Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6331

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2021
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
9213627 CV EXPL 21-7045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen enig aandeelhouder door aandelen over te dragen zonder het doen van nader onderzoek naar koper. Willens en wetens het risico genomen dat de vennootschap haar verplichtingen jegens haar schuldeisers niet meer kon nakomen. Belangen crediteuren onvoldoende aangetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 9213627 CV EXPL 21-7045

vonnis van: 2 november 2021

fno.: 42146

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hiltermann Lease B.V.

gevestigd te Hoofddorp

eiseres

nader te noemen: Hiltermann Lease

gemachtigde: mr. H. Boven

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. S.K. Tuithof

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- de dagvaarding van 3 december 2020, met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 28 april 2021 waarbij de zaak is verwezen naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken;

- het instructievonnis;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021. Voor Hiltermann Lease is verschenen de heer [naam 1] (teamleider debiteurenbeheer), vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[naam bv 1] B.V. (hierna: [naam bv 1] ) is op 2 maart 2017 opgericht. [gedaagde] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bv 1] .

1.2.

[naam bv 1] is op 12 juli 2018 met Hiltermann Lease een financial leaseovereenkomst aangegaan met betrekking tot een Toyota Aygo. De leaseovereenkomst had een looptijd van 60 maanden. De maandelijkse leasetermijn daarvoor was € 116,72 en de slottermijn zou worden vermeerderd met een bedrag van € 1.250,00.

1.3.

[naam bv 1] is op 27 juli 2018 met Hiltermann Lease een financial leaseovereenkomst aangegaan met betrekking tot een Volkswagen Golf. Ook deze leaseovereenkomst had een looptijd van 60 maanden. De maandelijkse leasetermijn daarvoor was € 386,82 en de slottermijn zou worden vermeerderd met een bedrag van € 3.798,00.

1.4.

Uit een rapport van kredietrapportaanvragen.nl van 17 januari 2019 blijkt dat sprake is van een betalingsrisico op het adres van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) dat te maken heeft met de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een faillissement.

1.5.

De verschuldigde leasetermijnen voor beide voertuigen zijn sinds 1 april 2019 niet meer voldaan.

1.6.

[naam bv 1] is op 15 april 2019 met Hiltermann Lease een financial leaseovereenkomst (hierna samen de onder 1.2 en 1.3 genoemde leaseovereenkomsten: de leaseovereenkomsten) aangegaan met betrekking tot een Mercedes-Benz. Deze overeenkomst is tot stand gekomen door middel van een contract overneming. De kosten daarvoor bedragen € 150,00. Deze leaseovereenkomst had een looptijd van 72 maanden. De maandelijkse leasetermijn daarvoor was € 300,28 en de slottermijn zou worden vermeerderd met een bedrag van € 4.000,00.

1.7.

Op de leaseovereenkomsten zijn algemene voorwaarden van toepassing.

1.8.

De vanaf 1 mei 2019 verschuldigde leasetermijnen voor de Mercedes zijn niet voldaan.

1.9.

Hiltermann Lease heeft een aantal maanden na 1 mei 2019 de leaseovereenkomsten beëindigd en de drie voertuigen verkocht. Hiltermann Lease heeft vervolgens eindfacturen opgemaakt en aan [naam bv 1] verzonden. Deze facturen zijn onbetaald gebleven.

1.10.

In een overeenkomst van 15 maart 2019 staat vermeld dat de aandelen in [naam bv 1] zijn verkocht aan [naam bv 2] B.V., vertegenwoordigd door [naam 2] tegen een koopprijs van € 12.330,00.

1.11.

In een andere overeenkomst van dezelfde datum staat vermeld dat de aandelen in [naam bv 1] zijn verkocht aan [naam 2] tegen de koopprijs van een euro.

1.12.

Op 21 januari 2020 is in het handelsregister van de kamer van koophandel ingeschreven dat [naam bv 1] als ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat met ingang van 1 januari 2020 geen bekende baten meer aanwezig zijn.

1.13.

In een uittreksel van het handelsregister van de kamer van koophandel van 11 mei 2020 staat vermeld dat de aandelen in [naam bv 1] met ingang van 11 november 2019 zijn overgedragen en [gedaagde] als bestuurder van [naam bv 1] is afgetreden.

1.14.

Hiltermann Lease heeft [naam bv 1] facturen gestuurd voor de verschuldigde leasetermijnen tot het voortijdig einde van de leaseovereenkomsten en de bijkomende kosten als gevolg van het voortijdig einde van de leaseovereenkomsten.

Vordering en verweer

2. Hiltermann Lease vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van

i. i) € 22.894,21, te vermeerderen met de contractuele, dan wel wettelijke (handels)rente;

ii) de buitengerechtelijke kosten conform de algemene voorwaarden;

iii) de proceskosten.

3. Aan deze vordering legt Hiltermann Lease kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde] (naast [naam bv 1] ) als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van het feit dat de leasetermijnen en bijkomende kosten niet zijn betaald. [gedaagde] kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt, omdat hij bij het aangaan van de leaseovereenkomst met betrekking tot de Mercedes op 15 april 2019 wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [naam bv 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden ten aanzien van deze verbintenis. [gedaagde] heeft bovendien de verhaalsmogelijkheden van Hiltermann Lease gefrustreerd door zich onvoldoende in te spannen om zich ervan te vergewissen dat [naam bv 1] in handen zou komen van een koper die zich zou bekommeren om de bestaande vorderingen op [naam bv 1] en de doorlopende verplichtingen van deze vennootschap zou nakomen. Alles wijst erop dat de aandelen in [naam bv 1] , zonder enige waardering, voor een euro is verkocht aan een in het buitenland gevestigde katvanger. Dat wordt bevestigd door de turbo liquidatie binnen 50 dagen na verkoop van de aandelen. [gedaagde] is aldus op een onverantwoorde wijze omgesprongen met de belangen van Hiltermann Lease, aldus steeds Hiltermann Lease.

4. [gedaagde] heeft verweer gevoerd dat bij de beoordeling aan de orde komt.

Beoordeling

5. In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] naast [naam bv 1] – waarvan hij enig bestuurder en aandeelhouder was – aansprakelijk is jegens Hiltermann Lease als schuldeiser van die vennootschap voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de schadevordering, bestaande uit de vergoeding van niet betaalde leasetermijnen en bijkomende kosten wegens het voortijdig eindigen van de leaseovereenkomsten. [naam bv 1] is inmiddels ontbonden wegens gebrek aan baten en biedt daarvoor geen verhaal.

6. In de kern verwijt Hiltermann Lease [gedaagde] dat hij zijn aandelen in [naam bv 1] heeft verkocht aan [naam 2] terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze transactie tot benadeling van de schuldeisers van [naam bv 1] zou kunnen leiden. De benadeling heeft zich geeffectueerd doordat [naam 2] geen zorg heeft gedragen voor de betaling van de facturen van Hiltermann Lease en – kort na november 2019 – heeft gezorgd voor turbo liquidatie van [naam bv 1] . Daarnaast verwijt Hiltermann Leasse [gedaagde] dat hij met Hiltermann Lease een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot de Mercedes Benz, terwijl hij op dat moment al wist dat de facturen voor de Toyota en de Volkswagen niet werden betaald.

7. Naar het oordeel van de kantonrechter is het verkopen van de aandelen in een vennootschap aan een koper echter, anders dan Hiltermann Lease heeft gesteld, geen bestuurshandeling maar een aandeelhoudersbeslissing. Het feit dat [gedaagde] ook bestuurder was van [naam bv 1] , maakt dat niet anders. De grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens schuldeisers van [naam bv 1] is dan ook gelegen in een eigen onrechtmatige daad van [gedaagde] tegenover die schuldeisers. Voor een succesvolle actie op grond van artikel 6:162 BW jegens [gedaagde] is vereist dat sprake is van een zodanige onzorgvuldigheid van [gedaagde] jegens Hiltermann Lease dat dit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Een persoonlijk ernstig verwijt is daarvoor niet vereist.

8. Hiltermann Lease heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende feiten en omstandigheden gesteld voor de conclusie dat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden door het overdragen van zijn aandelen aan [naam 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hiltermann Lease. Dat wordt als volgt toegelicht.

9. [gedaagde] heeft (kort gezegd) aangevoerd dat de aandelen- en bestuursoverdracht per maart 2019 heeft plaatsgevonden en dat het gebrek aan baten in [naam bv 1] te wijten is aan het feit dat haar klanten door zijn vertrek zijn weggelopen. [gedaagde] wordt in dat standpunt niet gevolgd. Nog daargelaten dat [gedaagde] dit in het geheel niet gemotiveerd heeft toegelicht, wordt dit standpunt ondergraven door het feit dat uit een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel van 11 mei 2020 blijkt dat de aandelen- en bestuursoverdracht door [gedaagde] aan [naam 2] per 11 november 2019 heeft plaatsgevonden (zie 1.13). Voor zover [gedaagde] zich op de feitelijke onjuistheid van die inschrijving beroept, geldt dat hij deze onjuistheid op grond van artikel 25 lid 3 van de Handelsregisterwet niet jegens Hiltermann Lease kan inroepen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] tot 11 november 2019 aandeelhouder en bestuurder van [naam bv 1] (en zodoende bij de bedrijfsvoering betrokken) is gebleven. Dat [naam bv 1] vanaf april 2019 klanten verloor vanwege het vertrek van [gedaagde] bij [naam bv 1] en daarom te maken kreeg met een gebrek aan baten is dan ook niet aannemelijk.

10. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder toegelicht dat [naam bv 1] veel klachten van klanten kreeg over door haar geplaatste kozijnen die van slechte kwaliteit zouden zijn en daarom moesten worden vervangen. Die kozijnen werden door [naam 2] aan [naam bv 1] geleverd. Volgens [gedaagde] heeft [naam 2] om die reden voorgesteld om de aandelen in [naam bv 1] van [gedaagde] te kopen. Naar het oordeel van de kantonrechter is voor de hand liggend dat met het vervangen van de kozijnen aanzienlijke kosten voor [naam bv 1] gepaard zouden gaan. Onder deze omstandigheden mocht van [gedaagde] verlangd worden dat hij serieus onderzoek zou doen naar de motieven van [naam 2] , om zodoende enige zekerheid te verkrijgen of het diens bedoeling was om [naam bv 1] daadwerkelijk voort te zetten.

11. [gedaagde] was kennelijk zelf die mening ook toegedaan, aangezien hij stelt dat hij onderzoek naar [naam 2] heeft verricht. Uit dat onderzoek is evenwel, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, naar voren gekomen dat [naam 2] eerder met faillissementen en/of de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen te maken heeft gehad (zie 1.4). [gedaagde] heeft niettemin nagelaten nader onderzoek naar [naam 2] te doen, terwijl een eenvoudige zoekopdracht naar [naam 2] op internet – zoals Hiltermann Lease onweersproken heeft aangevoerd – zou hebben uitgewezen dat [naam 2] inderdaad bij meerdere faillissementen betrokken is geweest. Het enkele feit dat [naam 2] leverancier van [naam bv 1] zou zijn geweest, rechtvaardigt nog niet dat onderzoek achterwege kon blijven, niet in de laatste plaats omdat [naam 2] kennelijk producten van slechte kwaliteit had geleverd.

12. Het nalaten van verder onderzoek klemt temeer nu [gedaagde] kennelijk met [naam 2] overeenstemming had verkregen om de aandelen voor een euro over te dragen. Weliswaar wordt in een andere overeenkomst (zie 1.10) een koopprijs van € 12.330,00 genoemd, maar dat dit bedrag ook daadwerkelijk aan [gedaagde] is betaald blijkt nergens uit. Bovendien wordt in die overeenkomst [naam bv 2] B.V. als koper van de aandelen genoemd, terwijl uit voornoemd uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel blijkt dat [naam 2] de koper van de aandelen is geweest.

13. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde] door de aandelen in [naam bv 1] aan [naam 2] te verkopen zonder het doen van nader onderzoek willens en wetens het risico genomen dat [naam bv 1] daarna haar verplichtingen jegens haar schuldeisers niet meer kon nakomen. Daarmee heeft [gedaagde] zich naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van Hiltermann Lease als schuldeiser van [naam bv 1] onvoldoende aangetrokken en zodanig onzorgvuldig gehandeld dat dit als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

14. [gedaagde] is gehouden om de schade te vergoeden die is ontstaan als gevolg van zijn onrechtmatig handelen. Hildermann heeft onbetwist gesteld dat die schade bestaat uit de onbetaald gebleven leasetermijnen en de kosten van voortijdige beëindiging van de leaseovereenkomsten, volgens haar neerkomend op een bedrag van € 22.894,21. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat [naam bv 1] daarvoor geen verhaal zou hebben geboden als de overdracht aan [naam 2] niet zou hebben plaatsgevonden. In tegendeel, [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de overdracht aan [naam 2] sprake was van een goedlopend bedrijf. [gedaagde] heeft wel de hoogte van de gevorderde schadevergoeding betwist. Volgens [gedaagde] zijn de auto’s inmiddels ingeleverd, zodat de schade nihil is. Hiltermann Lease heeft verder ten onrechte administratiekosten en incassokosten in rekening gebracht, aangezien in deze procedure ook incassokosten worden gevorderd. De in rekening gebrachte innamekosten zijn bovendien buitensporig hoog.

15. In dat standpunt wordt [gedaagde] evenmin gevolgd. Hiltermann Lease heeft de hoogte van de door haar misgelopen leasetermijnen gedurende de resterende looptijd van de leaseovereenkomsten voldoende gemotiveerd toegelicht. Op die leasetermijnen heeft zij de verkoopopbrengst van de voertuigen in mindering gebracht. Hiltermann Lease heeft verder uitgelegd dat de innamekosten bestaan uit de kosten voor de aanwezigheid van het incassobureau bij de inname van de voertuigen en takelkosten. Deze kosten komen de kantonrechter niet buitensporig voor. De in rekening gebrachte administratiekosten berusten – naar Hiltermann Lease onweersproken heeft aangevoerd – op de algemene voorwaarden die op de leaseovereenkomsten van toepassing zijn. Het verweer van [gedaagde] ten aanzien van de hoogte van de gevorderde schadevergoeding wordt derhalve verworpen.

16. Het voorgaande betekent dat de gevorderde hoofdsom van € 22.894,21 toewijsbaar is. Nu sprake is van een vordering tot betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, valt niet in te zien waarom daarover (op grond van de algemene voorwaarden die met [naam bv 1] zijn overeengekomen) contractuele rente verschuldigd zou zijn. Toewijsbaar is de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, nu [gedaagde] niet heeft uitgelegd vanaf welk moment [gedaagde] met de betaling van de schadevergoeding in verzuim is geweest. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, aangezien Hiltermann Lease niet heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

17. Wat partijen hebben aangevoerd ten aanzien van de vraag of [gedaagde] als (voormalig) bestuurder van [naam bv 1] aansprakelijk is voor de door Hiltermann Lease geleden schade kan niet tot een ander oordeel leiden, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

18. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van Hiltermann Lease belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann Lease te betalen € 22.894,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2020 tot de dag van voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op

exploot € 83,38

salaris € 996,00 (2 punten x tarief € 498,00)

griffierecht € 996,00

-----------

Totaal € 2.075,38

voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar

uitgesproken op 2 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.