Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6388

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2021
Datum publicatie
28-11-2021
Zaaknummer
8887815
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, 1:88/1:89 BW, verjaring overschuldigde betaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 8887815 EL 20-05

vonnis van: 30 september 2021

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. Van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 oktober 2020 van [eiser] , met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

  • -

    de conclusie van repliek van [eiser] , met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van Dexia.

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2 [naam echtgenote] , (hierna: [naam echtgenote] ), de echtgenote van [eiser] , heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnummer]

20-11-2000

AEX Plus Effect Vooruitbetaling

240 mnd

ƒ 36.001,57

2.3. Dexia heeft met betrekking tot deze lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

20-02-2006

- € 531,92

ja

2.4. [eiser] heeft [naam echtgenote] , met wie hij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van deze lease-overeenkomst.

2.5. Bij brief - zo stelt [eiser] - van 13 februari 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft hij met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomst vernietigd.

3 Vordering

3.1

[eiser] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de lease-overeenkomst door de vernietigingsbrief buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze te vernietigen en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van deze lease-overeenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. Ten slotte vordert [eiser] Dexia te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4 Standpunten van partijen

4.1

[eiser] stelt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de lease-overeenkomst moet worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus zijn toestemming behoefde ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat hij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft hij de lease-overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen.

4.2.

Dexia betwist de vorderingen van [eiser] . Daartoe stelt zij zich voor zover hier van belang op het standpunt dat de vordering uit onverschuldigde betaling van [eiser] is verjaard.

5 Beoordeling van de vorderingen


Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW

6.1.

Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en
9 juli 2010 (LJN BM3868) worden de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop.

6.2.

Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomst van toepassing is, zodat [naam echtgenote] voor het aangaan van deze lease-overeenkomst de toestemming van [eiser] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [eiser] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

6.3.

Tussen [naam echtgenote] en Dexia is reeds een procedure gevoerd met betrekking tot de vraag of de in geding zijnde overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd op grond van artikel 1:89 BW. Bij vonnis van 19 december 2012 is beslist dat de vernietiging niet tijdig was ingeroepen en de vernietiging aldus geen doel treft. Louwarts heeft tegen dit vonnis geen beroep ingesteld.

6.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:810) beslist dat indien er een eerdere procedure is gevoerd tussen de handelende echtgenoot en de wederpartij, de daarin gedane uitspraak de andere echtgenoot niet bindt. Ook indien in de eerdere procedure onherroepelijk is beslist dat aan de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de rechtshandeling door de niet handelende echtgenoot geen rechtsgevolg toekomt, kan de niet handelende echtgenoot de vraag of aan die verklaring rechtsgevolg toekomt in een nieuwe procedure aan de orde stellen zonder dat het gezag van gewijsde van de eerdere uitspraak tegen deze echtgenoot kan worden ingeroepen. Een andere uitkomst zou niet stroken met de strekking van art. 1:88 BW en de onafhankelijke rechtspositie die in art. 1:89 BW aan de niet handelende echtgenoot is toegekend, aldus de Hoge Raad.

6.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] - zoals alhier aan de orde - in een nieuwe procedure de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de rechtshandeling door de niet handelende echtgenoot (het aangaan van de overeenkomst) aan de orde kan stellen.
Verjaring

6.6.

Dexia stelt dat de door [eiser] in gestelde vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard.

6.7.

De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling is volgens artikel 3:309 BW vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden.

6.8.

Dexia stelt dat deze verjaringstermijn in het onderhavige geval is aangevangen op de dag van (ontvangst van) de vernietigingsverklaring van 13 februari 2006 en dat [eiser] die termijn nimmer heeft gestuit, zodat de restitutievordering al ruimschoots was verjaard.

6.9.

[eiser] beroept zich op de stuitende werking van de collectieve procedure alsmede van de (procedure tot) verbindendverklaring van de in de collectieve procedure getroffen schikking, inclusief de daarop volgende opt-out termijn. Verder voert [eiser] aan dat haar gemachtigde bij brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 (zie productie 10 bij de conclusie van repliek van [eiser] ) voor al haar cliënten (waaronder [naam echtgenote] ) en de eega’s van de betreffende cliënten de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia heeft gestuit.

De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”

6.10.

. Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [eiser] niet in de bijlagen staat.

6.11.

In het arrest van het hof Amsterdam van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3735) heeft het hof overwogen dat voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [eiser] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, in de brief van 24 januari 2012 de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk wordt vermeld en dat dit eveneens geldt voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Het hof is van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen (in dit geval: [naam echtgenote] ) aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan. De kantonrechter sluit zich aan bij deze overwegingen en neemt dit oordeel over.

6.12.

Dexia heeft verder aangevoerd dat de gemachtigde van [eiser] (hierna Leaseproces) niet gevolmachtigd was om namens [eiser] enige verjaring te stuiten, althans dat Leaseproces - nadat Dexia bij brief van 31 oktober 2016 de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde van [eiser] uitdrukkelijk had bestreden – niet (voldoende tijdig) een door [eiser] aan Leaseproces verleende volmacht heeft overgelegd.

6.13.

[eiser] stelt dat die volmacht er telkens wel was en dat Dexia dit ter zake van genoemde brieven ook niet heeft betwist. Dexia’s brief van 31 oktober 2016 verwijst naar een niet in het geding gebrachte brief van Leaseproces van 17 oktober 2016 en ziet niet op de brief van 27 oktober 2016. Bovendien heeft [eiser] digitaal - via de website van Leaseproces, productie 11 bij conclusie van repliek - een machtiging aan Leaseproces heeft gegeven voor onder meer stuitingshandelingen en/of het aanhangig maken van een procedure.

6.14.

In het arrest van het hof Amsterdam van 22 december 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3567) heeft het hof overwogen dat het door Leaseproces overgelegde afschrift uit haar administratie van de digitaal door afnemer verleende toestemming/volmacht als volgt luidt: “Ik geef Leaseproces toestemming om de verjaring van de vordering op Dexia te stuiten. Deze toestemming geldt ook voor mijn eventuele partner en/of familieleden.” Het hof oordeelt vervolgens dat de stelling van Dexia, dat het door Leasepoces overgelegde digitale afschrift een onbegrijpelijk document is waaruit niet blijkt van een volmacht die is gegeven door de echtgenote van afnemer en waarin haar naam niet voorkomt, wordt gepasseerd. Dexia heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat afnemer vóór 24 januari 2012 elektronisch de hiervoor aangehaalde toestemming aan Leaseproces heeft gegeven. Dit alles brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat Leaseproces bevoegd was namens de echtgenote van afnemer de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling te stuiten. De kantonrechter sluit zich aan bij deze overwegingen en neemt dit oordeel over, nu de relevante feiten in de onderhavige zaak gelijk zijn aan die in de zaak waarover het hof heeft geoordeeld.

6.16.

Op grond van artikel 3:71 lid 1 BW kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze wordt geleverd. Gesteld noch gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [naam echtgenote] als cliënt van Leaseproces haar heeft gevolmachtigd om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens zijn eega te doen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [eiser] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. De betwisting van de volmacht van [eiser] aan Leaseproces, zoals volgens Dexia vervat in haar brief van 31 oktober 2016, hetgeen Leaseproces betwist, doet derhalve niet meer ter zake, want hiermee is door Dexia sowieso niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Verwezen wordt naar de gelijkluidende overwegingen in rov. 2.5 van het arrest van hof Amsterdam van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3735).

Ten slotte is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de lease-overeenkomst door [eiser] op 13 februari 2006 reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat hof Amsterdam in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).

6.17.

Uit de bovenstaande rechtsoverwegingen 6.15 en 6.16 dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat betekent dat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen.

1:88/1:89 BW

6.18.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor

het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

6.19.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

6.20.

[eiser] stelt dat het voorgaande ertoe leidt dat zij bij brief van 13 februari 2006 met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomst tijdig heeft vernietigd.

6.21.

In het onderhavige geval wordt overwogen dat [eiser] de lease-overeenkomst met nummer [contractnummer] ingevolge het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 bij vernietigingsbrief van 13 februari 2006 tijdig heeft vernietigd. Immers, de voornoemde overeenkomst is binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering bij dagvaarding van 13 maart 2003 afgesloten.

6.22.

Er is dan sprake van een rechtsgeldige vernietiging en alle betalingen van [naam echtgenote] aan Dexia ter zake van deze lease-overeenkomst dienen te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen hij ter zake van deze lease-overeenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden en overige uitkeringen. De eigendom van de geleasede effecten verblijft bij Dexia.

6.23.

Op grond van de lease-overeenkomst met nummer [contractnummer] is door [naam echtgenote] in totaal € 3.403,74 aan termijnen en een bedrag van € 531,92 aan restschuld aan Dexia betaald, waarop geen bedrag aan dividenden, maar een bedrag van € 461,40 door Dexia uitgekeerde schadevergoeding in mindering dient te worden gebracht. Dexia is aldus gehouden een bedrag van € 3.474,26 aan [eiser] te restitueren.

6.24.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over laatstgenoemd bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde na de afloop van de termijn als genoemd in de vernietigingsbrief, dan wel (bij gebreke daarvan) vanaf het moment waarop [eiser] uit een reactie van Dexia mocht afleiden dat Dexia tekort zou schieten in de nakoming van haar terugbetalingsverplichtingen, dan wel (indien van het een noch het ander sprake is geweest) vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte.

Nu zich in dit geval de laatste situatie voordoet, is Dexia met de terugbetaling in verzuim geraakt vanaf 14 maart 2006. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf dat moment. Indien het betalingen betreft die nadien hebben plaatsgevonden, is daarover de wettelijke rente verschuldigd ingaande de dag van elke betaling.

6.25.

Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

6.26.

Dexia wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser] .


BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat de lease-overeenkomst met nummer [contractnummer] is vernietigd;

II. veroordeelt Dexia aan [eiser] ter zake de lease-overeenkomst te betalen
€ 3.474,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal van de voor
14 maart 2006 aan Dexia gedane betalingen verminderd met de wettelijke rente over het totaal van voor die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, een en ander vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over elke eventuele na 14 maart 2006 aan Dexia verrichte betaling, steeds vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening, en verminderd met de wettelijke rente over elke na die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, steeds vanaf het moment van ontvangst, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht

236,00

- voor het exploot van dagvaarding

100,89

- voor salaris van gemachtigde

436,00

in totaal

772,89

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

V. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.