde product is bij de apotheek niet te krijgen. Om aan een zelfde dosis werkzame stoffen te komen zou hij grote hoeveelheden van het product van de apotheek moeten gebruiken. Medicinale cannabis wordt niet vergoed door de verzekering. Dit zou volstrekt onhaalbare kosten met zich meebrengen. Voor het kopen van cannabis bij de coffeeshop geldt hetzelfde; dat kan verdachte niet betalen. Omdat de leveranciers van de coffeeshops niet gecontroleerd worden is het bovendien onduidelijk wat er in het product zit aan schadelijke stoffen. De verdediging verwijst naar de aangeleverde stukken waaronder doktersverklaringen en een rapport van deskundige Hazekamp.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat verdachte geen beroep op overmacht toekomt. De officier van justitie neemt van verdachte aan dat cannabis in het algemeen lijkt te werken voor verdachte en dat meer in het bijzonder zijn eigen gemaakte cannabisolie voor hem werkt. Dat de door verdachte gemaakte cannabisolie zo uniek is dat alleen dit product voor verdachte werkt en alle andere producten niet is onvoldoende onderbouwd. Naast het verslag van deskundige A. Hazekamp had verdachte ook een verklaring moeten overleggen van een arts, bijvoorbeeld van een neuroloog, een neuropsycholoog of een anesthesioloog-pijnspecialist. Die verklaring zou moeten gaan over de daadwerkelijke werking van de door verdachte gemaakte cannabisolie bij zijn specifieke klachten en de effectiviteit daarvan als medicijn voor verdachte. Die deskundige zou zich dan ook hebben moeten uitlaten over de stelling dat alle andere medicijnen of alternatieve manieren van pijnbestrijding geen of te weinig effect hebben op de klachten van verdachte. In deze zaak heeft de hematoloog zich daar alleen in algemene bewoordingen over uitgelaten. Er is bijvoorbeeld mogelijk nog ruimte voor alternatieve methoden, ook voor de psychische klachten bij het innemen van de medicatie. De laatste keer dat verdachte hiervoor hulp zocht was een aantal jaren geleden. Niet duidelijk is geworden dat in deze concrete zaak sprake is van zulke uitzonderlijke omstandigheden dat het feit niet strafbaar is.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt het bewezen feit niet strafbaar, omdat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie, waardoor van verdachte niet gevergd kon worden dat hij geen hennepplanten zou kweken.

Het beoordelingskader

Iedere burger moet zich aan de wet houden, maar er zijn situaties die zo bijzonder zijn dat het normaal gesproken strafbare feit in dat hele bijzondere geval tóch niet strafbaar is. Daar doet de verdediging in deze zaak een beroep op. Uit rechtspraak van de Hoge Raad1 volgt dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval mee kunnen brengen dat het overtreden van de Opiumwet gerechtvaardigd kan zijn, onder meer in geval van een noodtoestand. Die noodtoestand kan zich voordoen als de pleger van het feit bij de noodzakelijke keuze uit onderling strijdige plichten de zwaarstwegende plicht voorrang heeft gegeven. Omdat een bijzondere regeling van ontheffing mogelijk is zal bij het kweken van hennep een beroep op noodtoestand slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.

De medische noodsituatie van verdachte

De huisarts van verdachte, [naam huisarts] , heeft in een brief van 19 juli 2019 verklaard dat verdachte als gevolg van THC-gebruik minder morfine nodig heeft. In een aanvullende e-mail heeft de huisarts verklaard dat verdachte pijnklachten heeft, met name in het botstelsel en de buik, die terug te voeren zijn op zijn chronische ziekte en de behandeling daarvan, en dat deze pijn niet helemaal onder controle is te krijgen met morfine. Het is een bekend feit dat cannabis de effecten van morfine versterkt en dat verdachte in combinatie met cannabis met minder morfine toe kan. De hevige pijn als gevolg van Ibrutinib houdt bij de meeste patiënten na een maand of vier op, maar bij verdachte niet. Verdachte heeft hiervoor een tijd morfine gekregen, maar dit hielp niet en cannabis wel. Op de ziekte zelf heeft cannabis geen invloed, op de pijnbeleving wel. Omdat verdachte door cannabis met minder morfine toe kan heeft hij ook minder (last van) bijwerkingen van morfine, aldus huisarts [naam huisarts] . Verdachte heeft verklaard tussen de keuze te staan een middel te nemen met geen bijwerkingen (cannabisolie) en een zwaar chemisch middel met bijwerkingen (morfine), waardoor hij nóg meer medicatie moet nemen. Zelfs met cannabisolie moet hij nog steeds de medicatie tegen de bijwerkingen van morfine erbij nemen. Het verlagen van de dosis Ibrutinib heeft verdachte geprobeerd, maar bleek geen optie omdat zijn bloedwaarden vrijwel onmiddellijk achteruit gingen, aldus verdachte.

De rechtbank concludeert al met al dat er een medische noodzaak is voor verdachte om medicinale cannabis te gebruiken.

De alternatieve mogelijkheden om cannabis te verkrijgen

Verdachte heeft uitgebreid verklaard over het ontbreken van een reëel alternatief voor zijn cannabisolie, zie hiervoor onder 5.1. Deskundige Hazekamp schrijft in zijn verslag dat de beschikbare cannabis in de apotheek mogelijk niet geschikt is qua soort, samenstelling en extractiemethode. Hij schrijft dat het verdachte tenminste € 810 per maand aan wietolie bij de apotheek zal kosten om tot de zelfde hoeveelheden werkzame bestanddelen te komen als in zijn zelf gemaakte cannabisolie. Hazekamp heeft op de zitting verklaard dat het via de apotheek verkrijgen van de cannabisolie in dezelfde samenstelling als verdachte hem maakt niet mogelijk is, omdat de apotheken andere bereidingsmethodes hebben. Om de samenstelling van de cannabisolie van verdachte te krijgen moet een nieuw product worden gemaakt met een andere chemische samenstelling en dat behoort niet tot de mogelijkheden voor individuele patiënten.

De conclusie

De rechtbank vindt dat verdachte met zijn verklaring, ondersteund door die van zijn huisarts en deskundige Hazekamp, voldoende heeft aangetoond dat er voor hem geen redelijk legaal alternatief is voor zijn eigengemaakte cannabis. Ook is voldoende aangetoond dat verdachte lijdt aan een levensbedreigende ziekte en dat hij zonder cannabis door deze ziekte zeer veel fysiek en mentaal ongemak ervaart.

Dit betekent dat verdachte zich in deze zaak geconfronteerd ziet met een conflict van belangen: enerzijds het maatschappelijk belang bij het naleven van de Opiumwet en anderzijds het belang dat verdachte heeft bij de bestrijding van pijn, misselijkheid en het voorkomen van een zeer onwenselijke situatie. In deze situatie heeft verdachte redelijkerwijs de keuze kunnen maken zelf de door hem benodigde cannabissoort te kweken. Dit betekent dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarom slaagt het beroep op overmacht-noodtoestand als bedoeld in artikel 40 Wetboek van Strafrecht. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit van 18 juni 2019 in dit specifieke geval niet strafbaar is.

6 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging wat betreft dit feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk, J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2021.

1 HR 16 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC7923), bevestigd op 18 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK2885).