Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6009

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
13/751920-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland, vervolging, Overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751920-21

RK nummer: 21/4961

Datum uitspraak: 19 oktober 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juli 2021 door het Landgericht Mönchengladbach (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

uit anderen hoofde gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 oktober 2021. Het verhoor heeft, via een videoverbinding, plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. El Idrissi, advocaat te Rotterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, te weten een bevel tot voorlopige hechtenis van het Landgericht Mönchengladbach van 5 juli 2021 (dossiernummer: 21 KLs-700 Js 3112/19-33/20).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.

Het feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Staatsanwältin van het Staatsanwaltschaft Mönchengladbach heeft op 10 september 2021 de volgende garantie gegeven:

“with reference to the EAW of 23-07-2021 concerning Mr. [opgeëiste persoon] we guarantee that in case the wanted person after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ).”

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.

De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in Duitsland aangevangen;

  • -

    de bewijsmiddelen bevinden zich in Duitsland;

  • -

    de medeverdachten bevinden zich in Duitsland en worden daar vervolgd;

  • -

    de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd.

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;

- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

Gelet op het voorgaande en de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt de omstandigheid dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7 Overige verweren

Standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd in het licht van artikel 11 OLW. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er tegen de opgeëiste persoon een strafzaak in Nederland loopt. In deze Nederlandse strafzaak is een onderzoek ten behoeve van een Pro Justitia rapport gaande, in verband met de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft specifieke zorg nodig die hij wellicht in Duitsland niet kan krijgen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek dient te worden aangehouden om nadere informatie te laten opvragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de zorg die hij daar in detentie zal krijgen.

Standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan en ziet geen reden om de behandeling van het overleveringsverzoek aan te houden. Een Nederlandse strafververvolging voor andere feiten dan het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt vormt geen grond voor weigering van de overlevering, maar kan slechts een beletsel opleveren voor de feitelijke overlevering. Mocht daarnaast uit het Pro Justitia rapport blijken dat de opgeëiste persoon in verband met zijn persoonlijke omstandigheden extra zorg nodig heeft, dan kan het Openbaar Ministerie deze informatie delen met de uitvaardigende justitiële autoriteit zodat de opgeëiste persoon na zijn overlevering de benodigde zorg krijgt.

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman overweegt de rechtbank dat een Nederlandse strafververvolging voor andere feiten dan het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt geen grond vormt voor weigering van de overlevering. Een dergelijke lopende strafvervolging in Nederland kan slechts een beletsel opleveren voor de feitelijke overlevering. Datzelfde geldt voor de gestelde persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon.

De rechtbank verwerpt het verweer.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Mönchengladbach (Duitsland).


Aldus gedaan door

mr. H. P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 oktober 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.