Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:635

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
C/13/665056 / HA ZA 19-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

koop/verkoop Aziatische kunstcollecte (beelden van steen en terracotta); conformiteit, authenticiteit en 7:17 BW; dwaling; opheffing beslag tussenkomende partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/665056 / HA ZA 19-421

Vonnis van 10 februari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verweerster tegen de door [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] als tussenkomende partijen ingestelde vorderingen,

advocaat mr. H.M. Punt te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. T. Teke te Amsterdam,

en

[tussenkomende partij 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

tussenkomende partij,

advocaat mr. T. Teke te Amsterdam,

en

[tussenkomende partij 2] ,

wonende te [woonplaats] (Spanje),

tussenkomende partij,

advocaat mr. T. Teke te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde] , [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 maart 2019 van [eiseres] , met producties,

  • -

    het vonnis in incident van 7 augustus 2019, waarin de vordering van [gedaagde] om

[betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) in vrijwaring op te roepen is afgewezen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie [gedaagde] van 18 september 2019, met producties,

  • -

    het vonnis in incident van 30 oktober 2019, waarin het [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] is toegestaan om tussen te komen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de conclusie van eis in tussenkomst van [tussenkomende partij 2] van 8 januari 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van eis in tussenkomst van [tussenkomende partij 1] van 8 januari 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van [eiseres] voor [tussenkomende partij 2] van 19 februari 2020,

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van [eiseres] voor [tussenkomende partij 1] van 19 februari 2020,

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2020, waarbij een bijeenkomst van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 oktober 2020 en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brief van [gedaagde] van 18 november 2020 met opmerkingen bij het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie, reconventie en de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] en van [tussenkomende partij 2]

2.1.

[eiseres] is een kunsthandelaar die zich voornamelijk bezighoudt met handel in kunst en antiek uit de Hollandse renaissance en kunstvoorwerpen uit heel Europa vanaf circa de vijftiende tot achttiende eeuw. [betrokkene] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] .

2.2.

[gedaagde] is een kunstverzamelaar die zich met name richt op vroege Chinese en Japanse sculpturen.

2.3.

In 2017 zijn [eiseres] en [gedaagde] gestart met onderhandelingen over de koop van Chinese beelden. De uitkomst van de onderhandelingen (hierna: de Kunsttransactie) is niet vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst maar wel op verschillende momenten vastgelegd op facturen (vier in totaal). De eerste factuur is van 2 mei 2017 en ziet er als volgt uit:

In verband met de privacy is de afbeelding verwijderd

2.4.

[gedaagde] heeft in 2017 een groot deel van zijn kunstcollectie verkocht aan DC Company Private Ltd., statutair gevestigd te Singapore (hierna: DC Company). Op 1 juli 2017 hebben [gedaagde] en DC Company een managementovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde] het beheer heeft gekregen over de kunstcollectie van DC Company en een volmacht heeft gekregen om namens DC Company te handelen (hierna: de managementovereenkomst).

2.5.

De tweede factuur voor [eiseres] als onderdeel van de Kunsttransactie is van 7 juli 2017. Het betreft de verkoop van stenen beelden, terracotta beelden en een beeld van hout voor een totale koopprijs van € 200.000,00. De factuur is, met uitzondering van de omschrijving van de beelden, de kooprijs en de datum, identiek aan de factuur van 2 mei 2017.

2.6.

In een e-mail van 14 september 2017 heeft [gedaagde] een voorstel aan [eiseres] gedaan waarin hij een antieke Groninger kist van eiken- en ebbenhout, daterend uit [periode] van [formaat kist] cm (hierna: de kist) betrekt. Hij schrijft in de e-mail aan [eiseres] :

“Ik heb een aangepast overzicht van de door jou geselecteerde kunstobjecten opgemaakt.

Daarbij heb ik de Groninger kist – zoals eerder besproken en voorgesteld – voor € 39.000 op de liggende kameel in mindering gebracht.

(…)

Massive recumbent painted pottery camel; Early Tang dynasty; length 80 cm € 25.000 (€ 64.000 -/- kist € 39.000)

(…)

ben ik, gezien onze relatie bereid je die in deze fase en in combinatie met alle bovenstaande objecten aan te bieden voor € 400.000.”

2.7.

Hierna volgt een factuur op 27 september 2017. Op deze factuur is een totale koopprijs van € 400.000,00 opgenomen voor terracotta en stenen beelden en betaling in termijnen. Verder is ook deze factuur identiek aan de factuur van

2 mei 2017.

2.8.

De laatste factuur als onderdeel van de Kunsttransactie is van 8 maart 2018. Deze factuur betreft twee stenen beelden voor een totaal bedrag van € 32.000,00. Op deze factuur is een iets andere tekst opgenomen boven Total amount due: :

“The sculptures will come with their technical authenticity reports by Wim Lustenhouwer, Department of Earth Sciences FALW, Vrije Universiteit Amsterdam, their detailed provenance and documentation. They are guaranteed genuine and they are already in your possession.”

2.9.

[eiseres] heeft in totaal bij de Kunsttransactie 31 beelden gekocht voor een bedrag van

€ 957.000,00 (hierna: de koopsom). Van de beelden zijn er 7 van steen, 23 van terracotta en 1 van hout (hierna: de beelden).

2.10.

De bij de Kunsttransactie door [gedaagde] aan [eiseres] verstrekte provenances zien op de historie van eigendom en bezit van de beelden en de daaraan ten grondslag liggende documenten en registraties. In de provenances bij de stenen beelden staat onder andere:

“Over time, [naam 1] ’s heirs sold the stone Buddhist collection, via a Chinese-Singaporean intermediary, to the Dutch Asian art collector Oscar [gedaagde] who, meanwhile has parted with it.

(…)

From 2000 onwards Mr. [gedaagde] gradually takes over the Buddhist collection from Mr [naam 1] ’s heirs via a local contact.***

May 2017 Mr [betrokkene] starts acquiring a number of stone sculptures.”

2.11.

De bij de Kunsttransactie door [gedaagde] aan [eiseres] verstrekte rapporten van Oxford Authentication Ltd (hierna: Oxford) zien op de authenticiteit van de terracotta beelden. Door middel van de Oxford-TL-Test is voor de terracotta beelden de ouderdom vastgesteld en vastgesteld dat de geteste onderdelen bij elkaar horen.

2.12.

Voor de stenen beelden heeft [gedaagde] aan [eiseres] rapporten van W.J. Lustenhouwer (hierna: Lustenhouwer) van de Vrije Universiteit van Amsterdam verstrekt. Lustenhouwer heeft via wetenschappelijk onderzoek de ouderdom van de stenen beelden vastgesteld.

2.13.

[eiseres] heeft op 10 juni, 22 juni en 5 juli 2017 en 5 maart 2018 een aantal van de beelden uit de Kunsttransactie doorverkocht aan particulieren.

2.14.

In november 2018 heeft [eiseres] geprobeerd om deel te nemen aan de beurs voor kunst antiek en design, PAN Amsterdam, met twee van de stenen beelden uit de Kunsttransactie. Nadat de beelden werden geweigerd door de toelatingscommissie begon [eiseres] te twijfelen aan de authenticiteit van de beelden.

2.15.

[eiseres] heeft in december 2018, januari en april 2019 de terracotta beelden laten onderzoeken door middel van een CT-scan door Scantix SPRL in België (hierna: Scantix). Uit de scans blijkt dat (i) een deel van de terracotta beelden authentiek zijn (ii) van een deel van de terracotta beelden de vormgeving in essentie is gewijzigd en (iii) dat een deel van de beelden bestaat een dozijn of meer verschillende onderdelen die aan elkaar zijn gelijmd.

2.16.

[gedaagde] heeft vervolgens aan [eiseres] aangeboden om de stenen beelden van [eiseres] mee te laten lopen bij (internationale) kunsttransacties. In eerste instantie heeft [gedaagde] dit aanbod aanvaard maar uiteindelijk heeft hij hier geen gebruik van gemaakt.

2.17.

[eiseres] heeft de stenen beelden laten testen door CIRAM, Science For Art Cultural Heritage, gevestigd in Frankrijk (hierna: Ciram), vastgelegd in rapporten van 22 februari 2019 en 4 april 2019. Volgens Ciram passen de uitkomsten van haar onderzoek niet bij de antieke periode waaruit de stenen beelden zouden moeten zijn maar horen ze bij moderne beelden.

2.18.

Vervolgens heeft [eiseres] de beelden die zij al had doorverkocht aan particulieren weer teruggekocht.

2.19.

Op 26 februari 2019 heeft [betrokkene] een e-mail naar [gedaagde] gestuurd waarin hij onder ander het volgende schrijft:

“Eerst heb ik de terracotta’s laten scannen in Brussel, waarna meer dan de helft vervalsingen en/of reconstructies bleken te zijn. Daarna heb ik de stenen beelden laten testen door een laboratorium, ook dit zijn allemaal duidelijk aantoonbare vervalsingen.

(..)

Ik neem aan dat je begrijpt dat ik de overeenkomst die wij hebben per direct beëindig, de beelden voldoen namelijk op géén enkele manier aan wat wij hebben afgesproken. En zelfs de beelden die mogelijk wel echt zijn, zijn volkomen besmet door jouw naam in de provenance. Ik verwacht dan ook dat je de door mij betaalde koopsom (EUR 957.000,00) meteen aan mij terug betaalt (…). Ook stel ik je aansprakelijk aangezien jij mij deze vervalsingen en/of reconstructies hebt verkocht. Als gevolg van deze actie heb ik maar liefst EUR 17.200,00 aan onderzoekskosten moeten maken. Verder loop ik natuurlijk een enorm bedrag aan winst mis, namelijk een bedrag van EUR 271.352,00 ook dit bedrag wil ik van je vergoed krijgen. (…) Voor de duidelijkheid: ik wil dus dat je per direct het totale bedrag van EUR 1.245.552,00 aan me overmaakt.”

2.20.

[gedaagde] heeft de rapporten van Ciram van 22 februari 2019 voorgelegd aan Lustenhouwer. In zijn rapport van 12 september 2019 heeft Lustenhouwer de onderzoeksmethoden, de beredenering en de conclusies van de Ciram rapporten becommentarieerd en weerlegd.

2.21.

Bij exploot van 28 februari 2019 heeft [eiseres] met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag laten leggen op roerende zaken die opgeslagen waren bij [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf] ). Van de roerende zaken zijn foto’s gemaakt. Ze zijn als volgt omschreven in het proces-verbaal van beslag:

- Een stenen buste van een Chinees figuur (foto 1)

- Een beeldhouwwerk van drie Chinese figuren (foto 2)

- Een beeldhouwwerk van een Chinees figuur (foto 3)

- Een beeldhouwwerk van een Chinees figuur (foto 4)

- Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met kruik (foto 5)

- Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met harp (foto 6)

- Een stenen tablet waarin een zestal afbeeldingen van Chinese figuren zijn uitgehouwen (foto 7)

- Een beeld voorstellende een paard met kar (foto 8)

- Een beeld voorstellende een kameel met ruiter (foto 9)

- Een beeld voorstellende een kameel met ruiter (foto 10)

2.22.

[tussenkomende partij 1] heeft bij brief van 20 mei 2019 aan [eiseres] geschreven dat hij eigenaar is van een beeld waar [eiseres] beslag op heeft laten leggen. Het gaat om het beeld aangeduid in het proces-verbaal als ‘Een beeld voorstellende een kameel met ruiter (foto 10)’ (hierna: de kameel met ruiter). [tussenkomende partij 1] heeft in de brief [eiseres] verzocht het beslag op de kameel met ruiter op te heffen.

2.23.

Ook [tussenkomende partij 2] heeft in een brief van 20 mei 2019 aan [eiseres] geschreven dat hij eigenaar is van beeldhouwwerken waar [eiseres] beslag op heeft laten leggen en heeft verzocht het beslag op die beeldhouwwerken op te heffen. Het gaat om de beeldhouwwerken aangeduid in het proces-verbaal als ‘Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met kruik (foto 5)’ (hierna: het vrouwelijk figuur met kruik) en ‘Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met harp (foto 6)’ (hierna: het vrouwelijk figuur met harp).

2.24.

Op 28 mei 2019 schrijft [eiseres] in reactie op de brieven van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] in twee grotendeels identieke brieven onder andere het volgende:

“Het conservatoir beslag houdt verband met een juridische procedure tussen [eiseres] , rechtbank] en [gedaagde] die thans aanhangig is bij de rechtbank Amsterdam. De oorzaak van deze procedure is gelegen in het feit dat [gedaagde] voor een substantieel bedrag Chinese kunstvoorwerpen aan [eiseres] heeft verkocht waarvan [gedaagde] de authenticiteit heeft gegarandeerd maar die later (na het verrichten van meerdere aanvullende testen) bijna allemaal vervalst bleken te zijn.

(…)

Gezien de aard van de vordering van [eiseres] op [gedaagde] (vervalste kunst), heeft [eiseres] gerede twijfel aan de echtheid van uw eigendomsclaim.”

2.25.

In een verklaring van 17 september 2019 schrijft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van [naam bedrijf] onder andere het volgende:

“Weliswaar te laat (zoals vermeld, vanwege afwezig), moest ik vaststellen dat de kunst waarop door Punt & Van Hapert beslag gelegd was sinds 2017 niet (meer) aan de heer [gedaagde] toebehoorde maar aan DC Company. Of aan derden; zoals het geval in drie van de vier opslagruimtes. Waaronder Chinese kunst (en goederen) van de heer Martin [tussenkomende partij 1] en de heer [tussenkomende partij 2] . Daarvan ben ik niet toevallig op de hoogte.

Bij de heer [tussenkomende partij 1] haalden wij privé in [woonplaats] namelijk geruime tijd geleden o.a. een reusachtige terracotta kameel met bereider op. En meer recentelijk o.a. twee stenen tabletten met muzikanten bij de heer [tussenkomende partij 2] .”

2.26.

Tot op heden zijn de beelden uit de Kunsttransactie nog in bezit van [eiseres] , heeft [gedaagde] het door [eiseres] gevorderde bedrag niet betaald en heeft [eiseres] het beslag niet opgeheven.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – na eiswijzigingen bij akte en vervolgens ter zitting – de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair (ontbinding / non-conformiteit)

  1. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden, althans de koopovereenkomst tussen partijen te ontbinden,

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.192.270,00 vermeerderd met de wettelijke rente,

subsidiair (vernietiging op grond van dwaling)

3. de koopovereenkomst te vernietigen,

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 957.00,00 vermeerderd met de wettelijke rente,

zowel primair als subsidiair

5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief beslagkosten, nakosten en wettelijke rente.

3.2.

De primaire hoofdsom is opgebouwd uit:

  • -

    de koopsom van € 957.000,00,

  • -

    gederfde winst van € 200.970,00,

  • -

    onderzoekskosten van € 34.300,00.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen in conventie.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] (subsidiair DC Company) eigenaar is van de kist,

  2. [eiseres] te veroordelen tot afgifte aan [gedaagde] (subsidiair aan DC Company) van de kist binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, althans tot het verstrekken aan [gedaagde] (subsidiair aan DC Company) van gegevens over de eventuele verkoop van de kist aan een derde, waaronder in ieder geval de contactgegevens van de koper, de koopsom en de datum van levering van de kist aan de koper, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van

€ 5.000,00 met een maximum van € 50.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan deze veroordeling voldoet,

3. [eiseres] te verbieden om zich op onrechtmatige wijze, in woord of geschrift, direct of indirect in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog op het internet of anderszins uit te laten over [gedaagde] , meer in het bijzonder om hem te beschuldigen van fraude, vervalsing van kunstvoorwerpen, het verkopen van vervalste of niet authentieke kunstvoorwerpen of daarnaar verwijzende opmerkingen te maken, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 250.000,00 per overtreding van dit verbod, in geval [eiseres] na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven aan dit verbod te voldoen,

4. te verklaren voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en [eiseres] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de ten gevolge van dit onrechtmatig handelen geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat,

5. [eiseres] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5.

[eiseres] voert verweer tegen de vorderingen in reconventie.

in de tussenkomst van [tussenkomende partij 1]

3.6.

[tussenkomende partij 1] vordert de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [tussenkomende partij 1] eigenaar is van de kameel met ruiter,

  2. [eiseres] te veroordelen tot opheffing, binnen twee dagen nadat in deze zaak vonnis is gewezen, van het op 28 februari 2019 op de kameel met ruiter gelegde beslag, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000 per dag met een maximum van
    € 350.000 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan deze veroordeling voldoet, althans dit beslag op te heffen,

  3. [eiseres] te veroordelen tot vergoeding van de schade van [tussenkomende partij 1] nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  4. [eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.7.

[eiseres] voert verweer tegen de vorderingen in de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] .

in de tussenkomst van [tussenkomende partij 2]

3.8.

[tussenkomende partij 2] vordert de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [tussenkomende partij 2] eigenaar is van het vrouwelijk figuur met kruik en het vrouwelijk figuur met harp,

  2. [eiseres] te veroordelen tot opheffing, binnen twee dagen nadat vonnis is gewezen, van het op 28 februari 2018 op het vrouwelijk figuur met kruik en het vrouwelijk figuur met harp gelegde beslag, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag met een maximum van € 350.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan deze veroordeling voldoet, althans dit beslag op te heffen,

  3. [eiseres] te veroordelen tot vergoeding van de schade van [tussenkomende partij 2] nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

  4. [eiseres] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.9.

[eiseres] voert verweer tegen de vorderingen in de tussenkomst van [tussenkomende partij 2] .

in conventie, reconventie en de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] en van [tussenkomende partij 2]

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

[gedaagde] (on)juiste gedaagde

4.1.

[gedaagde] en [eiseres] verschillen allereerst van mening over wie contractspartij van [eiseres] is bij de koop van de beelden. Volgens [gedaagde] handelde hij namens DC Company en heeft [eiseres] daarom de verkeerde partij gedagvaard. Volgens [eiseres] was [gedaagde] haar contractspartij.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, afhangt van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter)). Als algemeen uitgangspunt geldt verder dat een ieder wordt geacht voor zichzelf te handelen, tenzij degene die handelt kenbaar maakt niet voor zichzelf maar voor een ander te handelen.

4.3.

Uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] kon [eiseres] niet begrijpen en hoefde [eiseres] niet te begrijpen dat [gedaagde] namens DC Company zou hebben gecontracteerd. Alle handelingen met betrekking tot de transactie werden door [gedaagde] gedaan. Zo stonden de facturen op naam van [gedaagde] , de koopprijs moest worden betaald op een rekening van [gedaagde] en de beelden werden afgeleverd

door [gedaagde] . [gedaagde] heeft ook niet onderbouwd of en hoe [eiseres] op de hoogte zou zijn gesteld van deze managementovereenkomst of andere afspraken en documenten tussen [gedaagde] en DC Company. In tegenstelling tot wat [gedaagde] aanvoert, blijkt uit de provenances niet dat DC Company partij was bij de Kunsttransactie. In provenances staat dat [gedaagde] afstand heeft gedaan van zijn beelden en dat [betrokkene] is gestart met het verkrijgen van de beelden. Er staat niets in de provenances over DC Company. Dat [gedaagde] tot slot bij herhaling mondeling aan [betrokkene] de mededeling zou hebben gedaan dat DC Company de contractspartij van [eiseres] wordt door [eiseres] betwist en is onvoldoende onderbouwd door [gedaagde] .

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat dit verweer van [gedaagde] niet slaagt. [gedaagde] was contractspartij bij de Kunsttransactie en [eiseres] heeft de juiste partij gedagvaard.

primaire vordering: ontbinding vanwege non-conformiteit

4.5.

Het volgende geschilpunt tussen [gedaagde] en [eiseres] is of de beelden voldoen aan de overeenkomst.

4.6.

Niet in geschil tussen partijen is dat het beeld van hout en zeven van de 23 terracotta beelden authentiek zijn en aan de overeenkomst beantwoorden. De discussie tussen [gedaagde] en [eiseres] over de (non-)conformiteit van de beelden beperkt zich tot alle zeven beelden van steen en de 16 overige beelden van terracotta en daarover overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] de authenticiteitsrapporten van Oxford en Lustenhouwer en de provenances heeft ontvangen.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 7:17 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Lid 2 bepaalt dat een zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

4.9.

Om te kunnen beoordelen of de beelden aan de overeenkomst beantwoorden moet dus eerst worden vastgesteld wat [eiseres] en [gedaagde] zijn overeengekomen en mochten verwachten. [eiseres] en [gedaagde] hebben geen schriftelijke overeenkomst opgesteld waarin de voorwaarden van de koop zijn opgenomen. Wel heeft [gedaagde] aan [eiseres] vier facturen gestuurd. Op de facturen wordt een omschrijving van de beelden gegeven. Van de omschrijving van ieder beeld maakt onder andere de grootte van het beeld en de periode van herkomst maar ook het betreffende authenticiteitsrapport van Oxford of Lustenhouwer deel uit. De authenticiteitsrapporten maken daarmee deel uit van wat [eiseres] op grond van de overeenkomst van de beelden mocht verwachten. Verder staat op de eerste drie facturen vermeld: “all sculptures come with their technical (partly Oxford-TL) authenticity reports, provenance and detailed documentation. They are guaranteed ‘complete’ and genuine”. Op de laatste factuur staat een vergelijkbare tekst, maar wordt verwezen naar een rapport van Lustenhouwer in plaats van Oxford. Uit de facturen blijkt verder dat [gedaagde] een garantie aan [eiseres] geeft over de authenticiteit van de beelden (genuine).

4.10.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar stelling dat zij op basis van de facturen een algemene garantie mocht verwachten op grond waarvan de beelden authentiek zijn en in de toekomst altijd zullen blijken te zijn. Op de facturen wordt een duidelijk verband aangegeven tussen de beelden en de verstrekte authenticiteitsrapporten en deze authenticiteitsrapporten maken ook onderdeel uit van de omschrijving van de beelden. Verder wordt een duidelijk verband aangegeven tussen de garantie, genoemde rapporten en de provenances. De garantie zoals opgenomen op de facturen volgt bovendien direct op de mededeling dat de beelden vergezeld gaan van een authenticiteitsrapport, een provenance en gedetailleerde informatie.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat de afgegeven garantie tegen deze achtergrond moet worden bezien. Op grond daarvan mocht [eiseres] verwachten dat zij voor ieder beeld onder andere een authenticiteitsrapport en een provenance zou ontvangen. [eiseres] mocht ook verwachten dat uit deze rapporten en provenances zou blijken dat de beelden authentiek zijn. Omtrent de mate van authenticiteit mocht [eiseres] verwachten dat naar de stand van het wetenschappelijk onderzoek binnen de kunstwereld op de moment van de aankoop de terracotta beelden authentiek waren. [gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat voor de vraag wat voor de terracotta beelden authentiek is, de Oxford-TL-Test de norm is. Een algemenere authenticiteitsgarantie volgt, gelet op de samenhang tussen de beelden en de authenticiteitsrapporten, niet uit de facturen. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld waarom de garantie een verder strekkende garantie zou moeten zijn. Het enkele door [eiseres] gestelde feit dat zij op grond van de hoogte van de koopprijs een algemene garantie mocht verwachten is daarvoor onvoldoende.

4.12.

Uit de authenticiteitsrapporten (Lustenhouwer bij de stenen beelden en de Oxford-rapporten bij de terracotta beelden) bleek dat sprake was van authentieke beelden. Daarmee heeft [gedaagde] dus overeenkomstig de afgegeven garantie gepresteerd. Dat daaraan op grond van de onderzoeken van Scantix en Ciram, die deels met nieuwe technieken zijn uitgevoerd, achteraf vraagtekens bij de authenticiteit zijn te plaatsen, maakt dat niet anders. Daarbij laat de rechtbank onbesproken dat bij beelden met een leeftijd als de terracotta beelden altijd sprake zal zijn van vele restauraties, zoals ook uit het partijdebat volgt. Dit maakt een discussie over de mate van authenticiteit sowieso ingewikkeld. Ook om die reden heeft [eiseres] niet mogen verwachten dat de mate van authenticiteit algemener werd gegarandeerd dan zoals hiervoor onder 4.11 is omschreven. Als [eiseres] een verdergaand garantie had willen hebben had zij dat ten tijde van de koop moeten bedingen (en bij voorkeur schriftelijk vastgelegd), maar dat is niet gebleken.

4.13.

De conclusie is dat de beelden voldoen aan wat [eiseres] op grond van de overeenkomst en de gegeven garantie mocht verwachten. De primaire vorderingen van [eiseres] betreffende de ontbinding van de overeenkomst op grond van non-conformiteit zullen worden afgewezen.

subsidiaire vordering: vernietiging op grond van dwaling

4.14.

De rechtbank ziet aanleiding om eerst de subsidiaire vordering voor wat betreft de terracotta beelden te beoordelen. Daarna gaat de rechtbank in op de stenen beelden.

4.15.

[eiseres] stelt dat gezien de deskundigheid van een professionele partij als [gedaagde] op het gebied van antieke Chinese kunst die daar al decennia lang in handelt, verwacht had mogen worden dat hij voldoende onderzoek had gedaan naar de echtheid van de terracotta beelden. [gedaagde] was bekend met de mogelijkheid om de terracotta beelden te scannen en had deze scans uit moeten laten voeren. Als de deskundigheid niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend, zijn beide partijen van dezelfde onjuiste veronderstelling uitgegaan en is sprake van wederzijdse dwaling, aldus [eiseres] .

4.16.

Het beroep van [eiseres] op dwaling slaagt niet. [gedaagde] heeft aan [eiseres] voldoende en juiste inlichtingen verstrekt. Hij heeft onderzoeken van Oxford provenances en facturen van eerdere verkrijgingen verstrekt. Dat het mogelijk was om de terracotta beelden te scannen maakt nog niet dat [gedaagde] dat had moeten doen en van een specifieke verplichting daartoe is niet gebleken. Bovendien heeft [gedaagde] onbetwist aangevoerd dat voor de vraag wat voor de terracotta beelden authentiek is de Oxford-TL-Test de norm is. Met de uitslag van deze testen voor de beelden in bezit was er voor [gedaagde] geen reden om de terracotta beelden te laten scannen.

4.17.

Het subsidiaire beroep op wederzijdse dwaling slaagt wel. Ter zitting heeft [gedaagde] namelijk verklaard dat hij ook in negatieve zin verrast was toen hij op de scans het aantal restauraties en de manier van restaureren zag en dat hij zich in de beelden vergist heeft. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat indien [gedaagde] en [eiseres] de uitkomst van de scans bij het aangaan van de overeenkomst zouden hebben geweten dit invloed zou hebben gehad op de inhoud van de overeenkomst. Er is daarom sprake van wederzijdse dwaling ten aanzien van de terracotta beelden.

4.18.

Volgens artikel 6:228 lid 2 BW kan de vernietiging bij dwaling echter niet worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat de dwaling in dit geval voor rekening van [eiseres] behoort te blijven op grond van het volgende. [eiseres] en [gedaagde] hebben geen schriftelijke koopovereenkomst opgesteld waarin zij afspraken hebben gemaakt over bijvoorbeeld authenticiteit, garanties, inlichtingen of onderzoek. Het ligt in de aard van een kunsttransactie besloten dat sprake is van bijzondere risico, waaronder dat de beelden niet (geheel) authentiek zijn of dat na verloop van tijd door nieuwe techniek tests of onderzoeken beschikbaar zijn op grond waarvan de beelden toch niet authentiek blijken te zijn. [eiseres] zou als kunsthandelaar op de hoogte moeten zijn van deze risico’s. [eiseres] heeft vrij snel na de koop de beelden laten onderzoeken door CIRAN en Scantix. Als [eiseres] het belangrijk vond dat de beelden de testen van CIRAN en Scantix zouden doorstaan, had zij dit ook in de koopovereenkomst op kunnen nemen met de daaraan te verbinden gevolgen. [eiseres] heeft dit niet gedaan. Het lijkt nu alsof [eiseres] vrij snel na de transactie met [gedaagde] doelbewust op zoek is gegaan naar informatie die de authenticiteit van de beelden in twijfel kon stellen. Verder heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt van aanbiedingen van [gedaagde] om hem tegemoet te komen. [eiseres] had de stenen beelden bijvoorbeeld mee kunnen laten lopen bij (internationale) kunsttransacties waarover [gedaagde] in onderhandeling was. In de gegeven omstandigheden behoort de dwaling voor rekening van [eiseres] te blijven.

4.20.

Hoewel de rechtbank nog niet heeft vastgesteld of er sprake is van (wederzijdse) dwaling met betrekking tot de stenen beelden, is de rechtbank van oordeel dat als er sprake zou zijn van (wederzijdse) dwaling deze op grond van het hiervoor onder 4.18 overwogene ook voor rekening van [eiseres] zou moeten blijven.

4.21.

De conclusie is daarom dat voor zover er sprake is van wederzijdse dwaling die voor rekening van [eiseres] behoort te blijven. De vorderingen van [eiseres] op grond van dwaling zullen daarom eveneens worden afgewezen.

proceskosten conventie

4.22.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 11.997,00 (3 punten maal tarief VIII à € 3.999,00).

4.23.

De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

in reconventie

kist onderdeel van de Kunsttransactie?

4.24.

[gedaagde] en [eiseres] verschillen in reconventie ten eerste van mening over het antwoord op de vraag of de kist onderdeel uitmaakt van de Kunsttransactie en daarom aan [gedaagde] moet worden afgegeven.

4.25.

Bij de beoordeling staat voorop dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst ten aanzien van de kist tot stand is gekomen en wat de inhoud van die overeenkomst is, afhankelijk is van dat wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.

4.26.

Uit de e-mail van [gedaagde] aan [betrokkene] van 14 september 2017 (hierna: de e-mail, zie hiervoor onder 2.6) blijkt dat [gedaagde] een voorstel doet om de kist onderdeel uit te laten maken van de Kunsttransactie. De waarde van de kist wordt in het voorstel afgetrokken van de koopprijs van één van de beelden en het totale voorstel is een bedrag van € 400.000,00. Uit de e-mail blijkt echter niet dat het voorstel ook door [eiseres] is aanvaard. Aanvaarding blijkt ook niet uit de eerstvolgende factuur na de e-mail, de factuur van 27 september 2017 voor een bedrag van € 400.000,00. Het bedrag van € 400.000,00 komt weliswaar overeen met dat in de e-mail en op de factuur van 27 september 2017 maar de inhoud van de transactie komt niet precies overeen. Zo staat op de factuur een pottery bird ornament genoemd die in de e-mail niet staat genoemd. De kist staat wel in de e-mail genoemd maar de kist wordt dan weer niet genoemd op de factuur. Verder staan er op de factuur geen bedragen per beeld genoemd, zodat ook uit die bedragen niet blijkt of er korting is gegeven op één van de beelden in verband met de kist. Uit deze omstandigheden blijkt dus niet dat de kist onderdeel uitmaakt van de Kunsttransactie. Als de kist wel onderdeel zou hebben uitgemaakt van de transactie, had het bovendien op de weg van [gedaagde] gelegen om dit op zijn minst op de factuur vast te leggen omdat hij de factuur heeft opgesteld.

4.27.

De conclusie is dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de kist onderdeel uitmaakt van de Kunsttransactie. De vorderingen van [gedaagde] met betrekking tot de kist zullen daarom worden afgewezen.

onrechtmatige uitlatingen/mededelingen

4.28.

Het tweede geschilpunt in reconventie is of [eiseres] zich onrechtmatig heeft uitgelaten over [gedaagde] en of het [eiseres] verboden zou moeten worden om onrechtmatige uitlatingen te doen.

4.29.

Bij deze vorderingen gaat het om de botsing van twee fundamentele rechten. Aan de ene kant het op grond van artikel 10 lid 1 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van [eiseres] op haar vrijheid van meningsuiting. Daartegenover staat het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde recht van [gedaagde] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder mede begrepen het recht op bescherming van de eer en goede naam. In beginsel komt geen voorrang toe aan één van beide rechten zodat volgens vaste rechtspraak een afweging van de betrokken belangen moet plaatsvinden aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.30.

Vaststaat dat [eiseres] in een brief van haar advocaat aan [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] heeft geschreven dat [gedaagde] Chinese kunstvoorwerpen aan [eiseres] heeft verkocht die (na het verrichten van meerdere aanvullende tests) bijna allemaal vervalst bleken te zijn.

4.31.

Verder staat vast dat [eiseres] de reeds doorverkochte beelden heeft teruggenomen van haar kopers. [gedaagde] en [eiseres] zijn het er niet over eens wat [eiseres] als reden voor terugkoop aan haar klanten heeft gegeven. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] bij het terughalen van de beelden als reden gegeven dat de kunstvoorwerpen niet authentiek, vals of vervalst zijn en dat de beelden van [gedaagde] afkomstig zijn. [eiseres] betwist dit en zegt dat zij slechts aan haar klanten heeft medegedeeld dat er twijfels bestaan over de authenticiteit. De rechtbank volgt wat [eiseres] hierover heeft aangevoerd (dat [eiseres] aan haar klanten heeft medegedeeld dat er twijfels bestonden over de authenticiteit). [gedaagde] was niet aanwezig was bij het terugnemen van de beelden en heeft verder ook geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt wat de mededelingen van [eiseres] naar haar klanten precies was.

4.32.

Om vervolgens de vraag te beantwoorden of de mededelingen die [eiseres] aan [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] en aan haar klanten heeft gedaan onrechtmatig zijn, dient de rechtbank de belangen van [eiseres] en [gedaagde] tegen elkaar af te wegen. De rechtbank is van oordeel dat in de omstandigheden van deze zaak de belangen van [eiseres] zwaarder wegen. Het volgende is daarvoor doorslaggevend. Voordat [eiseres] de mededelingen heeft gedaan, heeft zij de beelden laten testen. Hoewel ten tijde van de mededeling aan de klanten nog niet alle beelden waren getest, had [eiseres] al wel rapporten in handen. Op grond van deze rapporten mocht [eiseres] op dat moment de conclusie trekken dat twijfels bestonden over de authenticiteit. [eiseres] heeft de mededelingen dus niet zonder onderliggende informatie gedaan maar gebaseerd op testresultaten. Verder heeft [eiseres] de mededelingen aan haar klanten gedaan om te voorkomen dat zij (reputatie)schade zou lijden. Ook hier mocht [eiseres] ter voorkoming van (reputatie)schade de mededelingen doen. [eiseres] heeft de mededelingen aan [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] gedaan via een brief van zijn advocaat aan de advocaat van [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] in het kader van de beslaglegging. [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] hebben [eiseres] aansprakelijk gesteld voor door hen geleden schade in verband met dat gelegde beslag. In reactie daarop heeft [eiseres] toegelicht waar het geschil tussen haar en [gedaagde] over gaat en daarbij kon zij het standpunt innemen dat de beelden volgens haar bijna allemaal vervalst zijn. Het doel van de mededelingen zowel aan [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 1] als aan de klanten van [eiseres] rechtvaardigt de mededelingen zoals gedaan.

4.33.

De conclusie is dat in de gegeven omstandigheden er geen sprake is van onrechtmatig handelen door het doen van de uitlatingen en mededelingen van [eiseres] . De vordering ten aanzien van het onrechtmatig handelen zal voor dit onderdeel dan ook niet worden toegewezen.

4.34.

Het verbod tot het doen van onrechtmatige uitlatingen voor de toekomst zal ook worden afgewezen. [eiseres] heeft zich in het verleden niet onrechtmatig uitgelaten over [gedaagde] en er zijn door [gedaagde] ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan blijkt dat de verwachting is dat [eiseres] dit wel in de toekomst zal doen.

schade als gevolg van de gelegde beslagen

4.35.

Het derde en laatste geschilpunt in reconventie is of [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] door het leggen van het conservatoir beslag op de kunstvoorwerpen.

4.36.

Het is vaste jurisprudentie dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (zie onder meer Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841). Die situatie doet zich hier voor, nu de vorderingen in conventie worden afgewezen. Dat betekent dat [eiseres] jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van de beslaglegging heeft geleden.

4.37.

[gedaagde] heeft vergoeding van schade op te maken bij staat gevorderd. Voor toewijzing van deze vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. [gedaagde] heeft daartoe gesteld dat door de beslaglegging op de kunstvoorwerpen er (internationale) kunsttransacties niet door konden gaan en dat de kunstvoorwerpen waar beslag op is gelegd daar onderdeel van uitmaken. Hoewel de rechtbank op dit moment nog niet vast kan stellen of er inderdaad kunsttransacties niet zijn doorgegaan als gevolg van het beslag, acht de rechtbank de mogelijkheid van schade van [gedaagde] voldoende aannemelijk.

4.38.

De conclusie is dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] door de beslaglegging op de kunstvoorwerpen onrechtmatig heeft gehandeld kan worden toegewezen, met veroordeling van [eiseres] in de schade, nader op te maken bij staat.

proceskosten reconventie

4.39.

Gezien de uitkomt in reconventie, waarbij beide partijen deels in het gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] en van [tussenkomende partij 2]

4.40.

Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] in tussenkomst zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.

opheffing beslag en verklaring voor recht inzake eigendom

4.41.

De rechtbank zal eerst de vordering van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] bespreken tot het opheffen van het beslag op (i) de kameel met ruiter (vordering [tussenkomende partij 1] ), (ii) het vrouwelijk figuur met kruik (vordering [tussenkomende partij 2] ) en (iii) het vrouwelijk figuur met harp (vordering [tussenkomende partij 2] ). Daaraan hebben [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] ten grondslag gelegd dat zij eigenaar zijn van deze drie kunstobjecten zodat deze niet tot verhaal kunnen dienen voor de vordering van [eiseres] op [gedaagde] . [eiseres] betwist dat [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] eigenaar zijn.

4.42.

Op grond van artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op vordering van elke belanghebbende een beslag worden opgeheven, onder meer indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Volgens vaste jurisprudentie geldt daarbij dat een afweging van de wederzijdse belangen – in dit geval van [eiseres] als beslaglegger en [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] als derde betrokkenen – een onderdeel uitmaakt van de beoordeling.

4.43.

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen waarvoor [eiseres] beslag heeft gelegd, te weten de vorderingen van haar op [gedaagde] die zij in conventie heeft ingesteld, worden afgewezen. Hoewel niet alles bepalend, is dit volgens vaste jurisprudentie een belangrijke omstandigheid bij beantwoording van de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Gesteld noch gebleken is dat er andere omstandigheden zijn die maken dat [eiseres] ondanks de afwijzing van haar vorderingen in conventie een belang heeft bij handhaving van haar beslag op deze zaken waarvan [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] stellen eigenaar te zijn.

4.44.

[tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] hebben voorts onderbouwd gesteld dat zij eigenaar zijn van de drie kunstobjecten en daarbij verschillende documenten overgelegd, waaronder stukken waaruit de aankoop blijkt (via [gedaagde] ), taxatierapporten, een verklaring van een verzekeringsagent ( [tussenkomende partij 2] ) en een verklaring van [naam bedrijf] waaruit volgt dat hij de drie kunstobjecten bij [tussenkomende partij 1] respectievelijk [tussenkomende partij 2] heeft opgehaald om naar het depot van [naam bedrijf] in [vestigingsplaats 2] te vervoeren. [eiseres] heeft hiertegenover aangevoerd dat er andere documenten zouden moeten zijn waaruit de eigendom blijkt die ontbreken (koopovereenkomst, aankoopfactuur, provenance, vervoersovereenkomsten), dat taxaties op enig moment niets zeggen over de huidige eigendomssituatie en dat de verklaring van [naam bedrijf] onjuist is.

4.45.

Een afweging van de betrokken belangen maakt dat de vordering tot opheffing van het beslag op de drie kunstobjecten zal worden toegewezen. In het kader van een vordering tot opheffing beslag hebben [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] voldoende ingebracht om serieuze twijfel te zaaien over de vraag of [gedaagde] eigenaar is van deze kunstobjecten. Dat laatste is nodig om de kunstobjecten tot verhaal voor de vorderingen van [eiseres] te laten strekken. Daarbij is van belang dat [eiseres] vooral heeft gewezen op eigendomsbewijzen die zouden moeten bestaan die [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] niet hebben ingebracht, zonder te wijzen op feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat (juist) [gedaagde] eigenaar is. Ter zitting heeft [eiseres] aangegeven dat omdat een medewerker van [naam bedrijf] in Hoofddorp (ten tijde van de beslaglegging) heeft aangegeven dat zaken in een bepaalde hoek van de loods van [gedaagde] waren, hetgeen door de deurwaarder in zijn exploot is opgenomen, daarmee het eigendom van [gedaagde] gegeven is. Ten onrechte, nu [naam bedrijf] in zijn overgelegde verklaring heeft toegelicht dat hij niet aanwezig was bij de beslaglegging zelf en de enkele mededeling van een medewerker van een kunstexpeditiebedrijf in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal legt. [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] hebben tot slot aangegeven dat hun belang bij opheffing gelegen is in de mogelijkheid de beelden te kunnen verkopen als onderdeel van (internationale) kunsttransacties, welk belang zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij voortzetting van het beslag als zekerheid van verhaal voor vorderingen die in conventie zijn afgewezen.

4.46.

Het subsidiair gevoerde verweer van [eiseres] dat de vordering tot opheffing niet kan worden toegewezen omdat àls [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] eigenaar zijn het beslag niet kleeft omdat dit alleen ligt op eigendommen van [gedaagde] , wordt ook gepasseerd. Zolang [eiseres] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] eigenaar is van de drie kunstobjecten ondervinden [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] hinder van het beslag en hebben zij belang bij opheffing daarvan.

4.47.

Het vorenstaande betekent dat [eiseres] wordt veroordeeld de beslagen op te heffen zoals in de beslissing vermeld, onder verbeurte van een dwangsom zoals gevorderd, waarbij de rechtbank geen aanleiding ziet om de dwangsom neerwaarts aan te passen zoals [eiseres] heeft verzocht.

4.48.

Nu de beslagen worden opgeheven hebben [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] in deze procedure geen belang meer bij een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn van de betreffende beelden zijn, zodat die vordering wordt afgewezen.

schade als gevolg van de gelegde beslagen

4.49.

Zoals hiervoor (4.36) overwogen, is het vaste jurisprudentie dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid rust voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Deze situatie doet zich hier voor nu de vorderingen in conventie worden afgewezen. Ten aanzien van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] gaat het niet om de schuldenaar maar om derden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding hier een andere maatstaf voor te hanteren. Dit betekent dat [eiseres] jegens ieder van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de beslaglegging hebben geleden.

4.50.

[tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] hebben vergoeding van schade op te maken bij staat gevorderd en stellen, net als [gedaagde] , dat (internationale) kunsttransacties niet door hebben kunnen gaan door het beslag en dat de drie kunstobjecten daar onderdeel van uitmaken. Hoewel de rechtbank op dit moment ook voor wat betreft de vorderingen van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] niet vast kan stellen of er inderdaad kunsttransacties niet zijn doorgegaan als gevolg van het beslag, acht de rechtbank de mogelijkheid van schade bij [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] voldoende aannemelijk.

4.51.

De conclusie is dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] door de beslaglegging op de drie kunstobjecten onrechtmatig heeft gehandeld kan worden toegewezen, met veroordeling van [eiseres] in de schade, nader op te maken bij staat.

proceskosten tussenkomst [tussenkomende partij 1]

4.52.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] worden veroordeeld, waarbij ook de kosten van het incident worden begroot (op 50% ten behoeve van [tussenkomende partij 1] ) nu die beslissing in het vonnis van 30 oktober 2019 is aangehouden. De kosten aan de zijde van [tussenkomende partij 1] worden aldus begroot op € 1.407,50 (2,5 punt maal tarief II à € 563,00).

4.53.

De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

proceskosten tussenkomst [tussenkomende partij 2]

4.54.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in de tussenkomst van [tussenkomende partij 2] worden veroordeeld, waarbij ook de kosten van het incident worden begroot (op 50% ten behoeve van [tussenkomende partij 2] ) nu die beslissing in het vonnis van 30 oktober 2019 is aangehouden. De kosten aan de zijde van [tussenkomende partij 2] worden aldus begroot op € 1.407,50 (2,5 punt maal tarief à II € 563,00 voor zaken van onbepaalde waarde).

4.55.

De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 11.997,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] door beslag te leggen op de kunstvoorwerpen, met veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de schade die [gedaagde] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat,

5.5.

compenseert de kosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de tussenkomst van [tussenkomende partij 1]

5.7.

veroordeelt [eiseres] binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot opheffing van het op 28 februari 2019 gelegde beslag op het kunstvoorwerp in de conclusie van eis in tussenkomst aangeduid als “kameelbeeld” c.q. in het proces-verbaal van beslag van 28 februari 2019 als het “beeld voorstellende een kameel met ruiter (foto 10)”, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag (met een maximum van
€ 350.000,00) voor elke dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan deze veroordeling voldoet,

5.8.

verklaart voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [tussenkomende partij 1] door beslag te leggen op het onder 5.7 genoemde kunstvoorwerp, met veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de schade die [tussenkomende partij 1] als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat,

5.9.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [tussenkomende partij 1] tot op heden begroot op € 1.407,50,

5.10.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de tussenkomst van [tussenkomende partij 2]

5.12.

veroordeelt [eiseres] binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot opheffing van het op 28 februari 2019 gelegde beslag op de kunstvoorwerpen in de conclusie van eis in tussenkomst aangeduid als “de beeldhouwwerken” c.q. in het proces-verbaal van beslag van 28 februari 2019 als “Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met kruk (foto 5)” en “Een beeldhouwwerk van een Chinees vrouwelijk figuur met harp (foto 6)”, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag (met een maximum van € 350.000,00) voor elke dag of gedeelte daarvan dat [eiseres] niet aan deze veroordeling voldoet,

5.13.

verklaart voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [tussenkomende partij 2] door beslag te leggen op de onder 5.12 genoemde kunstvoorwerpen, met veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de schade die [tussenkomende partij 2] als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat,

5.14.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [tussenkomende partij 2] tot op heden begroot op € 1.407,50,

5.15.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

5.16.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en de tussenkomst van [tussenkomende partij 1] en van [tussenkomende partij 2]

5.17.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen en hetgeen bepaald onder 5.7 en 5.12 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, mr. C.H. Rombouts en mr. J.H. Broek en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2021.1

1 type: coll: