Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6518

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2021
Datum publicatie
19-11-2021
Zaaknummer
13/845129-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor oplichting en gewoontewitwassen. Daarnaast wordt aan verdachte een beroepsverbod opgelegd en is publicatie van de uitspraak op rechtspraak.nl gelast. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard, aangezien veroordeelde inmiddels failliet is en de rechtbank het systeem van de Faillissementswet niet zal doorkruisen. Verbeurdverklaring van de cryptotegoeden die zich nog op de exchanges in het buitenland bevinden.

Betreft oplichting waarbij door circa 140 investeerders - ten behoeve van daghandel in cryptocurrency - ruim 5,6 miljoen inleggeld is afgegeven en waaruit forse geldbedragen zijn witgewassen. Beroep op kwalificatie-uitsluitingsgrond verworpen. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845129-18 (Promis)

Datum uitspraak: 15 november 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2021. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. van Staden ten Brink en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Berndsen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er onder feit 1 van beschuldigd dat hij samen met anderen voor een bedrag van ruim zes miljoen euro diverse investeerders heeft opgelicht en dat hij een geldbedrag van ruim 2,6 miljoen euro heeft verduisterd. Als dat niet bewezen kan worden wordt hem verweten dat hij daaraan feitelijk heeft leidinggegeven. Tot slot wordt hem onder feit 2 (na wijziging van de tenlastelegging) op zitting verweten dat hij circa 1,3 miljoen euro heeft witgewassen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) zijn signalen ontvangen over verdachte transacties betreffende [verdachte] , [medeverdachte 1] en [naam bedrijf 1] . Naar aanleiding van deze meldingen is het onderzoek Melkweg gestart. De bestuurder en enig aandeelhouder van deze bedrijven is verdachte, [verdachte] (hierna: [verdachte]). Bij dit onderzoek is geconstateerd dat via de website [website] ( [medeverdachte 1] ) de mogelijkheid wordt geboden tot het investeren in het day-traden in cryptocurrency (hierna ook: crypto). In totaal blijken ongeveer 140 mensen in [medeverdachte 1] en/of [naam bedrijf 1] te hebben geïnvesteerd, zowel via de inleg van gelden als via de directe inleg van cryptocurrency, voor een totale waarde van € 6.068.307,-. Een selectie van investeerders is vervolgens gehoord. Door de gehoorde investeerders is daarbij steeds soortgelijk verklaard. Velen zijn ingestapt vanwege de dagelijkse rendementen die zijn beloofd en de hoogte daarvan. Ook hebben zij gezien dat bij andere investeerders daadwerkelijk rendement werd uitgekeerd. Bovendien zouden de investeerders weinig risico lopen gelet op een stoploss van 3% en een verzekering van de inleg tot een maximumbedrag van € 225.000,-. Na gesprekken met [verdachte] en andere investeerders, leek [medeverdachte 1] een betrouwbaar bedrijf met expertise, aldus de getuigen. Uit onderzoek van de FIOD is echter gebleken dat van de circa zes miljoen euro die is geïnvesteerd, minder dan zevenhonderdduizend euro aan cryptocurrency is aangekocht. Van de overige gelden op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] is € 648.710,- overgemaakt naar privérekeningen van [verdachte] . Daarnaast is € 314.365,- aangewend voor de aanschaf van luxe goederen, de huur van een appartement in Amsterdam, hotelverblijven in binnen- en buitenland en privévliegtuigen naar Ibiza, Nice en Monaco. Verder is een bedrag van € 220.751,- overgemaakt aan derden, niet zijnde investeerders, en is € 100.000,- overgemaakt aan [medeverdachte 2] , een ander bedrijf van [verdachte] . Ook bleken uitkeringen van rendement en terugbetalingen van het ingelegde geld aan inleggers te zijn voldaan met de inleggelden van andere investeerders.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting in de periode van 8 februari 2018 tot en met 26 juli 2018 (feit 1, primair, eerste cumulatief/alternatief). De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de bevindingen van de FIOD, de verklaringen van getuigen en de verklaring van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen heeft ingezet. De officier van justitie vindt oplichting bewijsbaar vanaf 8 februari 2018 omdat [medeverdachte 1] op die datum is opgericht. In de periode voorafgaand aan de oplichting (van 1 januari 2018 tot 8 februari 2018) kan op grond van dezelfde bevindingen en verklaringen medeplegen van verduistering worden bewezen (feit 1, primair, tweede cumulatief/alternatief). Verder heeft verdachte samen met anderen, gedurende een lange periode inleggelden die zijn verworven door oplichting en verduistering, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en verhuld. Verdachte heeft zich daarom tot slot ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2).

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn pleitnota - vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde oplichting (feit 1, primair, eerste cumulatief/alternatief). Verdachte heeft namelijk nooit met kwade intenties gehandeld. Hij had de bedoeling om met het ingelegde geld te handelen in crypto maar het is hem boven het hoofd gegroeid. Hierdoor ontbreekt bij verdachte het voor oplichting vereiste oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Ten aanzien van de ten laste gelegde verduistering (feit 1, primair, tweede cumulatief/alternatief) heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft de geldopnames namelijk gezien als een voorschot op verwacht rendement, zodat van opzet op verduistering geen sprake is geweest. Subsidiair dient het verduisterde bedrag te worden verminderd met de gelden die aan inleggers zijn uitgekeerd. Nu verdachte die gelden niet voor zichzelf heeft gehouden, kunnen die gelden niet worden aangemerkt als te zijn verduisterd.

Indien verdachte van de ten laste gelegde oplichting en verduisterding wordt vrijgesproken, moet verdachte ook van de ten laste gelegde witwasverdenking (feit 2) worden vrijgesproken. Immers kan dan niet worden gesteld dat het geld van misdrijf afkomstig is. Komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van oplichting of verduistering dan geldt voor de overboekingen van [medeverdachte 1] naar de privérekeningen van verdachte en naar de rekening van [medeverdachte 2] , dat verdachte de gelden enkel voorhanden heeft gehad, zodat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van verduistering, geldt datzelfde voor de privéuitgaven die zijn gedaan vanaf de rekening van [medeverdachte 1] . Wat betreft de overboekingen aan derden moet verdachte dan partieel worden vrijgesproken, omdat verdachte in dat geval niet meer over de gelden beschikte om witwashandelingen mee te verrichten. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van oplichting, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de privéuitgaven vanaf de rekeningen van [medeverdachte 1] en de overboekingen aan derden.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (onder feit 1, primair eerste cumulatief/alternatief) en aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2). De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

3.4.1.

Het oordeel over de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van oplichting is vereist dat verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Dit door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen. Verdachte moet hiervoor een of meer van de in artikel 326, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt. Anderen moeten daardoor zijn bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Voor beantwoording van de vraag of in dit geval de inleggers van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

In de tenlastelegging worden de wettelijke oplichtingsmiddelen in acht feitelijke gedragingen uitgewerkt die de rechtbank hierna zal bespreken. De rechtbank stelt daarbij de volgende feiten en omstandigheden vast en maakt daarna een vergelijking tussen hetgeen door verdachte is voorgespiegeld en de werkelijke situatie.

- Het voorgewende

Ad 1. het zich voordoen als bonafide belegger

Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) is op 8 februari 2018 de besloten vennootschap [medeverdachte 1] opgericht. Enig bestuurder van [medeverdachte 1] is [verdachte] . [verdachte] is enig aandeelhouder, omdat [verdachte] ook enig bestuurder is van [naam stichting] , zijnde enig aandeelhouder van [medeverdachte 1] . Het kantoor van [medeverdachte 1] is gevestigd op de [adres kantoor] . Ook beschikt [medeverdachte 1] over een website. Op de website van [medeverdachte 1] valt te lezen dat Bitnextfast het eerste platform is waar kan worden geïnvesteerd in het day-traden van cryptocurrencies, waarbij [medeverdachte 1] zijn rendement behaalt door cryptocurrency aan te kopen en te verkopen op basis van day-trades. Op de website wordt verdere uitleg gegeven over [medeverdachte 1] en over de werkwijze van [medeverdachte 1] . Verder is er een ‘veel gestelde vragen’-pagina en kan contact met [medeverdachte 1] worden opgenomen. Ook kan een account worden aangemaakt, waar inleggers hun behaalde winsten in een persoonlijke wallet krijgen uitgekeerd. Hierna hebben zij de keuze om die winst direct te laten uitkeren of te herinvesteren. Als reden waarom men voor [medeverdachte 1] zou moeten kiezen is op de website opgenomen dat zij door hun jarenlange ervaring en expertise de markt kennen en weten wanneer zij moeten kopen en verkopen, [medeverdachte 1] 24/7 actief is op de cryptomarkt en door middel van hun vele investeerders een groot kapitaal heeft kunnen opbouwen, waardoor zij hogere winsten kunnen behalen.

Ook maakte [medeverdachte 1] reclame op Facebook, zo blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 1] over hoe hij met [medeverdachte 1] in contact is gekomen. [getuige 1] verklaarde daarnaast: “ [verdachte] heeft mij verteld dat er 24 uur per dag werd getrade door [medeverdachte 1] ” en “hij vertelde mij dat hij zo’n twee tot drie jaar ervaring had in het beleggen in cryptocurrencies en ook al drie jaar met zijn bedrijf [medeverdachte 1] bij het WTC zat in Amsterdam” en “ [verdachte] kwam betrouwbaar over”. Door getuige [getuige 2] is verklaard: “ [verdachte] vertelde mij dat er meerdere trades per dag werden gemaakt en dat er onder aan de streep altijd wel een positief rendement was” en “Ik ben ook bij [verdachte] op kantoor geweest. Dat gaf ook het nodige vertrouwen”. Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij bij [verdachte] op het kantoor op de [adres kantoor] is langs gegaan, hetgeen hem heeft getriggerd om verder te investeren bij [medeverdachte 1] .

Gelet op voornoemde stelt de rechtbank vast dat door [verdachte] het bedrijf [medeverdachte 1] is opgericht. [medeverdachte 1] hield kantoor aan de [adres kantoor] , waar inleggers zijn ontvangen. Verder beschikte [medeverdachte 1] over een website, waarop over de werkwijze en jarenlange ervaring van [medeverdachte 1] valt te lezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat [verdachte] middels zijn mededelingen, gedragingen en presentatie, zich met [medeverdachte 1] heeft voorgedaan als een betrouwbare beleggingsmaatschappij.

Ad 2. het voordoen alsof zij jarenlange ervaring hebben met handel in cryptovaluta

De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] heeft doen voorkomen dat hij en [medeverdachte 1] jarenlange ervaring hadden met de handel in crypto. Zo valt op de website van [medeverdachte 1] te lezen: “Onze traders zijn professioneel en goed geschoold” en “Door onze jarenlange ervaring en expertise kennen wij de markt heel goed en weten we precies wanneer wij moeten kopen en verkopen”. Daarnaast is de jarenlange ervaring door [verdachte] uitgedragen in het contact dat hij had met de inleggers. Zo is niet alleen door getuige [getuige 1] verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld twee tot drie jaar ervaring te hebben, ook voor getuige [getuige 4] is de jarenlange ervaring een reden geweest om te investeren. Zo heeft [getuige 4] verklaard: “Omdat ik er te weinig kennis van heb, heb ik het bij een bedrijf belegd wat de expertise in huis had. Die expertise stond op de site vermeld”.

Ad 3. het voordoen alsof de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in handel in crypto;

Bij de investeerders van [medeverdachte 1] is op verschillende manieren de indruk gewekt dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in crypto. Allereerst vermeldt de website van [medeverdachte 1] onder het kopje ‘verdienmodel’ dat aan [medeverdachte 1] overgemaakte bedragen automatisch door [medeverdachte 1] worden omgezet in cryptocurrency. Ook worden op de website verschillende scenario’s geschetst, waarbij is opgenomen: “Uw deelname bedraagt € 5.000,- . Met uw inleg kopen wij bitcoin aan op een prijs van € 5.000,-”. Net als wat hierover op de website staat vermeld, is ook door [verdachte] steeds meegedeeld dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd. Zo is door getuige [getuige 1] verklaard: “ [verdachte] vertelde dat hij met de hele inleg zou gaan traden”. Dit wordt bevestigd door getuige [getuige 5] : “ [verdachte] vertelde mij dat mijn volledige inleg geïnvesteerd werd in cryptocurrency”. Bovendien heeft ook verdachte op zitting erkend dat de afspraak was dat van de gehele inleg crypto zou worden aangeschaft.

Ad 4. het voordoen alsof met de handel in crypto (dagelijkse) winst werd gegenereerd;

Via verschillende communicatiekanalen is het beeld geschetst dat met de handel in crypto dagelijks winst werd gegenereerd. Zo springt allereerst op de beginpagina van de website van [medeverdachte 1] het dikgedrukte kopje ‘Elke trade rendement’ in het oog. In de tekst wordt toegelicht dat [medeverdachte 1] gemiddeld tien trades per dag maakt, waarvan elke avond de actuele winst zichtbaar is. Maar ook op de pagina ‘over ons’ valt te lezen dat [medeverdachte 1] dagelijks bezig is met het analyseren van cryptocurrencies om deelnemers het maximale rendement per dag te kunnen bieden. Onder het kopje ‘Eenvoudig je rendement berekenen’ wordt verder toegelicht dat [medeverdachte 1] rendement behaalt door cryptocurrency aan te kopen en te verkopen op basis van day-trades. Daarnaast wordt op de ‘veel gestelde vragen pagina’ uitgelegd dat ook winst kan worden behaald indien de prijs daalt. Tot slot is een banner opgenomen ‘Meld je nu aan’, waarbij als derde stap is opgenomen: “ontvang dagelijks rendement”. Door [naam vriendin] , de vriendin van [verdachte] die voor [medeverdachte 1] de administratie verzorgde, is hierover verklaard dat zij dagelijks de door [verdachte] bepaalde dagwinsten op de site heeft verwerkt. Voor de inleggers is dan ook dagelijks rendement zichtbaar geweest. [verdachte] heeft verklaard dat er ook dagelijks rendement werd uitgekeerd aan de inleggers op de dagen dat er verliezen waren geleden. Hij deed dit om de investeerders tevreden te houden. Eventuele twijfels die bij investeerders bestonden over deze immer positieve resultaten zijn door [verdachte] weggenomen. Zo is door getuige [getuige 2] verklaard dat hij hier wel eens naar heeft gevraagd en dat [verdachte] hem daarop heeft verteld dat er meerdere trades per dag werden gemaakt en dat er onder aan de streep altijd wel een positief rendement was. Getuige [getuige 6] heeft op zijn beurt verklaard ervan versteld te staan dat het kon dat hij elke dag winst maakte. [verdachte] heeft hem verteld dat hij met het ingelegde geld startte met traden voor die dag en dat hij aan het eind van de dag weer verkocht, waarbij het rendement werd verdeeld over de investeerders.

Door de tekst op de website van [medeverdachte 1] , de mededelingen van [verdachte] en het daadwerkelijk dagelijks publiceren en uitkeren van rendement (ook op dagen dat er verliezen waren geleden), is naar het oordeel van de rechtbank bij de inleggers de indruk gewekt dat dagelijks winst werd gegenereerd.

Ad 5. het voordoen alsof een rendement tussen de 0,5 en 1% per dag werd behaald en uitgekeerd;

Aan de inleggers is voorgehouden dat zij winsten tot wel 1% per dag konden behalen en konden laten uitkeren. In steeds terugkerende tekstvakken op de website valt te lezen “Laat elke 24 uur uw rendement keren. Verdien soms tot wel 1% per dag” en onder het dikgedrukte kopje “Tot 1% rendement per dag” is opgenomen: “Ons streven is 1% per dag rendement te behalen. Het gemiddelde hangt rond de 0,5%”. Ook is opgenomen dat aan het einde van de dag behaalde winsten direct worden uitgekeerd in de persoonlijke wallet, waarna er voor kan worden gekozen om de winst direct te laten uitkeren of te laten herinvesteren. Door getuige [getuige 5] is bevestigd dat deze toezeggingen ook in persoon door [verdachte] zijn gedaan. Zo heeft [getuige 5] verteld: “ [verdachte] vertelde dat er ongeveer 1% rendement behaald kon worden. En dat stond ook vermeld op de website”. Meerdere inleggers hebben verklaard te hebben geïnvesteerd vanwege de rendementsverwachting en uitkeringen die daadwerkelijk zijn geschied. Over de hoogte van de uitgekeerde rendementen heeft getuige [getuige 4] verklaard: “vaak was het uitgekeerde rendement iedere dag ongeveer 0,4%-0,5% met soms uitschieters naar onder/boven. Dit klopte dus ongeveer met de 1% die op de website stond. De mensen die ik kende kregen echt daadwerkelijk geld uitgekeerd. Er was dus een groot vertrouwen”. En ook getuige [getuige 3] heeft verklaard: “het rendement zag je ‘s avonds op je account. Dit was vaak tussen de 0.5%-0,7%. Als ik besloot tot uitbetalen stond het de volgende dag op mijn rekening”.

Ad 6. het voordoen alsof er een laag risico was door een ‘stoploss’ van 3% en een verzekerd bedrag van € 225.000,-

Naast toezeggingen over verwacht rendement heeft [verdachte] op verschillende manieren doen voorkomen dat er een laag risico was bij het investeren in [medeverdachte 1] . Op de website van [medeverdachte 1] worden daartoe twee garanties gesteld, namelijk een stoploss van 3% en een verzekerd bedrag van € 225.000,-.

Zowel op de pagina ‘over ons’ als op de pagina met ‘veel gestelde vragen’ is opgenomen dat er een laag risico is voor de belegger, omdat [medeverdachte 1] een maximale stoploss van 3% per trade hanteert. Men kan dus nooit meer dan 3% van de inleg verliezen.

Verder staat op de pagina van ‘veel gestelde vragen’ vermeld dat “tegoeden van [medeverdachte 1] , mits deze op het [naam platform] platform zijn gedeponeerd (wat zij overigens ALTIJD doen), zijn verzekerd tot 250.000 USD of een equivalent daarvan aan bitcoins”. Op de beginpagina wordt dezelfde garantie omschreven als: “Wij zijn actief op het platform [naam platform] . Zij verzekeren uw inleg tot een maximum bedrag van € 225.000,-”. Dat deze garanties ook aan de investeerders kenbaar zijn gemaakt blijkt uit verschillende getuigenverklaringen. Zo heeft getuige [getuige 3] verklaard: “ [verdachte] heeft gezegd dat er geen risicovolle trades werden gedaan en dat sprake was van een stoploss. Dit klonk allemaal heel goed en betrouwbaar. Het feit dat volgens [verdachte] deze stoploss gehanteerd werd , geeft vertrouwen”. Getuige [getuige 7] heeft over de beloftes die zijn gedaan door [medeverdachte 1] verklaard: “Ook was de inleg verzekerd tot maximaal € 225.000. Daarnaast dat zij een stoploss van 3% hanteren”.

Ad 7. het voordoen alsof een inlegger binnen acht dagen de inleg terug kon krijgen en dagelijks uitbetalingen zouden krijgen, terwijl deze uitbetalingen feitelijk werden gefinancierd door middel van ingelegde geldbedragen van andere inleggers;

Meerdere investeerders hebben als reden voor hun investering genoemd dat andere inleggers daadwerkelijk de rendementen kregen uitgekeerd, net als het bestaan van de mogelijkheid om de inleg op ieder moment terug te krijgen.

Op de website is een banner opgenomen: “Laat elke 24 uur uw rendement uitkeren”. Uit de overige inhoud van de website blijkt dat wanneer men is ingelogd in een account, middels de knop ‘geld opnemen’ het rendement kan worden opgenomen. [verdachte] heeft erkend elke dag rendement te hebben uitbetaald, los van de vraag of winst of verlies was gemaakt. Dit omdat [verdachte] de investeerders tevreden wilde houden.

Voor wat betreft het terugvragen van de inleg blijkt uit de pagina ‘veel gestelde vragen’ dat inleggers door een e-mail te sturen (een deel van) de inleg binnen 8 werkdagen op de rekening terug gestort zouden krijgen. [getuige 6] heeft hierover verklaard: “ [verdachte] heeft destijds aan het begin ook aangegeven dat we op ieder moment onze inleg konden terugkrijgen wanneer wij dit nodig hadden”. Om deze mededelingen kracht bij te zetten heeft [verdachte] ook daadwerkelijk uitbetalingen verricht aan inleggers, waaronder aan [getuige 6] . [getuige 6] heeft hierover toegelicht: “Het mooiste is, ik ging financiering aanvragen bij de bank voor een pand dat ik zou gaan aankopen. (…) [medeverdachte 1] heeft het toen ook gestort. En dan ga je er helemaal in geloven”. Naast getuige [getuige 6] heeft ook getuige [getuige 3] - net als anderen - verklaard dat, naast dat hij elke dag rendement kreeg uitbetaald op zijn rekening, hij ook mensen kent die de inleg hebben teruggekregen, nadat zij ervoor hebben gekozen om de inleg volledig te laten uitbetalen.

Ad 8. het verzwijgen dat ingelegde geldbedragen zouden worden aangewend voor privébestedingen.

De investeerders van [medeverdachte 1] waren niet op de hoogte van de privébestedingen die [verdachte] heeft gedaan van het geld dat op de rekeningen van [medeverdachte 1] stond, zo blijkt uit de verklaringen die meerdere investeerders hebben afgelegd, inhoudende dat zij daarvoor nooit toestemming hebben gegeven en zij hun inleggeld nooit zouden hebben betaald, indien zij zouden hebben geweten dat deze gelden zouden worden aangewend voor privédoeleinden.

- De werkelijkheid

De werkelijkheid was echter anders dan de door [verdachte] en [medeverdachte 1] gewekte indruk. Anders dan is vermeld op de website en dan is medegedeeld door [verdachte] , was [medeverdachte 1] geen bedrijf met jarenlange ervaring in day-traden met crypto. [medeverdachte 1] was pas net opgericht, namelijk op 8 februari 2018. Als traders bij [medeverdachte 1] waren in dienst [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en later ook [naam 4] . Gevraagd naar hun ervaring met de handel in crypto, blijkt van professioneel en goed geschoolde traders geen sprake. Zo heeft [naam 1] , de schoonvader van [verdachte] , hierover verklaard: “Ik had geen ervaring met het traden in cryptocurrencies. Ik wist wel van het bestaan af” en heeft [naam 2] , een neef van verdachte, verklaard: “Ik had nog niet echt ervaring met bitcoin, ik weet er alleen van via vrienden die het ooit aangeschaft hadden. [verdachte] en [naam 3] hebben mij on the job getraind”. Ook trader [naam 3] , een vriend van verdachte, heeft desgevraagd toegelicht dat hij sinds een jaar als hobby in crypto handelt. Dat ook [verdachte] geen jarenlange ervaring had volgt uit zijn verklaring op zitting dat van jarenlange ervaring geen sprake was, maar dat hij zich er wel in had verdiept. Ook is er de verklaring van [naam 4] , inhoudende dat [verdachte] ( [verdachte] ) zijn cursus heeft gekocht. Vervolgens is [naam 4] door [verdachte] benaderd met de vraag [verdachte] vaker tips te geven en hem te leren analyseren. [naam 4] , de enige waarvan mogelijk kan worden gesteld kennis met de handel in crypto te hebben, is echter pas op 17 april 2018 bij [medeverdachte 1] in dienst getreden.

Anders dan [verdachte] heeft doen voorkomen is uit onderzoek door de FIOD naar de geldstromen gebleken dat niet de gehele inleg van 5,6 miljoen euro is geïnvesteerd in crypto, maar dat slechts voor een bedrag van € 676.333,- crypto is aangekocht. Na 8 mei 2018 zijn er geen cryptocurrencies meer aangekocht door/namens [medeverdachte 1] , terwijl na die datum nog € 3.892.232 euro door inleggers is geïnvesteerd. Hierover is door [verdachte] verklaard dat het klopt dat niet het gehele geldbedrag naar de exchange is overgeheveld, en dat de reden daarvan de voorzichtige houding van banken was, waardoor het niet mogelijk was om crypto’s te liquideren. Ondanks het uitblijven van investeringen in crypto’s en het uitblijven van de mogelijkheid om crypto’s te liquideren, heeft [verdachte] van de inleggelden wel op grote schaal privé-uitgaven gedaan. Zo is door [verdachte] een bedrag van € 648.710,-van de bankrekeningen van [medeverdachte 1] overgeboekt naar zijn privérekeningen, waarvan een bedrag van € 277.995,- vervolgens contant is opgenomen. Verder heeft [verdachte] vanaf de bankrekeningen van [medeverdachte 1] gelden aangewend voor privé-uitgaven tot een bedrag van € 314.365,-, zoals onder meer voor de huur van een appartement in Amsterdam, een langdurig verblijf in het Conservatoriumhotel, de huur van privévliegtuigen en een vakantie op Ibiza. Daarnaast is vanaf de bankrekening van [medeverdachte 1] € 220.751,- overgemaakt aan derden, zoals aan de vriendin van [verdachte] en aan een kennis van [verdachte] . Van laatstgenoemde kennis heeft [verdachte] deze bedragen weer contant ontvangen, zodat [verdachte] daarvan bestaande schulden kon aflossen. Ook is € 100.000,- overgemaakt aan [medeverdachte 2] , een vastgoedbedrijf van [verdachte] .

[verdachte] heeft verder bekend dat de inleggelden feitelijk werden gebruikt om - zowel bij winst als verlies - rendementsuitkeringen te doen en inleggelden aan andere investeerders terug te betalen. Hiermee wilde [verdachte] de investeerders naar eigen zegge tevreden houden. Hoewel aan investeerders dagwinsten oplopend tot 1% zijn voorgehouden, heeft [verdachte] bekend de dagelijkse rendementsuitkeringen te hebben verzonnen. In werkelijkheid is namelijk van winst helemaal geen sprake geweest. Sterker nog, uit onderzoek door de FIOD is zelfs vastgesteld dat in de periode van februari 2018 tot en met juli 2018 een verlies van € 235.717,- is geleden.

Ook de door [verdachte] en [medeverdachte 1] gedane toezeggingen over de beperkingen van een eventueel verlies, zijn niet nagekomen. Zo is uit onderzoek van de FIOD gebleken en door [verdachte] erkend dat niet bij elke trade een stoploss van 3% is gehanteerd. En bij het raadplegen van de website van [naam platform] door de FIOD, is gebleken dat de verzekering waarnaar door [medeverdachte 1] wordt verwezen, alleen geldt voor Amerikaanse klanten en alleen als deze tegoeden in fiat valuta (zoals euro’s of dollars) worden aangehouden. Niet-Amerikaanse inleggers van [medeverdachte 1] kunnen daarom geen aanspraak maken op deze verzekering.

- De oplichtingsmiddelen

Gelet op het bovenstaande staat vast dat [verdachte] in strijd met de waarheid mededelingen heeft gedaan over [medeverdachte 1] . De volgende vraag die moet worden beantwoord is of [verdachte] hierbij gebruik heeft gemaakt van één van de in de artikel 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen, te weten het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Gelet op de zojuist besproken acht gedragingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd zal de rechtbank zich beperken tot de vraag of [verdachte] gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.

Listige kunstgrepen

Van listige kunstgrepen is sprake in geval van bedrieglijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat verdachte in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in crypto, dat een stoploss werd gehanteerd en dat inleggelden waren verzekerd tot een maximaal bedrag van € 225.000,-. Ook is van een jarenlange ervaring met de daghandel in crypto geen sprake geweest. Meer in het bijzonder vindt de rechtbank het fingeren van de dagwinsten op de website van [medeverdachte 1] een bedrieglijke handeling, die geschikt is om de valse voorstelling van winst uit het day-traden met crypto bij inleggers ingang te doen vinden. Om daaraan kracht bij te zetten heeft [verdachte] bovendien rendementsuitkeringen en terugbetalingen van de inleg verricht, terwijl deze uitbetalingen in feite werden voldaan uit geld dat door andere investeerders was ingelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich heeft bediend van listige kunstgrepen.

Samenweefsel van verdichtsels

Om van een samenweefsel van verdichtsels te kunnen spreken moet sprake zijn van een opeenstapeling van leugens. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Via de website van [medeverdachte 1] en door [verdachte] in persoon is een groot aantal toezeggingen gedaan. Deze hiervoor besproken toezeggingen betreffen een groot aantal onware mededelingen, zodat dit een opeenstapeling van leugens oplevert. De wijze waarop deze mededelingen werden gepresenteerd heeft bovendien bijgedragen aan hun vertrouwenwekkende en indringende aard. Zo is voorgewend dat sprake was van jarenlange ervaring en is door daadwerkelijk rendementen op accounts bij te schrijven en uitkeringen te doen, door [verdachte] vertrouwen opgewekt. Met het aantal onware mededelingen en gedragingen in hun onderlinge samenhang bezien, afgezet tegen de werkelijkheid, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.

- Causaal verband

De rechtbank stelt verder vast dat de inleggers van [medeverdachte 1] door voornoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden. De rechtbank heeft hierbij de verklaringen van de getuigen in aanmerking genomen, waarvan de rechtbank enkele zal noemen, maar waartoe de rechtbank zich niet uitsluitend beperkt. Zo heeft onder andere getuige [getuige 7] verklaard: “Ik heb mij naar aanleiding van de verhalen en de bevestiging van mijn familie dat er rendementen uitbetaald werden en de informatie op de site, ingeschreven als belegger. De site zag er professioneel uit, er werd op de website een stoploss van 3% gegarandeerd en dat zij mijn inleg verzekerden voor maximaal € 225.000,-”.

Ook [getuige 8] heeft op de vraag waarom hij bij [medeverdachte 1] is gaan investeren geantwoord: “Investeren in cryptocurrency bij [medeverdachte 1] was laagdrempelig, omdat ik zo kon stoppen en mijn geld kon terug krijgen. Daarnaast waren er dus de positieve verhalen uit mijn omgeving. Ik heb daarnaast ook geen verstand van cryptocurrency. Het is voor mij een meerwaarde om de kennis en kunde in cryptocurrency van [medeverdachte 1] te kunnen benutten.” Tot slot heeft ook [getuige 6] verklaard dat de informatie die hem heeft overtuigd om in [medeverdachte 1] te gaan investeren bestond uit bekende Nederlanders en collega’s die er in investeerden, de hoogte van de rendementen, het uitbetalen van het rendement, het direct uitbetalen van de inleg toen hij daarom vroeg en omdat [verdachte] altijd bereikbaar was.

- Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn intenties altijd goed zijn geweest, maar dat het hem boven het hoofd is gegroeid. Nu [verdachte] hiermee ontkent het oogmerk te hebben gehad om zichzelf dan wel een ander te bevoordelen, moet de rechtbank toetsen in hoeverre zijn gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op een dergelijke bevoordeling. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

[medeverdachte 1] is op 8 februari 2019 van start gegaan. Daaraan voorafgaand konden inleggers al geld overmaken via de rekening van [naam bedrijf 1] , een ander bedrijf van [verdachte] . Uit een door de FIOD opgestelde lijst met ingelegde gelden volgt dat het eerste geld al op 2 januari 2018 via de rekening van [naam bedrijf 1] is ontvangen. Het door verdachte gestelde voornemen om de gehele inleggelden te investeren in crypto is nooit gerealiseerd, ondanks dat dit herhaaldelijk op de website staat vermeld en tijdens gesprekken met inleggers door [verdachte] is verteld. Hoewel er nauwelijks geld werd geïnvesteerd in crypto, bleven tot en met 26 juli 2018 de inleggelden binnenstromen. In totaal is op de bankrekeningen van [naam bedrijf 1] en [medeverdachte 1] in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 een bedrag van € 5.643.945,- ingelegd. Van de ingelegde gelden is voor de aanschaf van crypto in totaal slechts een bedrag van € 676.333,- overgemaakt aan Bitonic. Daarentegen heeft [verdachte] met de inleggelden wel vaak hoge privé-uitgaven voor zichzelf en anderen gedaan.

Anders dan door [verdachte] is gesteld kunnen dit geen voorschotten op te verwachten winst betreffen. De gelden zijn namelijk niet gebruikt voor de handel in crypto, zodat van een dergelijk hoog voorschot op de winst uit die handel geen sprake kan zijn. Daarbij komt dat [verdachte] heeft bekend niet voldoende geld te hebben gehad om de inleggers terug te betalen, op het moment dat alle inleggers eruit zouden willen stappen. Hoewel verdachte heeft ontkend deze intentie te hebben gehad, kan volgens de rechtbank daarom worden vastgesteld dat [verdachte] met de door hem gedane privé-uitgaven zichzelf en anderen heeft bevoordeeld. Dat deze bevoordeling ook wederrechtelijk was, volgt uit de omstandigheid dat [verdachte] inleggers middels voornoemde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van de geldbedragen, terwijl hij wist dat hij de gelden zou gebruiken voor andere doeleinden dan voor de handel in crypto. De rechtbank is gezien het tijdsverloop verder van oordeel dat [verdachte] dit oogmerk vanaf het begin heeft gehad. Uit een analyse van de bankrekeningen door de FIOD volgt namelijk dat [verdachte] al op 15 januari 2018 gelden vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] heeft overgeboekt naar zijn privérekening, om deze gelden vervolgens nog diezelfde dag contant op te nemen. In totaal heeft [verdachte] in de maand januari 2018 vanaf de rekening van [naam bedrijf 1] een bedrag van € 21.500 contant opgenomen, terwijl hij in die maand slechts € 5.600 aan crypto heeft aangeschaft.

Gelet hierop zijn de gedragingen van [verdachte] er naar hun uiterlijke verschijningsvorm vanaf het begin op gericht geweest om hemzelf en anderen te bevoordelen en had hij dus het vereiste oogmerk van die wederrechtelijke bevoordeling. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt door de rechtbank verworpen.

- Tussenconclusie

Gelet op het bovenstaande heeft [verdachte] door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels de investeerders van [medeverdachte 1] bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (feit 1, primair, eerste cumulatief/alternatief). Nu de tenlastelegging ziet op de afgifte van een geldbedrag, zal de rechtbank dit bedrag voor de bewezenverklaring op € 5.643.945 vaststellen. Hoewel het meerdere, zijnde de directe inleg van cryptocurrency, een financiële waarde vertegenwoordigt, betreft dit juridisch gezien geen geldbedrag.

Periode waarin de oplichting is gepleegd

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een bewezenverklaring van oplichting in de gehele ten laste gelegde periode, dus vanaf 1 januari 2018. Van belang daarbij is dat aan het toevertrouwen van geld aan een beleggingsmaatschappij door investeerders, doorgaans een proces voorafgaat. Dat proces kan bijvoorbeeld bestaan uit het op de hoogte raken van het bestaan van de beleggingsmaatschappij, het vergaren van informatie over die maatschappij, haar werkwijze, de risico’s en reeds behaalde resultaten. De datum waarop geld is geïnvesteerd, hoeft om die reden niet per se ook de datum te zijn waarop de oplichting is begonnen. Bovendien zijn vanaf 2 januari 2018 gelden ingelegd op de rekening van [naam bedrijf 1] . Van deze inleggelden zijn al vanaf 15 januari 2018 bedragen overgeboekt naar de privérekeningen van [verdachte] . Hoewel [medeverdachte 1] pas sinds 8 februari 2018 bij de KvK is ingeschreven, blijkt uit het voorgaande dat de oplichting ook voorafgaand aan de oprichting van [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden.

Vrijspraak van medeplegen

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank verder van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] de oplichting samen met anderen heeft begaan. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met [naam vriendin] omdat er te weinig aanwijzingen zijn dat zij het oogmerk heeft gehad om inleggers middels listige kunstgrepen te bewegen tot de afgifte van geldbedragen.

De rechtbank komt in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] ook tot een bewezenverklaring van oplichting. Zoals in het vonnis van [medeverdachte 1] wordt overwogen kunnen de gedragingen aan [medeverdachte 1] als rechtspersoon worden toegerekend, omdat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hoewel juridisch gezien [verdachte] en [medeverdachte 1] van elkaar kunnen worden onderscheiden, zijn de gedragingen van [verdachte] en van [medeverdachte 1] in hoge mate met elkaar te vereenzelvigen. [verdachte] was immers enig bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte 1] . Aan het strafbare handelen door [medeverdachte 1] is in feite leiding gegeven door [verdachte] . De enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van [verdachte] aan [medeverdachte 1] kan worden toegerekend, is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de oplichting samen hebben gepleegd (vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5140).

Gelet op voornoemde zal [verdachte] dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Vrijspraak van het onderdeel ‘het verzwijgen dat ingelegde geldbedragen zouden worden aangewend voor privébestedingen’ (ad 8)

De rechtbank spreekt verdachte van dit onderdeel vrij, omdat niet valt in te zien hoe het verzwijgen van deze privé-uitgaven de investeerders ertoe heeft bewogen om geld in te leggen.

3.4.2.

Het oordeel over de onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering

Nu de rechtbank, zoals hiervoor besproken, tot een bewezenverklaring van oplichting over de gehele ten laste gelegde periode is gekomen, zal [verdachte] van de ten laste gelegde vormen van verduistering worden vrijgesproken. Aangezien [verdachte] de inleggelden namelijk door middel van oplichting onder zich heeft gekregen, kan geen sprake meer zijn van verduistering omdat daarvoor is vereist dat de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich had.

3.4.3.

Het oordeel over het onder feit 2 ten laste gelegde (witwassen)

Om tot een bewezenverklaring van witwassen te kunnen komen is vereist dat een goed - in dit geval het geldbedrag van € 1.283.826,- - van misdrijf afkomstig is, dat verdachte dat wist en dat verdachte met het goed witwashandelingen heeft verricht.

De rechtbank begrijpt dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen betrekking hebben op een deel van het geld dat is ingelegd bij [medeverdachte 1] . Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan worden bewezen dat deze inleggelden afkomstig zijn uit oplichting en - omdat de oplichting volgens dit vonnis en dat van [medeverdachte 1] is gepleegd door [verdachte] en door [medeverdachte 1] - dat verdachte dat ook wist. Dit betekent dat voor deze verdachten sprake is van geld dat afkomstig is uit een door henzelf gepleegd misdrijf (eigen misdrijf). Door de raadsman is ten aanzien van de gelden die zijn overgeboekt naar de privérekeningen van [verdachte] en naar de rekening van [medeverdachte 2] daarom een beroep gedaan op rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Die rechtspraak komt erop neer dat als een verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden gehad, terwijl aannemelijk is dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit een door hem zelf begaan misdrijf, uit de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Korter gezegd: als het voorwerp (geldbedrag) onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, moet er sprake zijn van gedragingen die zijn gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de inleggelden in dit geval niet slechts heeft verworven en voorhanden heeft gehad maar dat [verdachte] daarmee ook andere witwashandelingen heeft verricht. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman op dit punt. De rechtbank zal in de tekst hierna uitleggen waarom.

A. Overboekingen vanaf rekeningen van [medeverdachte 1] naar privérekeningen van [verdachte]

Er is een totaalbedrag van € 648.710,- overgeboekt van rekeningen van [medeverdachte 1] naar privérekeningen van [verdachte] . Hiermee is dat geld in het bezit van een ander gekomen, want het geld is van de rekening van een rechtspersoon naar een privérekening op naam van verdachte overgemaakt. Daarbij komt dat een deel van het geld naar een rekening in het buitenland is overgemaakt. Hiermee is dat geld aan het zicht van de fiscus onttrokken. Ook is een substantieel deel van het overgeboekte geld, namelijk € 277.995,-, vervolgens contant opgenomen door [verdachte] . Dat geld is hierdoor omgezet van giraal naar chartaal geld en daarmee wordt de paper trail doorbroken. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de gelden die vanaf de rekeningen van [medeverdachte 1] zijn overgeschreven naar de privérekeningen van [verdachte] , heeft overgedragen en (gedeeltelijk) heeft omgezet en dat dit kan worden gekwalificeerd als witwassen.

Uitgaven vanaf rekeningen [medeverdachte 1] voor privébestedingen

Vanaf de rekeningen van [medeverdachte 1] zijn ook rechtstreeks privé-uitgaven gedaan voor een bedrag van € 314.365,-. Gelden van inleggers (en dus geld dat door oplichting door [medeverdachte 1] is verkregen) zijn besteed aan onder andere de huur van privéjets, een appartement in Amsterdam en een verblijf in het Conservatoriumhotel. Het doen van deze uitgaven kan worden gekwalificeerd als witwassen door het omzetten en gebruik maken van uit misdrijf verkregen geld. In deze situatie is de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde.

Overboekingen van rekeningen [medeverdachte 1] naar rekeningen van derden

Uit onderzoek van de FIOD volgt dat € 220.751,- van rekeningen van [medeverdachte 1] is overgeboekt naar rekeningen van derden, waaronder € 76.257,- naar een rekening op naam van [naam vriendin] en € 137.590,- naar een rekening die op naam staat van [naam 5] . Door het overdragen van dit geld is het geld in het bezit van een ander gekomen en deze bezitters hebben daardoor feitelijke zeggenschap over de gelden gekregen. [naam 5] heeft verklaard dat hij het overgemaakte geld vervolgens contant opnam en weer aan [verdachte] gaf. Het overboeken van het geldbedrag van € 220.751,- kan daarom worden gekwalificeerd als witwassen door het overdragen en omzetten van uit misdrijf verkregen geld. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is niet van toepassing.

Overboekingen van rekening [medeverdachte 1] naar rekening [medeverdachte 2]

Uit bevindingen van de FIOD volgt verder dat een geldbedrag van in totaal € 100.000,- vanaf de rekening van [medeverdachte 1] is overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte 2] . Blijkens een uittreksel van de KvK is [verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder daarvan.. Het geld is dus van de ene rechtspersoon in het bezit gekomen van een andere rechtspersoon. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat daarom geen sprake is van het bijzondere geval waarin het overmaken van het geld niet wezenlijk verschilt van het enkele voorhanden hebben of verwerven ervan (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2913 en ECLI:NL:HR:2014:714). Het overboeken van dit geldbedrag kan dan ook worden gekwalificeerd als witwassen door het overdragen van uit misdrijf verkregen gelden.

Gewoonte

Het witwassen heeft gedurende circa zes maanden, frequent en op verschillende manieren plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 2).

Medeplegen

De rechtbank is verder van oordeel dat tussen verdachte en medeverdachte [naam vriendin] daarbij sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank heeft daarbij allereerst in aanmerking genomen dat [naam vriendin] naar eigen zegge verantwoordelijk was voor de financiële administratie van [medeverdachte 1] . Zij hield bij wat mensen investeerden, herinvesteerden en keerde het rendement uit. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [naam vriendin] heeft meegedeeld in de opbrengsten van de oplichting. Zo is vanaf de rekening van [medeverdachte 1] naar rekeningen ten name van [naam vriendin] 76.257,- overgemaakt. [naam vriendin] heeft hierover verklaard dat tegenover het ontvangen van dit geld van [medeverdachte 1] niet altijd een tegenprestatie heeft gestaan. Ook heeft zij voordeel genoten uit privé-uitgaven die vanaf de rekening van [medeverdachte 1] zijn voldaan, zoals de aanschaf van luxegoederen, de huur van een woning, uitgevoerde privévluchten en (vakantie)verblijven, zoals op Ibiza of in het Conservatoriumhotel inclusief de kosten voor een nanny. Allen betroffen exorbitant hoge uitgaven. Daarbij komt dat [naam vriendin] wist dat deze overboekingen en uitgaven werden bekostigd uit de inleggeleden van [medeverdachte 1] . Zo heeft [naam vriendin] verklaard te weten dat banken niet graag samenwerken met bedrijven die handelen in cryptocurrency en dat de bank dan ook de relatie heeft opgezegd. Van [verdachte] heeft zij vernomen dat behaalde winsten op de exchange bleven staan en dat hij de exchanges niet liet uitkeren op de rekening. Meer specifiek heeft zij over de betalingen aan het Conservatoriumhotel verklaard dat die via de zakelijke rekeningen zijn gegaan, omdat de bank anders vragen had bij zulke grote overboekingen naar de privérekening. Over het via de zakelijke rekening laten verlopen van betalingen van vluchten met privévliegtuigen en een verblijf in Ibiza, heeft [naam vriendin] verklaard dat dit was omdat de banken lastig deden. Gelet op voornoemde verklaringen kan het dan ook niet anders dan dat [naam vriendin] heeft moeten vermoeden, dat het geld waarvan zij eveneens voordeel heeft genoten, van misdrijf afkomstig was. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking, dat sprake is van medeplegen.

Onder verwijzing naar hetgeen hierover in 3.4.1. en in het vonnis in de zaak tegen [medeverdachte 1] is overwogen, is de rechtbank echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen van witwassen met [medeverdachte 1] .

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

al dan niet h.o.d.n. [naam bedrijf 1] en/of [medeverdachte 1] , op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 in Nederland,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

de hierna genoemde personen en andere personen en rechtspersonen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van in totaal EUR 5.643.945,-, te weten onder meer:

- [getuige 1] en [getuige 10] ; en/of

- [getuige 6] ; en/of

- [getuige 9] ; en/of

- [getuige 4] ; en/of

- [getuige 7] ;

immers heeft hij, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan bovengenoemde personen en aan andere personen en rechtspersonen,

onder meer in persoon en/of telefonisch en/of per e-mail en/of middels een website (www.bitnextfast.com) en/of middels facebook en/of middels tussenpersonen medegedeeld en/of voorgewend en/of laten meedelen en/of laten voorwenden dat

1. hij een betrouwbare investeerder en [medeverdachte 1] een betrouwbare beleggingsmaatschappij zijn; en

2. hij en [medeverdachte 1] jarenlange ervaring hebben met handel in cryptovaluta; en

3. de gehele inleg van inleggers zou worden geïnvesteerd in daghandel in cryptovaluta en van die inleg cryptovaluta zou worden aangekocht; en

4. hij en [medeverdachte 1] met daghandel in cryptovaluta dagelijks winst genereerden; en

5. een hoog rendement, tussen 0,5 en 1% per dag, behaald en uitgekeerd zou kunnen worden; en

6. verliezen beperkt werden en er een laag risico was, doordat per trade een maximale stoploss van 3% werd gehanteerd en de inleg voor een maximumbedrag van EUR 225.000 was verzekerd; en

7. een inlegger zijn inleg desgewenst binnen maximaal acht dagen kon terugkrijgen of dagelijks kon opnemen, en een inlegger, onder de noemer rendement, dagelijks uitbetalingen kon laten doen

waardoor bovengenoemde personen en andere personen en rechtspersonen werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018, in elk geval in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk

een geldbedrag van in totaal ongeveer EUR 1.283.826,-, te weten:

A. een geldbedrag van EUR 648.710,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [medeverdachte 1] naar privérekeningen van verdachte, ten behoeve van privébestedingen; en

B. een geldbedrag van EUR 314.365,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [medeverdachte 1] ten behoeve van privébestedingen door hem, verdachte; en

C. een geldbedrag van EUR 220.751,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [medeverdachte 1] naar bankrekeningen ten name van anderen, niet zijnde inleggers; en

D. een geldbedrag van EUR 100.000,-, betreffende overboekingen van een bankrekening ten name van [medeverdachte 1] naar een bankrekening ten name van [medeverdachte 2] ,

hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte wist en zijn mededader redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen en voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel moet een proeftijd van drie jaar worden verbonden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie ziet namelijk een groot recidiverisico vanwege de financiële problemen van verdachte, zijn geldzucht en het gebrek aan reguliere inkomsten. Naast de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte ook als bijzondere voorwaarde op te leggen een verbod op het houden van of gemachtigd zijn tot een zakelijke rekening in binnen- en buitenland of het houden van een particuliere rekening in het buitenland. Daarnaast is door de officier van justitie een beroepsverbod geëist voor de duur van vijf jaar, voor de uitoefening van werkzaamheden als (feitelijk of juridisch) bestuurder van binnenlandse of buitenlandse vennootschappen, beleggingsadviseur, vermogensbeheerder en handelaar in financiële producten, (crypto)valuta of daarvan afgeleide of daaraan onderliggende waarden. Tot slot heeft de officier van justitie ter preventie verzocht om het vonnis tegen verdachte niet-geanonimiseerd te publiceren. Gelet op het recidivegevaar is door de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een grotendeels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Verzocht is om verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te op te leggen. Hierbij is door de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de proceshouding van verdachte en de schending van de redelijke termijn waarbinnen strafzaken moeten worden afgedaan. Van alle door de officier van justitie geëiste bijkomende straffen, heeft de raadsman zich alleen verzet tegen publicatie van het niet-geanonimiseerde vonnis tegen verdachte.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting doordat hij in een periode van een half jaar ongeveer 140 slachtoffers heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. Opgeteld gaat het om een bedrag van ongeveer 5,6 miljoen euro. Zogenaamd als een bedrijf met jarenlange ervaring in het day-traden met crypto en met rendementen oplopend tot wel 1% per dag, beloofde [medeverdachte 1] ‘geld wat stilstaat er weer toe te laten doen’. Echter werd van slechts een fractie van dit bedrag daadwerkelijk crypto aangekocht en was van winst uit de daghandel in crypto helemaal geen sprake. De uitgekeerde rendementen waren rendementen die verdachte zelf heeft verzonnen en werden in werkelijkheid betaald uit de inleggelden van investeerders. Het was verdachte er kennelijk om te doen om op een snelle en makkelijke manier aan geld te komen. Vervolgens heeft verdachte met de inleggelden persoonlijke schulden afgelost, luxe goederen aangeschaft, hotelverblijven en vakanties gefinancierd. Inmiddels zijn zowel verdachte als [medeverdachte 1] failliet en zijn de investeerders de dupe van deze oplichting; zij zullen hun inleg waarschijnlijk niet, of niet volledig terugkrijgen, laat staan dat zij het beloofde rendement kunnen incasseren. Verdachte heeft met zijn handelen grote inbreuk gemaakt op het in hem gestelde vertrouwen.

Met zijn handelen heeft verdachte bovendien meermalen aanzienlijke geldbedragen, die uit deze oplichting afkomstig waren, witgewassen. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna het geld vrijelijk in de legale economie kan worden uitgegeven. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Voor zowel de oplichting als het witwassen heeft de rechtbank het oriëntatiepunt voor fraude als uitgangspunt genomen. Ten aanzien van de oplichting gaat de rechtbank daarbij uit van een benadelingsbedrag van in totaal € 5.643.945,-. Voornoemd oriëntatiepunt geeft als uitgangspunt bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 24 maanden en de maximale gevangenisstraf, zijnde een gevangenisstraf van 4 jaar in het geval van oplichting. Strafvermeerderend heeft de rechtbank daarbij rekening gehouden met de hoogte van het geldbedrag dat inleggers hebben afgegeven en met de omstandigheid dat verdachte dat geld in eigen zak heeft gestoken. Ook het feit dat verdachte hiermee veel slachtoffers heeft gemaakt, rekent de rechtbank verdachte strafverzwarend aan.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Zo heeft verdachte meegewerkt aan het ontgrendelen van de wallets, waardoor de tegoeden die op verschillende accounts van cryptocurrency-websites stonden, kunnen worden aangewend ter (gedeeltelijke) schadeloosstelling van de slachtoffers. Ook heeft de rechtbank de jonge leeftijd van verdachte en de gevolgen van de strafoplegging voor zijn gezin met drie jonge kinderen in aanmerking genomen.

Het strafblad van verdachte, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, heeft de strafoplegging niet beïnvloed.

Op zitting heeft verdachte zijn persoonlijke omstandigheden toegelicht. Naar eigen zeggen hebben zaken vanuit zijn jeugd - zoals het opgroeien tussen mensen met een luxe levensstandaard waaraan hij gewend is geraakt- bijgedragen aan het plegen van deze feiten. Verdachte is kort voor de zitting aangehouden en in voorlopige hechtenis gehouden op verdenking van een soortgelijk feit.. Hij zegt sindsdien veel te hebben nagedacht. Wanneer verdachte weer in vrijheid wordt gesteld, wil hij met behulp van de reclassering een stabiel leven creëren om aan een toekomst voor hemzelf en zijn gezin te werken. Daartoe wil verdachte een baan in loondienst vinden en werken aan zijn schulden. Ook wenst hij in gesprek te gaan met een psycholoog, omdat hij beseft dat het anders moet en hij niet meer op een snelle manier geld kan verdienen.

In het reclasseringsadvies van 15 oktober 2021 - waarvan de rechtbank heeft kennisgenomen, maar dat is opgemaakt ten behoeve van de eerdergenoemde nieuwe verdenking -, is de problematiek die verdachte schetst onderschreven. Door de reclassering is het recidiverisico als gemiddeld ingeschat. Wel ziet reclassering mogelijkheden om verdachte te begeleiden middels de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en het meewerken aan schuldhulpverlening.

Verdachte heeft tijdens de zitting gezegd dat het klopt dat hij wederom een bedrijf voor de handel in crypto heeft opgezet en de inleggelden ook nu heeft gebruikt voor privé uitgaven. Of verdachte zich inderdaad opnieuw schuldig heeft gemaakt aan oplichting en/of witwassen staat nog niet vast, maar deze verklaring van verdachte heeft bij de rechtbank wel de vrees gewekt dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal begaan. Om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan en om verdachte te helpen bij de bij hem bestaande problematiek, ziet de rechtbank dan ook aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke zin op te leggen en daaraan de voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Voor oplegging van de aanvullende bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie is verzocht, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.

Wel ziet de rechtbank in het recidivegevaar aanleiding om ter preventie aan verdachte een beroepsverbod op te leggen voor de duur van vijf jaar. Het beroepsverbod zal gelden voor de uitoefening van werkzaamheden als (feitelijk of juridisch) bestuurder van binnenlandse of buitenlandse vennootschappen, beleggingsadviseur, vermogensbeheerder en handelaar in financiële producten, waaronder cryptovaluta.

Eveneens ter preventie zal de rechtbank de publicatie van het niet-geanonimiseerde vonnis tegen verdachte gelasten op de website www.rechtspraak.nl. De kosten hiervan zullen door de rechtbank op nihil worden geschat. De rechtbank overweegt daarbij dat het belang van de maatschappij en meer specifiek de bescherming van mogelijke toekomstige slachtoffers, moet prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte. De namen van medeverdachten, getuigen en benadeelde partijen zullen conform de anonimiseringsrichtlijnen daarin niet worden vermeld.

Verder is door de raadsman bepleit dat de redelijke termijn waarbinnen strafzaken moeten worden afgedaan, is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak binnen twee jaar met een eindvonnis moet zijn afgerond. In deze zaak is verdachte op 26 juli 2018 aangehouden. Die dag geldt als de dag waarop voornoemde termijn is aangevangen, omdat verdachte daaraan de verwachting heeft mogen ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Dit betekent dat het vonnis vóór 26 juli 2020 had moeten worden uitgesproken. Door de officier van justitie is aangevoerd dat voor fraudezaken met een internationale dimensie, de redelijke termijn tot 5 jaar kan worden verruimd. De rechtbank heeft geconstateerd dat door het Openbaar Ministerie rechtshulpverzoeken aan het buitenland zijn gedaan in verband met tegoeden die zich daar mogelijk bij banken en op cryptoplatforms bevonden, maar dat deze verzoeken al in 2018 zijn gedaan. Verder dateert de laatste nazending van het dossier uit november 2019. Er zijn de rechtbank dan ook geen bijzondere omstandigheden gebleken die verklaren waarom het zo lang heeft geduurd voordat de zaak op zitting is gekomen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden met een periode van ruim een jaar, die niet te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak of aan de verdediging. Deze termijnoverschrijding komt dan ook voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking.

De rechtbank hanteert hierbij de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden de straf met 10 procent moet worden verminderd. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, zoals in deze zaak, moet naar bevind van zaken worden gehandeld.

Alles overwegende zou de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, hebben opgelegd als de zaak tijdig was afgedaan. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank in plaats daarvan aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Hoewel aan verdachte een forse gevangenisstraf zal worden opgelegd, is het uitgangspunt dat verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid mag afwachten. Bovendien ziet de rechtbank geen gronden om de gevangenneming van verdachte te bevelen. De vordering tot gevangenneming zal daarom worden afgewezen.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst die als bijlage 3 bij dit vonnis is opgenomen.

Als gevolg van het faillissement van verdachte zijn alle conservatoire beslagen (ex artikel 94a Sv) door het faillissement van verdachte van rechtswege komen te vervallen, zodat die zaken en vermogensrechten zich al in de failliete boedel bevinden. Overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir, heeft de officier van justitie op zitting toegezegd om ook het resterende deel van de klassieke beslagen (ex artikel 94 Sv) te laten vervallen, zodat ook die beslagen in de failliete boedel komen te vallen en hierover geen beslissing meer van de rechtbank wordt gevraagd.

De nummers 6, 7, 41, 53, 54, 55, 56 en 57 betreffen een uitzondering op die toezegging, nu die voorwerpen cryptotegoeden betreffen die vooralsnog niet konden worden geliquideerd. De officier van justitie heeft verzocht om - ter voorkoming dat deze tegoeden voor altijd in cyberspace verloren gaan - deze voorwerpen verbeurd te verklaren, met de opdracht aan het Openbaar Ministerie om ervoor te zorgen dat deze tegoeden zo veel als mogelijk in de failliete boedel terecht komen, zodat de schuldeisers daarvan kunnen worden gecompenseerd. Gesterkt door een vonnis tot verbeurdverklaring, zal het Openbaar Ministerie de betreffende cryptobeurzen benaderen en hen sommeren om de tegoeden vrij te geven.

De raadsman heeft verzocht om de teruggave aan verdachte te gelasten van de voorwerpen waarop enkel klassiek beslag rust, zodat deze voorwerpen in de failliete boedel zullen vallen.

Verbeurdverklaring voorwerpen opgenomen onder nummers 6, 7, 41, 53, 54, 55, 56 en 57

De voorwerpen opgenomen op de beslaglijst onder de nummers 6, 7, 41, 53, 54, 55, 56 en 57 betreffen cryptotegoeden en behoren aan verdachte toe. Hij zou deze voorwerpen geheel of ten dele te eigen bate kunnen aanwenden. Nu deze voorwerpen geheel uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. De officier van justitie heeft toegezegd de nodige inspanningen te zullen leveren om voornoemde tegoeden binnen de failliete boedel van verdachte en aldus ten goede van de gedupeerde inleggers te laten komen..

Geen beslissing op voorwerpen opgenomen onder overige nummers

Nu van de rechtbank geen beslissing meer wordt verlangd ten aanzien van de overige op de beslaglijst opgenomen voorwerpen - gelet op de toezegging van de officier van justitie om de klassieke beslagen anders dan die hiervoor met nummer zijn genoemd te laten vervallen, ten behoeve van de failliete boedel -, zal de rechtbank ten aanzien van de overige op de beslaglijst opgenomen voorwerpen geen beslissing nemen.

9 Benadeelde partijen

In de strafzaak tegen verdachte hebben zich een groot aantal slachtoffers als benadeelde partij gevoegd en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Een overzicht van de namen en gevorderde bedragen van de benadeelde partijen is als bijlage 4 aan dit vonnis gehecht. Zowel [verdachte] als natuurlijk persoon als de rechtspersoon [medeverdachte 1] zijn echter op 10 november 2020 respectievelijk 28 september 2021 failliet verklaard.

Zowel de officier van justitie als raadsman hebben zich daarom op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de samenloop met voorschriften uit de Faillissementswet.

De rechtbank heeft zowel voorafgaand aan de behandeling van de zaak als op zitting haar voornemen geuit om gebruik te maken van de haar toekomende bevoegdheid om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering. De achtergrond daarvan is de volgende.

Nu de vorderingen - op twee vorderingen na - reeds vóór het faillissement van verdachte zijn ingediend geldt dat deze vorderingen op grond van artikel 29 van de Faillissementswet van rechtswege worden geschorst. De curator moet die vorderingen immers bij de afwikkeling van het faillissement betrekken. Het schorsen van de vordering van de benadeelde partij in het kader van het strafproces is evenwel niet zonder meer mogelijk. Zo bepaalt 361, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering dat het vonnis van de rechtbank ook een beslissing over de vordering van de benadeelde partij moet bevatten. Een schorsing van die vordering tot na het vonnis in de strafzaak is dus niet mogelijk.

De rechtbank overweegt dat zij de systematiek die ten grondslag ligt aan de afwikkeling van het faillissement van verdachte en die is neergelegd in de Faillissementswet, niet zal doorkruisen door in de onderhavige procedure reeds te beslissen op die vorderingen.

Voor wat betreft de twee vorderingen die na het faillissement zijn ingediend geldt het volgende. Op grond van de artikelen 26 en 110 van de Faillissementswet kunnen rechtsvorderingen, die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, gedurende het faillissement op geen andere wijze worden ingesteld dan bij de curator. Dit betekent dat deze vorderingen niet in het strafproces kunnen worden ingediend, maar alleen bij de curator.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen kennelijk niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en zal zonder nader onderzoek van de vorderingen op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering de benadeelde partijen kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 33, 33a, 36, 47, 57, 326, 339, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair eerste cumulatief/alternatief en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

gewoontewitwassen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat :

  1. veroordeelde zich (uiterlijk) binnen drie dagen na afloop van het uitzitten van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moet melden bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12, 1091 GM te Amsterdam. Veroordeelde moet zich gedurende twee jaar op door de reclassering vastgestelde dagen melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  2. veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder behandeling stellen van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

  3. veroordeelde moet meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Ontzet veroordeelde uit het recht tot de uitoefening van het beroep als (feitelijk of juridisch) bestuurder van binnenlandse of buitenlandse vennootschappen, beleggingsadviseur, vermogensbeheerder en handelaar in financiële producten waaronder cryptovaluta, voor de duur van 5 (vijf) jaar.

Verbeurd verklaring van de nummers 6, 7, 41, 53, 54, 55, 56, en 57 op de beslaglijst, zoals is opgenomen in bijlage 3.

Gelast de openbaarmaking van dit vonnis na het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte, door publicatie ervan op www.rechtspraak.nl, waartoe het Openbaar Ministerie dit vonnis dient aan te bieden aan de redactie van voornoemde website. De namen van medeverdachten, getuigen en benadeelde partijen zullen conform de anonimiseringsrichtlijnen daarin niet worden vermeld. De kosten van openbaarmaking worden bepaald op nihil.

Verklaart de benadeelde partijen, zoals genoemd in bijlage 4, niet-ontvankelijk in hun vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en J.M. Jongkind , rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en K. Buiskool, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2021.