Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
C/13/691288 / FA RK 20-6659
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

echtscheiding, verdeling naar Turks recht, beroep op benadeling gemeenschap naar Turks recht, art. 229 lid 2 TBW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/691288 / FA RK 20-6659

C/13/704204 / FA RK 21-4195

Beschikking d.d. 27 oktober 2021 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. Z. Taspinar, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. T. Kocabas, gevestigd te Zoetermeer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 8 oktober 2020;

- het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man;

- het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 3 september 2021;

- het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 6 september 2021;

- het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 7 september 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2021.

Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten verschenen.

Na afloop van de is door de vrouw nog een schriftelijk stuk ingediend; de rechtbank zal hiervan geen kennis meer nemen nu deze buiten de daarvoor bestemde termijn is ingediend.

1.3.

Tussen partijen gelden voorlopige voorzieningen, vastgesteld bij beschikking van deze rechtbank van 25 september 2020 (zaaknummer: C/13/686919 FA RK 20-4376), waarbij het voorlopige uitsluitend gebruiksrecht van de woning is toegekend aan de man.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 11 juli 1990 te [plaats 1] , Turkije. Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist en heeft ook zelf verzocht om de echtscheiding uit te spreken.

2.2.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.2.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Woning

2.3.1.

Beide partijen hebben om het huurrecht van de woning verzocht.

2.3.2.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.

2.3.3.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

2.3.4.

De man heeft aangevoerd dat hij het voorlopig gebruiksrecht van de woning toegekend heeft gekregen bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank en dat de door hem destijds aangevoerde argumenten nog steeds van kracht zijn, te weten dat hij de woning destijds heeft gehuurd, hij de lasten van de woning draagt, zijn taxibedrijf op het woonadres staat ingeschreven en dat hij geen alternatieven heeft voor [meerderjarige] , de meerderjarige zoon van partijen, die nog in de woning woont en niet bij de vrouw wil wonen. De man kan ook nergens anders terecht en heeft geen netwerk. Tot slot stelt de man dat rekening moet worden gehouden met zijn psychische problematiek, die zal verergeren als hij de woning zou moeten verlaten.

2.3.5.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij nergens anders terecht kan; zij verblijft nu afwisselend bij haar familieleden, maar dat is slechts een tijdelijke oplossing. De man en de zoon van partijen hebben als vennoten van het taxibedrijf meer financiële middelen dan de vrouw om andere zelfstandige woonruimte te bemachtigen. Daarbij komt dat de man al 21 jaren ingeschreven staat om in aanmerking te komen voor een huurwoning en sneller dan de vrouw een andere woning zal kunnen vinden.

2.3.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man nog aangevoerd dat het financieel nog steeds niet goed gaat met het taxibedrijf vanwege de Corona-crisis, de man heeft immers nog steeds een TOZO uitkering, die niet lichtvaardig wordt verstrekt. De man en de zoon van partijen leven dan ook nog steeds op bijstandsniveau.

De man staat voorts pas sinds 2019 ingeschreven bij Woningnet en kan daardoor zeer moeilijk een andere woning kan bemachtigen; de particuliere sector is ook geen optie gezien zijn lage inkomen.

De vrouw heeft hierop gesteld dat de woonduur van de man bij Woningnet is omgezet naar inschrijfduur en dat de man daardoor al sinds 1999 staat ingeschreven. Voorts had de man een urgentie toegekend gekregen, geldig in Amsterdam tot juni 2020, waar hij niets mee heeft gedaan.

De man kan terugvallen op zijn familie en hij kan sneller dan de vrouw een nieuwe woning vinden vanwege zijn inkomen tezamen met het inkomen van de zoon van partijen als vennoten in het taxibedrijf. De vrouw stelt dat het taxibedrijf financieel beter draait dan de man doet voorkomen. De zoon van partijen is bovendien inmiddels 24 jaar oud en kan op eigen benen staan, zeker nu hij vennoot is in het taxibedrijf, aldus de vrouw.

2.3.7.

De rechtbank ziet dat beide partijen een groot belang hebben bij toekenning van het huurrecht. De rechtbank overweegt dat beide partijen momenteel leven op bijstandsniveau, de meerderjarige zoon van partijen bij de man inwoont en beide partijen op dit moment geen zicht hebben op een andere woning, ongeacht de exacte inschrijfduur van ieder van partijen bij Woningnet. Wat betreft de verkregen sociale urgentie van de man tot en met juni 2020 geldt dat deze al vervallen was voor de echtscheidingsaanvraag.

Daarmee blijft in stand dat nu de meerderjarige zoon van partijen bij de man in woont, de man samen met de zoon voor twee personen nieuwe woonruimte zal moeten vinden, waartegenover de vrouw alleen voor zichzelf woonruimte hoeft te vinden. Om deze reden zal de rechtbank het huurrecht van de woning toekennen aan de man nu deze daarbij meer belang heeft dan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen.

2.4.

Onderhoudsbijdrage

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) vast te stellen van € 2.505,-- per maand.

De man heeft daartegen verweer gevoerd.

2.4.2.

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

2.4.3.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

2.4.4.

De vrouw voert aan dat zij financieel behoefte heeft aan een bijdrage ten laste van de man nu zij een WWB-uitkering geniet en niet volledig in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. De hoogte van deze behoefte stelt zij vast aan de hand van de Hof-norm.

De man heeft daartegen als verweer gevoerd dat de vrouw niet behoeftig is, omdat zij kan werken om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. Hij betwist voorts de gestelde behoefte volgens de Hof-norm en stelt tot slot dat hij geen draagkracht heeft om bij te kunnen dragen in de kosten van haar levensonderhoud nu hij een TOZO-uitkering geniet.

2.4.5.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de vrouw nog aangevoerd dat zij twijfelt aan de juistheid van de door de man in het geding gebrachte jaarstukken van het taxibedrijf. De netto omzet is laag, maar de kosten zijn omhoog gegaan en dat is vreemd aldus de vrouw. Voorts zijn de liquide middelen gestegen. De vrouw vraagt zich voorts af waarom er enige tijd geleden nog een investering is gedaan, te weten de aankoop van een Mercedes, terwijl de man stelt het financieel zo moeilijk te hebben.

De vrouw stelt dat uit moet worden gegaan van de jaarcijfers 2017, 2018 en 2019, waarbij de gemiddelde winst uit onderneming rond de € 50.000,--/ € 60.000,-- lag en er geen rekening mag worden gehouden met de jaarcijfers 2020 nu dit een uitschieter betreft.

Tevens zijn door de man ten onrechte geen gegevens van de OZB eerste en tweede kwartaal 2021 beschikbaar gesteld. Het is zeer goed mogelijk dat het nu financieel weer beter gaat en dat de TOZO-uitkering na dit jaar (al dan niet deels) door de man terugbetaald moet worden, de toets daarvan vindt immers na afloop plaats.

En tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat de aan de man toegekende TOZO uitkering niet juist is omdat de bij de man inwonende meerderjarige zoon van partijen hierop niet genoemd zou zijn.

2.4.6.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling hierop gereageerd met de opmerking dat aanschaf van de Mercedes in overleg met de vrouw is geweest, zij was immers op dat moment ook nog een vennoot van het taxibedrijf. De vrouw heeft hiervoor haar akkoord gegeven. Bovendien was de aankoop in mei 2020, toen de Corona-crisis net begon. De man had toen nog geen idee dat de gevolgen zo aanzienlijk zouden zijn.

Voorts stelt de man dat de omzet nog steeds laag is. Dat blijkt ook uit het feit dat hij nog steeds een TOZO-uitkering geniet, die niet zo maar wordt verstrekt. De omzet die er wordt gedraaid moet bovendien gelijkelijk tussen alle vennoten worden verdeeld; dat was ook zo toen de vrouw zelf nog vennoot was. De man heeft dus nooit het inkomen gehad zoals de vrouw stelt. De man herhaalt op bijstandsniveau te leven en niet de draagkracht te hebben voor de verzochte partneralimentatie.

Dat de zoon van partijen niet genoemd zou zijn bij de TOZO uitkering, waardoor de uitkering onjuist is, is de man niet bekend. De man stelt de aanvraag correct te hebben ingevuld, de zoon staat bij hem ingeschreven op het woonadres.

2.4.7.

De rechtbank wijst erop, dat de hoofdregel is, dat eenieder na echtscheiding dient te voorzien in zijn of haar eigen levensonderhoud. Alimentatie is een vangnet voor degene die door omstandigheden niet in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien. Het is aan degene die om alimentatie verzoekt om te onderbouwen waarom hij of zij niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat zij sinds 15 augustus 2020 niet langer in het taxibedrijf werkzaam is vanwege de echtscheiding en thans een WWB-uitkering geniet. In dit kader is zij verplicht sollicitaties te verrichten en heeft zij dat ook gedaan, maar dit heeft nog niet tot werk geleid. De rechtbank is van mening dat de vrouw op dit moment heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting en behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

2.4.8.

Bij het bepalen van de behoefte van de vrouw gaat de rechtbank uit van de Hof-norm zoals is aangevoerd door de vrouw en ziet geen bijzondere redenen om hiervan in dit geval af te wijken, zoals door de man is verzocht.

De vrouw berekent haar behoefte op basis van een gemiddelde winst uit onderneming (over de jaren 2017 t/m 2019) van de man van € 57.862,-- bruto per jaar.

De mate van welstand ten tijde van het huwelijk is leidend, zodat de rechtbank derhalve mee gaat in berekende winst uit onderneming ad € 57.862,-- bruto per jaar, waarbij geen rekening wordt gehouden met de uitschieter 2020.

Deze winst uit onderneming dient echter, zoals is aangevoerd door de man, gelijkelijk over alle vennoten (in genoemde periode waren dat er vier, te weten de man, de vrouw en hun twee zoons) te worden verdeeld, nu niet is gebleken dat de vrouw en vennoten andere aandelen in het taxibedrijf hadden. Dit leidt tot een bruto winst uit onderneming per vennoot van € 14.466,-- per jaar. De man en de vrouw hadden hierdoor ieder een netto besteedbaar inkomen van € 1.173,-- per maand.

De rechtbank komt hiermee op een netto behoefte van de vrouw volgens de Hofnorm van 60% x € 2.346,-- = € 1.408,-- per maand, hetgeen een bruto behoefte oplevert van € 2.086,-- per maand. De rechtbank verwijst naar de bijgevoegde behoefteberekening van de vrouw.

2.4.9.

Voor de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de jaarstukken 2020 en de aan hem toegekende TOZO uitkering. Niet is vast komen te staan dat de jaarstukken 2020 onjuist zouden zijn; voorts is onvoldoende gebleken dat het taxibedrijf al weer uit de financiële problemen zou zijn. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om niet uit te gaan van de TOZO uitkering van de man omdat de zoon hierop niet genoemd zou zijn.

Uit deze stukken volgt dat de man momenteel onvoldoende draagkracht heeft om bij te kunnen dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen.

2.5.

Verdeling

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de volgens haar tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze, waarbij de vrouw er vanuit gaat dat Nederlands recht van toepassing is. Zij beroept zich daarbij op de uitzondering in art. 7 lid 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag.

2.5.2.

De man heeft daartegen verweer gevoerd. Hij stelt dat Turks recht van toepassing is, nu partijen voor 1 september 1992 zijn gehuwd en de rechtsregels van Chelouche/Van Leer moeten worden toegepast. Het Haags Huwelijksvermogensverdrag is niet van toepassing.

2.5.3.

Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

2.5.4.

Aangezien partijen gehuwd zijn voor 1 september 1992 is de rechtbank met de man van mening dat het Haags Huwelijksvermogensverdrag niet van toepassing is.

Naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht is Turks recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime als het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna. Immers, een geldige rechtskeuze is niet gesteld of gebleken en evenmin is gebleken dat partijen hun voorzieningen hebben afgestemd op een ander recht dan het hierboven gevonden recht.

2.5.5.

De vrouw heeft aangevoerd dat de volgende bestanddelen dienen te worden verdeeld: de inboedel, de beide auto’s van partijen, de banksaldi per peildatum, de (waarde van de) vennootschap onder firma “ [naam bedrijf] ” en het stuk grond te Turkije.

De man heeft eveneens verzocht te bepalen dat (de waarde van de) voornoemde bestanddelen gelijkelijk (wordt) worden verdeeld. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de waarden per peildatum.

Inhoud Turks huwelijksvermogensrecht

2.5.6.

Het Turkse recht kent sinds 1 januari 2002, als gevolg van de inwerkingtreding van het (nieuwe) Turkse Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW), als wettelijk huwelijkvermogensregime een zogenoemd deelgenootschap in vermogensopbouw.

Gesteld noch gebleken is dat partijen voor een ander huwelijksgoederenregime hebben gekozen zodat van dit regime zal worden uitgegaan. Dit deelgenootschap in vermogensopbouw houdt kort weergegeven het volgende in.

2.5.7.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (artikel 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.

2.5.8.

Als verwervingen worden onder meer beschouwd de tijdens het huwelijk om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder de inkomsten uit arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen (artikel 219 TBW).

2.5.9.

Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangende vermogensbestanddelen (artikel 220 TBW). Iedere echtgenoot beheert zijn eigen vermogen en beschikt daarover.

2.5.10.

Indien door de rechter is beslist tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding, eindigt het huwelijksgoederenregime op het tijdstip waarop de rechtszaak aanvangt (artikel 225 TBW).

2.5.11.

Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening aan de berekening toegevoegd (artikel 235 TWB). Daarbij wordt de nettowaarde van de verwervingen in aanmerking genomen: van de verwervingen van de echtgenoot worden eerst de daarop drukkende schulden afgetrokken en de andere echtgenoot krijgt op hem een vordering ten bedrage van de helft van de nettowaarde (de zogenaamde deelgenootschapsvordering). Waardevermindering wordt niet in aanmerking genomen, een negatief saldo evenmin.

2.5.12.

Tevens wordt nagegaan of eventueel een echtgenoot op de andere echtgenoot een vordering heeft vanwege investering in een goed van die ander welke heeft plaatsgevonden zonder enige of zonder passende vergoeding (de zogenaamde bijdragevordering). Is dit vermogensbestanddeel bij echtscheiding in waarde gestegen, dan verkrijgt de echtgenoot die heeft bijgedragen voor het bijgedragen deel een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening bij dit goed vastgestelde vermeerderde waarde. Is de waarde ten opzichte van de waarde aan het begin van de bijdrage gedaald, dan verkrijgt hij het geïnvesteerde bedrag.

2.5.13.

Al deze vorderingen worden uiteindelijk tegenover elkaar gezet en in voorkomend geval verrekend. Het persoonlijk vermogen wordt hierbij in beginsel niet betrokken.

2.5.14.

Verder geldt dat iedere echtgenoot met zijn hele vermogen aansprakelijk is voor zijn schulden (artikel 224 TBW). Bij de beëindiging van het regime moet worden vastgesteld welke schulden er zijn, zowel onderlinge schulden als de schulden jegens derden. Vervolgens wordt een schuld toegerekend aan het deelvermogen waarop zij rust (artikel 230 tweede volzin TBW). Is zulks niet mogelijk, dan wordt zij toegerekend aan de verwervingen.

2.5.15.

Tot slot geldt, dat mede-eigendom in beginsel verdeeld wordt al naar gelang ieders bijdrage, tenzij partijen anders afspreken.

2.5.16.

De uitgangspunten van het wettelijk stelsel kunnen als volgt worden samengevat:

1. Iedere echtgenoot blijft eigenaar van de goederen die hij of zij tijdens het huwelijk heeft verworven, maar de echtgenoten hebben over en weer aanspraak op de waarde van ieders verwervingen (dus geen aanspraak op eigendom),

2. de aanspraak beperkt zich tot de verwervingen tijdens het huwelijk

3. de aanspraak heeft de vorm van een vordering die financieel van aard is

Bij echtscheiding dient een verrekening van ieders verwervingen plaats te vinden.

Financiële afrekening

2.5.17.

De rechtbank bepaalt als volgt ten aanzien van de financiële afrekening van de door partijen aangedragen onderwerpen.

Inboedel

2.5.18.

Duidelijk is geworden dat partijen de inboedel beiden zien als mede-eigendom en dat deze naar Turks recht verdeeld kan worden naar gelang ieders bijdrage (met gesloten beurzen). De rechtbank zal bepalen dat partijen om de beurt een inboedelgoed mogen kiezen, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft.

Auto’s

2.5.19.

Beide auto’s zijn verkregen tijdens het huwelijk zodat deze dienen te worden aangemerkt als verwervingen en de waarde ervan verrekend moet worden.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat zij de Volkswagen Polo heeft verkocht voor € 2.000,--. De man heeft recht op de helft van dit bedrag.

De BMW staat op naam van de man en behoort hem derhalve in eigendom toe. De vrouw heeft recht op de helft van de waarde op het tijdstip van de vereffening. De rechtbank stelt de waarde op € 2.800,--, op basis van de door de man in het geding gebrachte koerslijst, waarbij in tegenstelling tot het ingebrachte stuk van de vrouw de exacte gegevens van de auto zijn ingevoerd. De man heeft derhalve recht op een bedrag van € 1.000,-- en de vrouw heeft recht op een bedrag van € 1.400,--.

Per saldo dient de vrouw van de man te ontvangen: € 400,--.

Banksaldi

2.5.20.

Partijen hebben de volgende bankrekeningen/tegoeden, met de volgende saldi per peildatum 8 oktober 2020:

  1. ANWB Visa Gold Card, rekeningnummer: [rekeningnummer 1] , t.n.v. de man, € 7.299,61

  2. ING betaalrekening, iban: [rekeningnummer 2] , t.n.v. de man, € 672,99

  3. ING Oranje spaarrekening (gekoppeld aan voornoemde rekening) t.n.v. de man, € 0,46

  4. ABN AMRO rekening, iban: [rekeningnummer 3] , t.n.v. de vrouw, € 187,06

  5. AKBANK rekening te Turkije t.n.v. de man, saldo per peildatum nihil, daarvoor stond er nog € 20.548,94 op.

2.5.21.

De vrouw noemt naast de in het vorige punt genoemde bankrekeningen nog de volgende twee bankrekeningen: ING betaalrekening, iban: [rekeningnummer 4] en ING betaalrekening, iban: [rekeningnummer 5] , met onbekende tenaamstelling en onbekend saldo. De man heeft gesteld dat deze rekeningen hem onbekend zijn.

Ten aanzien van deze twee rekeningen overweegt de rechtbank het volgende. De vrouw heeft het bestaan van deze rekeningen per peildatum niet aangetoond, zodat de rechtbank het verzoek om verrekening op dit punt afwijst.

2.5.22.

De saldi per peildatum van de in rechtsoverweging 2.5.20 genoemde bankrekeningen onder a t/m d dienen met elkaar te worden verrekend. Op de bankrekeningen ten name van de man stond per peildatum in totaal € 7.973,06 en op de bankrekening ten name van de vrouw stond € 187,06. Na verrekening dient de man nog aan de vrouw te voldoen: € 3.893,--.

Benadeling/verrekening spaarsaldo

2.5.23.

Ten aanzien van het spaarsaldo bij de AKBANK (rechtsoverweging 2.5.20 onder e) overweegt de rechtbank het volgende. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat op 1 september 2020 de heer [naam] (familie van de man en werkzaam bij de AKBANK) door de man is gemachtigd om € 20.000,-- contant op te nemen van genoemde bankrekening. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat er in september 2018 € 20.000 geleend moest worden voor het huwelijksfeest van hun zoon en dat dit in 2020 terugbetaald is met de opgenomen € 20.000,--. De vrouw stelt dat sprake is van benadeling.

De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw haar stelling baseert op art. 229 lid 2 TBW.

Op grond van dit artikel worden aan de verwervingen als vermogenswaarden toegevoegd de vervreemdingen die door een der echtgenoten gedurende het huwelijksregime zijn gedaan met de bedoeling de aanspraak uit deelneming van de andere echtgenoot te verminderen.

De rechtbank is van mening dat dit beroep op genoemd artikel slaagt. De rechtbank is met de vrouw van mening dat de man het bestaan van de schuld in verband met het huwelijk van de zoon van partijen onvoldoende heeft aangetoond. Het bestaan van deze schuld is bovendien niet aannemelijk geworden nu de schuld volgens de man in september 2018 zou zijn aangegaan, terwijl aannemelijk is dat het geld toen al op de genoemde bankrekening van de AKBANK stond. Als het geld er destijds al op stond, dan was er geen reden om het geld te moeten lenen. Nu het beroep van de vrouw op benadeling slaagt, dient het opgenomen geldbedrag ad € 20.000,-- te worden verrekend in die zin dat de man een bedrag van € 10.000,-- aan de vrouw dient te voldoen.

Aandeel van de man in de Vof

2.5.24.

De vrouw is op 15 augustus 2020, dus voor de peildatum, uit de Vof getreden. De waarde van het aandeel van de man in de vof dient als verwerving in de financiële afwikkeling te worden betrokken.

Uit de door de man in het geding gebrachte meest recente jaarrekening, te weten die van 2020, blijkt dat er thans een negatieve waarde is. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw moet meedelen in deze negatieve waarde, te weten in de schulden van de Vof.

2.5.25.

De rechtbank overweegt dat, zoals uit het voorgaande blijkt, een negatief saldo niet in aanmerking genomen bij de financiële afwikkeling. De waarde van het aandeel van de man in de Vof hoeft dan ook niet financieel te worden te worden verrekend. De rechtbank wijst er nog op, dat partijen aansprakelijk blijven voor hun eigen en gemeenschappelijke schulden.

Perceel grond te Turkije

2.5.26.

De man bezit een perceel grond te [plaats 2] (Turkije). Partijen hebben beiden gesteld dat de waarde ervan in de verrekening dient te worden betrokken; over de hoogte van deze waarde verschillen zij van mening.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn standpunt nog gewijzigd door primair te stellen dat de grond door zijn vader aan hem is geschonken, dat het perceel daardoor tot zijn vermogen is gaan behoren en niet in de financiële verrekening dient te worden betrokken.

De man heeft dit standpunt pas in een zeer laat stadium naar voren gebracht en onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting door de vrouw ervan, zodat de rechtbank deze stelling passeert. Deze grond is bovendien in 2018, dus tijdens het huwelijk en om baat verkregen, zodat de waarde ervan per peildatum in de financiële afwikkeling moet worden betrokken.

2.5.27.

Partijen twisten over de waarde per peildatum, zodat de rechtbank bepaalt dat de man drie erkende taxateurs in Turkije mag noemen, waarvan de vrouw er één uitkiest die vervolgens bindend de waarde zal vaststellen. De kosten van deze taxatie zullen tussen partijen gelijkelijk worden gedragen.

De vrouw heeft vervolgens recht op de helft van de waarde van genoemd perceel.

Het perceel grond zal alsnog worden verkocht aan (een) derde(n), wanneer de man financieel niet in staat blijkt het aan de vrouw toekomende deel van de waarde van het perceel te voldoen, dan wel als partijen gezamenlijk besluiten dat de man het stuk grond in onderling overleg met de vrouw verkoopt aan derden. In dat geval wordt de verkoopopbrengst gelijkelijk verdeeld.

3 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/13/691288 / FA RK 20-6659

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats 1] , Turkije op 11 juli 1990;

3.2.

bepaalt dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [adres] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

3.3.

verklaart de beslissing met betrekking tot het huurrecht van de woning uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/13/704204 / FA RK 21-4195

3.5.

stelt de financiële afwikkeling naar Turks recht als volgt vast:

3.5.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen € 400,-- vanwege de verrekening van de auto’s;

3.5.2.

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen € 3.893,-- vanwege de verrekening van de banksaldi/banktegoeden;

3.5.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw dient te voldoen € 10.000,-- vanwege benadeling van de vrouw;

3.5.4.

bepaalt dat partijen om de beurt een inboedelgoed zullen kiezen, waarbij de vrouw de eerste keus heeft, totdat de inboedel volledig is verdeeld, zonder nadere verrekening van de waarde hiervan;

3.6.

stelt de wijze van verrekening naar Turks recht als volgt vast:

3.6.1.

bepaalt dat de man binnen twee weken na heden drie erkende Turkse taxateurs aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die vervolgens bindend de waarde van het perceel grond te [plaats 2] (Turkije) van de man vaststelt;

3.6.2.

bepaalt dat de kosten van deze deskundige door partijen gezamenlijk worden gedragen;

3.6.3.

bepaalt dat binnen vier weken na de vaststelling van de waarde door de taxateur de vastgestelde waarde tussen partijen financieel verrekend dient te worden in die zin dat de man de helft van de vastgestelde waarde aan de vrouw voldoet;

3.7.

stelt de wijze van verrekening naar Turks recht als volgt vast in de situatie dat het perceel grond verkocht wordt aan (een) derde(n):

3.7.1.

bepaalt dat indien partijen binnen twee weken na heden samen besluiten niet tot de in punt 3.6.1 t/m 3.6.3 genoemde taxatie en/of financiële afwikkeling over te gaan, dan wel als binnen acht weken na voornoemde taxatie blijkt dat de man financieel niet in staat is aan de vrouw het haar toekomende geldbedrag te voldoen, het perceel grond door de man, na onderling overleg en overeenstemming tussen partijen, wordt verkocht aan (een) derde(n);

3.7.2.

bepaalt dat in dit geval de man binnen één week na voornoemde termijn drie Turkse verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van het perceel grond, dan wel indien de onder punt 3.6.1. van het dictum genoemde taxatie heeft plaatsgevonden deze taxateur/makelaar belast wordt met de verkoop van het perceel grond;

3.7.3.

bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

3.7.4.

bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

3.7.5.

bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld de man verplicht is zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);

3.7.6.

bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

3.7.7.

bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;

3.8.

verklaart deze beslissing met betrekking tot de financiële afwikkeling naar Turks recht uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.W.K. Bosman op 27 oktober 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.