Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2021
Datum publicatie
28-11-2021
Zaaknummer
C/13/707344 / KG ZA 21-765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG vordering tot staken auteursrechtinbreuk op sjaals (hoofddoeken) gedeeltelijk toegeween.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/707344 / KG ZA 21-765 IK/MV

Vonnis in kort geding van 2 november 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres bij dagvaarding van 24 september 2021,

advocaten mrs. M.N. Seel en H. Maatjes te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. S. Besli te Ede.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 19 oktober 2021 heeft [eiseres] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht en exemplaren van de sjaals waarover dit geschil gaat meegenomen en getoond.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

[eiseres] met mrs. Seel en Maatjes;
[gedaagde] en zijn zus [naam] met mr. Besli.
Na verder debat is vonnis bepaald op 2 november 2021.

2 De feiten

2.1.

Sinds 2014 ontwerpt en vervaardigt [eiseres] onder de naam [naam product 1] sjaals die onder meer worden verkocht in de Bijenkorf. [eiseres] is houdster van het uniemerk [naam product 1] . Van de collectie van [eiseres] maken onderdeel uit de zogenoemde [naam collectie 1] sjaal, de [naam collectie 2] sjaal en de [naam collectie 3] sjaal. De [naam collectie 3] is in mei 2019 op de markt gebracht; de [naam collectie 1] en de [naam collectie 2] in augustus 2019.

2.2.

[gedaagde] handelt onder de naam [naam collectie 4] en verkoopt onder die naam kleding en sjaals op internet ( [url] ). Ook beschikt hij over het Instagram account “ [naam instagramaccount] ”. [gedaagde] drijft zijn onderneming samen met zijn zus, [naam] .

2.3.

Bij brief van 7 juni 2021 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] onder meer gesommeerd om binnen zeven dagen:
(i) de auteursrechtinbreuk op de [naam collectie 1] en de [naam collectie 2] te staken,
(ii) schriftelijk opgave te doen (gecertificeerd door een accountant) van het aantal inbreukmakende sjaals en de daarmee genoten winst,
(iii) opgave te doen van de onderneming waarvan [gedaagde] de inbreukmakende sjaals betrekt,
(iv) een en ander op straffe van een boete van € 10.000,- per overtreding en per dagdeel dat die overtreding voortduurt en van € 1.000,- per product,
(v) een schadevergoeding van € 5.000,- te betalen en
(vi) een bedrag van € 500,- te betalen als tegemoetkoming in de juridische kosten.

2.4.

Bij brief van 5 augustus 2021 van de toenmalige advocaat van [gedaagde] is – kort gezegd – betwist dat de sjaals van [gedaagde] voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.

2.5.

Bij brief van 10 augustus 2021 van de advocaat van [eiseres] is herhaald dat sprake is van auteursrechtinbreuk en dat inmiddels is vastgesteld dat [gedaagde] ook inbreuk maakt op de [naam collectie 3] . Tevens is in de brief opgenomen dat [eiseres] in een laatste poging om tot een minnelijke regeling te komen bereid is akkoord te gaan met betaling van een bedrag van € 3.000,- mits dit bedrag binnen drie dagen is bijgeschreven op de derdenrekening van de advocaat en mits [gedaagde] het gebruik van de inbreukmakende sjaals staakt en gestaakt houdt.

2.6.

Bij e-mail van 27 augustus 2021 heeft [gedaagde] voorgesteld met [eiseres] rond de tafel te zitten en de kwestie te bespreken. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van [eiseres] het volgende geantwoord:
Cliënte heeft mij aangegeven geen behoefte te hebben aan een gesprek. Zij heeft op meerdere momenten u de kans gegeven om deze kwestie op minnelijke wijze op te lossen. Inmiddels heeft cliënte mij de opdracht gegeven om de kort geding dagvaarding op te stellen, waardoor de juridische kosten alleen maar oplopen.
Cliënte heeft eerder voorgesteld om tegen een vergoeding van € 3.000,00 tot een oplossing te komen. Uitsluitend indien dit bedrag uiterlijk a.s. dinsdag voor 10.00 uur is bijgeschreven op de derdenrekening van mijn kantoor zal ik de dagvaarding namens cliënte niet uitbrengen. (…)

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – kort gezegd – het volgende:
I. [gedaagde] te veroordelen om iedere inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] op de in de dagvaarding omschreven sjaals (de [naam collectie 1] , de [naam collectie 2] en de [naam collectie 3] ) te staken en gestaakt te houden, waaronder iedere verveelvoudiging en/of openbaarmaking door [gedaagde] van die sjaals;
II. [gedaagde] te veroordelen ieder onrechtmatig handelen te staken en gestaakt te houden;
III. een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding en van € 1.000,- per inbreukmakend product;
IV. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden vanaf de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;
V. [gedaagde] te veroordelen in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv (€ 6.820,71) en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat haar sjaals worden gekenmerkt door originaliteit en exclusiviteit en getuigen van creatieve keuzes. Er is dus sprake van een eigen intellectuele schepping. De sjaals komen om die reden voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, zoals eerder is geoordeeld in een vonnis van 12 december 2019 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2019:10129). [eiseres] heeft onlangs geconstateerd dat [gedaagde] via zijn website en sociale media afbeeldingen openbaar maakt en artikelen verkoopt die een nagenoeg identieke verveelvoudiging betreffen van de [naam collectie 1] , de [naam collectie 2] en de [naam collectie 3] . Meerdere auteursrechtelijk beschermde elementen zijn één op één overgenomen. Ten bewijze hiervan heeft [eiseres] foto’s in het geding gebracht van zowel de sjaals van [eiseres] als die van [gedaagde] . In de dagvaarding heeft [eiseres] uitgebreid uiteengezet wat de overeenkomsten zijn tussen de verschillende sjaals. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen. Zij dient het exclusieve karakter van haar sjaals te bewaken. [gedaagde] heeft geweigerd een onthoudingsverklaring te ondertekenen. Op de ochtend van de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft [eiseres] bovendien nog geconstateerd dat de inbreukmakende sjaals worden aangeboden op de Instagram pagina van [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat hij de in geschil zijnde sjaals na ontvangst van de brief van de advocaat van [eiseres] van zijn website heeft gehaald. Sindsdien heeft hij die sjaals niet meer aangeboden, laat staan verkocht. Omdat zijn sjaals voor hem bijzaak zijn heeft [gedaagde] [eiseres] voorgesteld het gesprek aan te gaan. [eiseres] heeft dit voorstel afgewezen en bleef [gedaagde] , een kleine concurrent, bedreigen met hoge (proces)kosten. Als [eiseres] dit had nagelaten en het gesprek was aangegaan, was dit kort geding helemaal niet nodig geweest.
Omdat de verkoop door [gedaagde] van de sjaals is gestaakt, heeft [eiseres] geen spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen. Het niet-ondertekenen van een onthoudingsverklaring creëert geen spoedeisend belang.
Overigens is [gedaagde] van mening dat op de sjaals van [eiseres] geen auteursrecht rust. De beschermde elementen die zij noemt zijn gemeengoed en te banaal om voor bescherming in aanmerking te komen. Ook is er onvoldoende overeenstemming tussen de sjaals van [eiseres] en die van [gedaagde] om van een inbreuk te kunnen spreken. In de pleitnota van zijn raadsman worden tal van verschillen benoemd. Tot slot geldt dat [eiseres] nimmer heeft gesteld dat zij haar sjaals eerder op de markt heeft gebracht dan [gedaagde] . Ook [gedaagde] maakt aanspraak op een volledige proceskostenveroordeling. Hij heeft twee voorschotnota’s in het geding gebracht van in totaal € 3.025,-. De totale kosten worden door hem becijferd op € 10.511,87.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De beweerd inbreukmakende sjaals van [gedaagde] worden (althans werden) op het internet ( [url] ), en dus ook in het arrondissement Amsterdam, afgebeeld en aangeboden. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd is de voorzieningen-rechter van deze rechtbank dan ook bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

4.2.

In het vonnis van deze rechtbank van 12 december 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:10129) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de [naam collectie 3] en de [naam collectie 1] kunnen worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermde werken. Dit oordeel wordt in dit vonnis overgenomen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan ook de [naam collectie 2] als een auteursrechtelijk beschermd werk worden aangemerkt. Het ontwerp van die sjaal is het resultaat van door [eiseres] gemaakte creatieve keuzes. Hiervoor wordt verwezen naar de verschillende elementen die onder randnummer 11 van de dagvaarding en onder randnummer 15 en 16 van de pleitnota van de advocaat van [eiseres] worden opgesomd. Verder heeft [gedaagde] in dit kort geding aan de hand van de door hem overgelegde facturen en verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn sjaals eerder op de markt heeft gebracht dan [eiseres] .

4.3.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat hij de sjaals die thans ter discussie staan al geruime tijd niet meer te koop aanbiedt. Ten bewijze hiervan heeft hij een e-mail in het geding gebracht van 14 oktober 2021, afkomstig van zijn voormalig advocaat die hierin verklaart dat [gedaagde] aan hem zou hebben bevestigd de sjaals van zijn website te zullen verwijderen. Ook heeft hij een overzicht in het geding gebracht van zijn website waaruit zou moeten blijken dat de desbetreffende sjaals al lange tijd niet meer worden aangeboden en verkocht.

4.4.

Naar aanleiding van dit verweer heeft de voorzieningenrechter bij de mondelinge behandeling van dit kort geding, in het bijzijn van partijen, de website [url] bezocht. Op dat moment is gebleken dat op twee plaatsten op die website een beweerd inbreukmakende sjaal staat afgebeeld. Het betreft allereerst een sjaal die wordt gedragen door een model dat een jurk toont (“ [model jurk] ”). Die sjaal zou volgens [eiseres] inbreuk maken op de [naam collectie 1] . Daarnaast betreft het een sjaal die wordt gedragen door een model dat een trui toont (“Trui met plofmouwtjes”). Die sjaal zou volgens [eiseres] inbreuk maken op de [naam collectie 3] . De desbetreffende sjaals worden niet te koop aangeboden door [gedaagde] ; zij worden afgebeeld als accessoire bij de jurk en de trui die wel te koop worden aangeboden. Daarnaast heeft [eiseres] (overigens pas op de mondelinge behandeling) een tweetal foto’s in het geding gebracht van het Instagram account van [gedaagde] waarop sjaals zijn te zien die volgens [eiseres] ook inbreuk maken op de [naam collectie 1] . Volgens [gedaagde] gaat het om oude foto’s, die al 47 weken geleden zijn geplaatst (hetgeen ook is vermeld op die foto’s) en worden die sjaals al lang niet meer via Instagram te koop aangeboden.

4.5.

[gedaagde] heeft bestreden dat de vier afbeeldingen als hiervoor bedoeld (twee op zijn website en twee op zijn Instagram account) inbreuk maken op het auteursrecht van [eiseres] . [gedaagde] wordt hierin voor zover het de inbreuk betreft op de [naam collectie 1] niet gevolgd. De meest kenmerkende elementen van de [naam collectie 1] zijn gekopieerd op de sjaal van [gedaagde] met de naam [naam product 2] , die – dit heeft [gedaagde] niet weersproken – op zijn website en Instagram account wordt getoond. Het betreft dan met name de ovaalvormige tekens afgebeeld door middel van strass-steentjes waardoor dunne lijnen worden gecreëerd, de drie grote stenen die als verbinding en uiteinde fungeren tussen de twee ovaalvormige tekens en de naar beneden golvende lijn van strass-steentjes, die ophoudt bij de bovenste grote steen.

4.6.

[eiseres] kan voorshands niet worden gevolgd in haar standpunt dat de sjaal die is afgebeeld bij “Trui met plofmouwtjes” inbreuk maakt op de [naam collectie 3] . Voor de sjaal die inbreuk maakt op de [naam collectie 3] verwijst de dagvaarding naar productie 9, maar [gedaagde] heeft uitdrukkelijk bestreden die sjaal te verkopen. Op de foto van “Trui met plofmouwtjes” is de desbetreffende sjaal niet goed te zien omdat die geplooid om het model heen hangt. Dat dit, evenals de [naam collectie 3] , een sjaal met strass-steentjes lijkt te zijn, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat van een auteursrechtinbreuk sprake is. [gedaagde] heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het aan [eiseres] als eisende partij is om duidelijk te stellen op welke wijze inbreuk wordt gemaakt, en aan die stelplicht heeft zij niet voldaan.

4.7.

Het verweer van [gedaagde] dat hij er niet over gaat welke sjaal een model of een fotograaf kiest als accessoire gaat niet op. Een auteursrechtinbreuk hoeft niet per se te bestaan uit het te koop aanbieden van een product, maar kan ook bestaan uit het openbaar maken van een afbeelding van dat product. [gedaagde] is verantwoordelijk voor de afbeeldingen op zijn website en op zijn Instagram account.

4.8.

De conclusie tot zover is dat sprake is van een geringe auteursrechtinbreuk op alleen de [naam collectie 1] die toewijzing van de vorderingen van [eiseres] slechts gedeeltelijk rechtvaardigt. Weliswaar is aannemelijk dat de (oude) ‘story’ met de afbeelding van de inbreukmakende sjaal van 47 weken vóór de datum van de mondelinge behandeling in dit kort geding nog altijd te zien is op het Instagram account van [gedaagde] , maar [eiseres] heeft niet aangetoond – na betwisting hiervan door [gedaagde] – dat die inbreukmakende sjaal (nog) via dat Instagram-account wordt verkocht. De inbreukmakende sjaal is verder enkel op één plaats op de website van [gedaagde] te zien als accessoire.

4.9.

Toewijzing van de vorderingen zal dus worden beperkt tot het verwijderen van de drie hiervoor bedoelde afbeeldingen die inbreuk maken op de [naam collectie 1] , binnen de hierna te melden termijn en op straffe van de hierna te noemen dwangsommen.

4.10.

Aangezien partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna te melden. Bij het verrekenen van de proceskosten is voorts van belang dat de toenmalige raadsman van [gedaagde] in zijn brief van 5 augustus 2021 (zie 2.4) niet het verweer heeft opgenomen dat de desbetreffende sjaals niet meer te koop werden aangeboden. Dit kort geding had mogelijk niet gevoerd hoeven worden, indien dit wel was gebeurd. Anderzijds heeft ook de procesopstelling van [eiseres] , die steeds binnen korte termijn betaling van aanzienlijke bedragen eiste teneinde een kort geding te voorkomen, er niet toe geleid dat dit kort geding mogelijk niet gevoerd had hoeven worden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de afbeelding van de sjaal die is te zien op zijn website bij “ [model jurk] ” te verwijderen en verwijderd te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de twee afbeeldingen van de sjaals die zijn te zien op zijn Instagram account en die door [eiseres] op de mondelinge behandeling van dit kort geding in het geding zijn gebracht, te verwijderen en verwijderd te houden,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag dat hij een of meerdere van de onder 5.1 en 5.2 genoemde afbeeldingen niet verwijdert, met een maximum van € 10.000,-,

5.4.

bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2021.1

1 type: MV coll: JD