Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6056

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
13.323443.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak woninginbraak, schuldig gemaakt aan het binnensmokkelen van verboden voorwerpen in een justitiële inrichting door een pakketje over de muren van de JJI Teylingereind te gooien. Verdachte is veroordeeld tot een hechtenis van drie dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.323443.20 (A), 13.177029.21 (B), 13.149949.20 (C), 10.050447.21 (D) en 13.741042.18 (TUL gekoppeld aan A)

Datum uitspraak: 26 oktober 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende op het adres [adres 1] , thans gedetineerd te: P.I. [naam PI] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.Y. de Boer en van wat verdachte, zijn raadsvrouw, mr. K.H. Zonneveld, en de vader van verdachte naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A

hij op of omstreeks 21 december 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere pisto(o)l(en), van het merk

- Makarov, type Pistolet Makarova, kaliber 9x18mm en/of
- Glock, type/model 26, kaliber 9 x 19mm,
zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een pistool en/of munitie, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- 4, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en), kaliber 9x18mm en/of
- een of meerdere patro(o)n(en), kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad;
(artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

Zaak B

hij op of omstreeks 20 april 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen en/of een ander, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) een of meerdere goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen (met een boor) een slot aan/van de toegangsdeur van voornoemde woning heeft/hebben verbroken en/of geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Zaak C
hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Sassenheim, gemeente Teylingen, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten
- een Iphone en/of
- twee, althens een of meer, sim-kaart(en) en/of
- 3, althans een of meer, aanstekers en/of
- een lader en/of
- een tipje voor joints en/of
- sokken
binnen een (afdeling van een) inrichting en/of een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk [naam Jeugdinrichting I] heeft gebracht en/of heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting en/of instelling verboden was;
(artikel 429a lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Zaak D

hij op of omstreeks 20 december 2020 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een mobiele telefoon, binnen een (afdeling van een) inrichting en/of een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk [naam Jeugdinrichting II] heeft

gebracht en/of heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting en/of instelling verboden was;
(artikel 429a lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde (het voorhanden hebben van vuurwapens)

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat er vuurwapens zaten in de buddyseat van zijn scooter. Hij had geen rijbewijs en hij leende daarom zijn scooter vaak uit aan anderen. Dat anderen gebruik maakten van de scooter op naam van verdachte blijkt ook uit de politiemutaties in het dossier. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte weet had van de vuurwapens zal hij worden vrijgesproken van het te laste gelegde.

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde (poging tot woninginbraak)

Volgens de officier van justitie is er voldoende bewijs in het dossier dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot woninginbraak. Verdachte is door acht verbalisanten herkend op de videobelbeelden in het trappenhuis die vlak voor de inbraak zijn gemaakt.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat het dossier uitgaat van politiële tunnelvisie ‘het op voorhand trekken van een conclusie en vervolgens alleen nog maar oog hebben voor informatie die overeenstemt met deze conclusie’. Er is op de camerabeelden van de buurvrouw geen inbraak waar te nemen. De raadsvrouw vindt het onbegrijpelijk dat de politie de alternatieve scenario’s niet heeft onderzocht.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 20 april 2021 is geprobeerd in te breken in een appartement aan de [adres 2] te Amsterdam. De huisgenoot van de aangever vertrok omstreeks 08:30 uur vanuit zijn woning. Omstreeks 17:05 uur kwam de aangever als eerste weer terug bij de woning. Hij zag dat de cilinder uit het slot was getrokken. Hij kon de sleutel van de woning niet meer gebruiken om de voordeur te openen. De aangever heeft de beelden bekeken die gemaakt zijn met de videodeurbel van zijn buurvrouw, die een verdieping hoger woont (op nummer [huisnummer I] ). De beelden zijn gemaakt tussen 14:50:05 uur en 15:52:07 uur. Op deze beelden zag hij dat er omstreeks 14:50 uur vier mannen door het trappenhuis liepen. Deze beelden zijn ook bekeken door verbalisant [naam verbalisant] . Op de beelden is te zien dat er om 14:50:05 uur drie personen op de trap, achter elkaar, naar boven lopen. Om 14:50:21 uur lopen zij weer naar beneden en verdwijnen zij uit beeld. Er is vervolgens een ‘zacht gerommel’ te horen en vanaf 14:50:55 uur tot het einde van het videofragment zijn boorgeluiden te horen. Verbalisant [naam verbalisant] hoorde steeds voor een paar seconden de boorgeluiden waarna het een paar seconden stil wordt. Hij herkent dit geluid alsof er iets metaalachtigs geboord wordt. Verdachte en zijn medeverdachten zijn door meerdere verbalisanten herkend als de jongens die vlak voor de boorgeluiden in het trappenhuis lopen.

Ter zitting heeft verdachte een verklaring afgelegd. Het klopt dat hij op de bewuste dag te zien is op de beelden; hij herkent zichzelf ook op de stills. Een vriend van hem, medeverdachte [naam medeverdachte I] , woont in hetzelfde appartement, op de begane grond op nummer [nummer III] . Verdachte ging daar vaak samen met zijn vrienden ‘chillen’. Verdachte heeft verder stellig ontkend dat hij iets te maken heeft met de ten laste gelegde poging tot woninginbraak.

De rechtbank is - met de raadsvrouw - van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om verdachte buiten enige twijfel als één van de daders aan het ten laste gelegde te koppelen. Op de stills van de beschikbare videobelbeelden is het incident niet te zien. Er zijn geen getuigen die iets hebben gezien. Ook is het exacte tijdstip van de inbraak niet duidelijk geworden, aangezien de bewoners omstreeks 08:30 uur uit de woning zijn vertrokken en pas omstreeks 17:05 uur weer thuis zijn gekomen.
De rechtbank stelt voorts vast dat het gebouw waar de poging tot inbraak heeft plaatsgevonden een appartementencomplex is, met aldus meerdere woningen in één trappenhuis. Niet kan worden vastgesteld de boorgeluiden die tijdens het videofragment tussen 14:50:05 uur en 15:52:07 te horen waren werden veroorzaakt door het boren in het slot van de deur van nummer [huisnummer II] . Niet uit te sluiten is dat deze geluiden zijn toe te schrijven aan het boren door een van de andere bewoners in het appartementencomplex, te minder nu deze andere bewoners niet als getuige zijn gehoord. Verder merkt de rechtbank op dat de beelden afkomstig zijn van de verdieping die boven de verdieping van de aangever is gelegen. De inbrekers hoeven vanaf de begane grond dus niet noodzakelijkerwijs langs de deur van [huisnummer I] met de camera te lopen om bij de lagergelegen woning van de aangever op nummer [huisnummer II] te komen. Dat er die middag (kennelijk) geen andere personen op de camerabeelden zijn te zien, wil dus niet zeggen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de poging tot woninginbraak. Nu de rechtbank tot slot heeft vastgesteld dat een van de medeverdachten inderdaad in hetzelfde gebouw woonachtig is, kan niet worden gezegd dat de verklaring van verdachte zodanig ongeloofwaardig is dat deze terzijde dient te worden geschoven, laat staan dat deze als kennelijk leugenachtig kan worden bestempeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde (het binnensmokkelen van verboden voorwerpen in een justitiële inrichting)

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van het ‘medeplegen’ in de tenlastelegging.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij het politieverhoor van 19 maart 2020 heeft medeverdachte [naam medeverdachte II] verklaard dat hij op 18 maart 2020 een pakketje over de muren van de JJI ‘ [naam Jeugdinrichting I] ’ heeft gegooid. Hij werd door anderen benaderd, omdat hij American Football heeft gespeeld en derhalve goed kan gooien. Hij was op de bewuste dag met drie andere jongens. Zij zijn met hem meegaan naar [naam Jeugdinrichting I] en zij hebben samen geprobeerd te vluchten voor de politie. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte II] klopt en dat hij één van de jongens is geweest. De rechtbank zal verdachte - ondanks dat hij een bekennende verklaring heeft afgelegd - vrijspreken van het ten laste gelegde, omdat het bestanddeel ‘medeplegen’ niet is ten laste gelegd. Om deze reden kan verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gedragingen van zijn medeverdachte [naam medeverdachte II] .

5 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde (het binnensmokkelen van verboden voorwerpen in een justitiële inrichting)

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde:

op 20 december 2020 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een mobiele telefoon, binnen een (afdeling van een) inrichting en een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk [naam Jeugdinrichting II] heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting en instelling verboden was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte poging tot woninginbraak (zaak B) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van de twee overtredingen (zaak C en D) dient onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel aan verdachte opgelegd te worden. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen.

De raadsvrouw heeft toegelicht dat verdachte twee weken in voorarrest heeft gezeten voor het ten laste gelegde in zaak A. Indien de rechtbank een vrijheidsstraf noodzakelijk acht dan is een hechtenis die gelijk is aan het voorarrest meest passend.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft samen met anderen een pakketje met daarin een mobiele telefoon gegooid over de gevangenismuren van [naam Jeugdinrichting II] waar zijn broer op dat moment in detentie zat. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij gehoor heeft gegeven aan het verzoek van zijn broer om een telefoon naar binnen te smokkelen en dat hij verder niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank vindt deze gang van zaken zorgelijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2021 waaruit blijkt dat verdachte op 22 november 2018 door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld is tot een forse jeugddetentie van 250 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren voor diverse delicten. Op dit moment zit verdachte in voorlopige hechtenis voor een andere recentere strafzaak.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapporten die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt.

Gelet op de vrijspraken in zaak A, B en C zal de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank vindt het echter zeer zorgelijk dat verdachte gedurende zijn minderjarigheid al een forse detentieperiode achter de rug heeft. Uit het reclasseringsadvies van 29 juli 2021 blijkt dat verdachte geen inzicht geeft in zijn dagelijkse bezigheden. Hij komt zijn afspraken niet na, hij is niet bereikbaar voor zijn begeleiders, hij komt regelmatig in beeld bij de politie en hij wil geen hulp bij het regelen van zijn zaken. Reclassering Nederland ziet geen mogelijkheden meer om met interventies tot een positieve gedragsverandering te komen. Inmiddels is verdachte 19 jaar en zit hij op verdenking van een nieuw strafbaar feit gedetineerd in een (volwassen)gevangenis. Ter zitting heeft verdachte door zijn houding laten zien dat hij volwassen genoeg is om te begrijpen dat de zorgen over hem terecht zijn. Verdachte heeft aangegeven dat hij zijn leven wil verbeteren, omdat de huidige detentieperiode hem zwaar valt. Hij wil graag een opleiding afronden om in de toekomst een kans te kunnen maken op een goed betaalde baan. Het is voor de rechtbank duidelijk dat verdachte voldoende capaciteiten heeft om zijn doelen waar te maken (aangezien hij op de middelbare school op het gymnasium is gestart), maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat hij afstand neemt van zijn delictgedrag en van zijn vrienden die zich in het criminele circuit bevinden.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

De rechtbank zal de voorwaardelijk opgelegde straf in parketnummer 13.741042.18 afwijzen, zoals verzocht door de officier van justitie en bepleit door de raadsvrouw, nu deze vordering gekoppeld is aan het voorhanden hebben van vuurwapens in zaak A waarvan verdachte wordt vrijgesproken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9 en 429a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het in zaak A, B en C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak D bewezen verklaarde:

Het binnensmokkelen van verboden voorwerpen in een justitiële inrichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot hechtenis van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13.741042.18.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door


mr. E.M. Devis, voorzitter tevens kinderrechter,


mrs. H.P.E. Has en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Bakir, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.