Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:6000

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
22-10-2021
Zaaknummer
13/116804-19 (A), 13/302206-19 (B), 13/024615-19 (C) & 13/702326-18 (tul) & 13/026600-19 (tul) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk omdat hij zich in mei en december 2019 samen met zijn mededaders de toegang verschafte tot de bankrekeningen van slachtoffers door te doen alsof hij betalingsproblemen had en niet kon pinnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/116804-19 (A), 13/302206-19 (B), 13/024615-19 (C) & 13/702326-18 (tul) & 13/026600-19 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 21 oktober 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] (postadres).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.G. Peerik, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte wordt, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten:

Zaak A

(mede)plegen van:

  1. diefstal van een QR-code en € 3.511,- (omstreeks 11 mei 2019 in Amsterdam);

  2. afpersing (12 mei 2019 in Amsterdam);

  3. oplichting van verschillende mensen (11 en 12 mei 2019 in Amsterdam);

  4. computervredebreuk (11 en 12 mei 2019 in Amsterdam);

  5. poging tot oplichting (12 mei 2019 in Amsterdam);

Zaak B

(mede)plegen van:

1. computervredebreuk (17 december 2019 in Zwolle);

2. diefstal met een valse sleutel (17 december 2019 in Zwolle);

3. ( eenvoudig) (schuld)witwassen (17 december 2019 in Gouda);

Zaak C

opzettelijk aanwezig hebben van 6,74 gram MDMA (25 december 2018 in Amsterdam).

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis. De tekst geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank leest de in de zesde regel van feit 1 in zaak B vermelde naam “ [naam 1] ” als “ [naam 2] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten als medepleger heeft begaan. De officier van justitie vindt feit 2 niet bewezen, omdat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat dat sprake was van een afpersing.

De officier van justitie vindt ook bewezen dat verdachte de in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Bij de feiten 1 en 2 was sprake van medeplegen, bij feit 3 niet.

Tot slot vindt de officier van justitie ook bewezen dat verdachte het in zaak C ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen een eventuele bewezenverklaring van de in zaak A onder 1 en in zaak A onder 3 wat betreft aangever [aangever 1] en in zaak C ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de overige feiten stelt de verdediging dat niet is bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan. Daarnaast merkt de verdediging bij feit 1 (zaak A) op dat bankgegevens/een QR-code geen goederen zijn die weggenomen kunnen worden, omdat de rechthebbende niet de beschikkingsmacht verliest, wat in elk geval tot een gedeeltelijke vrijspraak moet leiden. De verdediging merkt bij feit 4 (zaak A) ook op dat ‘een account van een internetbankieren-applicatie’ geen ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van de wet is, zodat verdachte ook om die reden van dit feit moet worden vrijgesproken. Tot slot merkt de verdediging bij de feiten 1 en 2 in zaak B op dat de fotoconfrontatie niet voldoet aan de eisen voor een meervoudige fotoconfrontatie, met als gevolg dat de ‘herkenning’ van verdachte door aangever onbetrouwbaar is.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen in zaak A van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[aangever 2] heeft op 12 mei 2019 aangifte gedaan en hij verklaarde toen het volgende. Afgelopen nacht [de rechtbank begrijpt telkens: de nacht van 11 op 12 mei 2019] was hij met een vriend ( [aangever 2] ) uit geweest in Amsterdam. Op het Koningsplein besloten ze lachgas te kopen van twee jongens en – omdat ze geen contant geld meer hadden – spraken ze af om het geld over te maken. [aangever 2] heeft zijn telefoon ontgrendeld met de pincode, vervolgens zijn ING mobiel bankieren-app geopend en daarna heeft hij zijn telefoon aan de verkoper (NN1) gegeven om diens bankgegevens in te vullen. Overdag rond twaalf uur/half één zag [aangever 2] via mobiel bankieren dat er veel geld van zijn rekening ( [nummer] ) was afgeschreven, in totaal € 3.511,‑. Hij verklaarde deze betalingen niet gedaan te hebben.2

Het totaalbedrag van € 3.511,- dat van de bankrekening van [aangever 2] is afgeschreven, bestaat uit de volgende overboekingen. Er wordt € 1,-, € 710,- en € 1.000,- overgemaakt naar de bankrekening van The Oranje Umbrella Company. Verder wordt er € 700,- overgemaakt aan [naam 3] en € 900,- aan [naam 4] . Tot slot zijn via een Rabo-betaalverzoek geldbedragen van € 10,- en € 190,- afgeschreven.3 Uit het transactieoverzicht blijkt ook dat na de betalingen aan The Oranje Umbrella Company vanaf deze rekening twee betalingen (€ 200,- en € 500,-) worden teruggeboekt.

[naam 5] van ING verklaarde bij de rechter-commissaris over de werkwijze om de ING-app frauduleus over te zetten naar een andere telefoon. Een fraudeur vraagt dan om een overboeking via de telefoon en vraagt dan om de telefoon om zijn rekeningnummer in te voeren. Ondertussen scant hij dan een QR-code en neemt de bankrekening-app over. Op de telefoon waar de rekening wordt gehouden, komt een bevestigingscode binnen die gebruikt moet worden op de telefoon met de QR-code. De fraudeur heeft dus de QR-code aangevraagd. Op het moment dat de fraudeur met de QR-code en de bevestigingscode de rekening heeft overgenomen, heeft de fraudeur de beschikking over de rekening.4

Op 13 mei 2019 verklaarde [naam 6] , Forensisch IT-expert van ING, dat er op 12 mei 2019 om 03:04 uur activiteit plaatsvindt op het ING-account van [aangever 2] en dat de rekening om 03:10 uur is gekoppeld aan een andere telefoon, een Samsung Galaxy J4.5

De eigenaar van The Oranje Umbrella Company, [naam 7] , heeft aangifte gedaan. Hij verklaarde dat hij op 12 mei 2019 rond 03:30 uur in de Kalverstraat in Amsterdam op een groepje van drie mannen stuitte en dat hij toen door een van de mannen werd aangesproken die hem vroeg of hij geld voor hem kon pinnen. De man zei dat hij zijn pas kwijt was, maar dat hij met zijn telefoon geld zou overmaken naar de rekening van [naam 7] , en die zou dan dat geld moeten pinnen. [naam 7] gaf zijn bankrekeningnummer en kreeg in totaal € 1.711,- overgemaakt. Hij heeft op het Rokin twee keer geld gepind voor de man: om 03:39 uur € 700,- en om 03:41 uur € 300,-. Die andere mannen bleven erom heen staan.6 Naast de € 1.000,- die is gepind, is er ook € 700,- teruggeboekt vanaf de rekening van The Oranje Umbrella Company naar de rekening van [aangever 2] .

Ook [naam 4] heeft aangifte gedaan. Hij verklaarde dat hij op 12 mei 2019 omstreeks 04:1504:30 uur op het Rokin stond te wachten en toen door twee jongens werd aangesproken. Ze zeiden dat ze geld nodig hadden en dat ze hun pinpas niet bij zich hadden en vroegen aan [naam 4] of hij voor ze wilde pinnen. [naam 4] heeft zijn bankrekeningnummer gegeven en zag dat er € 900,- was overgemaakt. Hij heeft toen om 04:32 uur bij het pinautomaat aan het Rokin € 900,- gepind en aan een van de jongens gegeven.7

Verder zagen verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] op 12 mei 2019 om 4:30 uur verdachte en [naam 8] in de Voetboogstraat in Amsterdam. [verbalisant] hoorde dat verdachte tegen hem zei: “He mag ik wat vragen?” en “Ik moet naar Leeuwarden met de taxi en heb geen pinpas. Kan ik jou geld overmaken dat jij dat kunt pinnen?”8

Later zag verbalisant [verbalisant] verdachte en [naam 8] op 12 mei 2019 om 04:50 uur in de Kalverstraat in Amsterdam. Hij zag dat ze stonden te praten met een blanke man en een vrouw en dat zij na vijf minuten samen naar de pinautomaten op het Rokin liepen.9 Toen de verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ter plaatse kwamen, zagen zij dat een blanke man aan het pinnen was en dat daarna sprake was van een overdracht tussen de blanke man en verdachte. [verbalisant] verzocht vervolgens aan [verbalisant] en [verbalisant] om de blanke man en de vrouw te volgen.10 [verbalisant] en [verbalisant] zagen dat de pinner samen met een dame en een andere man wegliep. Toen zij de pinner aanspraken, bleek deze [aangever 1] te zijn. [aangever 1] vertelde hun dat hun gevraagd werd of zij geld konden pinnen. Het geld zou worden overgemaakt naar hun rekening. [aangever 1] ging hiermee akkoord en kreeg via een betaalverzoek eerst € 10,- en daarna € 190,-. Vervolgens pinde hij € 200,- voor de jongen. Het geld dat bijgeschreven werd, was afkomstig van de bankrekening van [aangever 2] .11

Vervolgens zijn verdachte, [naam 8] en de bij hen aanwezige [naam 9] aangehouden.12 Na de aanhouding van verdachte zijn onder hem onder meer in beslag genomen uit zijn schoudertas een Samsung Galaxy J413, uit zijn capuchontrui een bankpas op naam van [naam 3]14 en uit zijn linker jaszak een geldbedrag van in totaal € 1.780,-.15

In de telefoon is een Whatsapp-gesprek aangetroffen met ‘ [naam 10] ’ waarin de gebruiker van de telefoon van verdachte om 4:53 uur ‘Yo’ zegt en ‘ [naam 10] ’ om 4:55 uur een betaalverzoek verstuurt.16 Eenzelfde gesprek is aangetroffen in de telefoon van [aangever 1] .17

Bewezenverklaring feit 1, 3 en 5

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat verdachte samen met zijn mededaders zich toegang heeft verschaft tot de mobiel bankieren-omgeving van de bankrekening van [aangever 2] en vanaf die bankrekening in totaal € 3.511,- heeft overgemaakt naar verschillende bankrekeningen van (onschuldige) derden. Drie van hen ( [naam 7] , [naam 4] en [aangever 1] ) zijn bewogen om voor verdachte en zijn mededaders geld te pinnen en aan hen te geven. Zij zijn daartoe bewogen door de listige kunstgreep waarmee verdachte en zijn mededaders de toegang tot de bankrekening van [aangever 2] hebben verkregen en vervolgens vanaf die bankrekening geld hebben overgemaakt. Daarnaast is sprake van een samenweefsel van verdichtsels. Verdachte en zijn mededaders vroegen immers telkens of er voor hen gepind kon worden, omdat zij dat zelf niet konden, en vervolgens lieten zij geld pinnen dat afkomstig was van een bankrekening van een ander.

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden ook af dat verdachte en zijn mededaders geprobeerd hebben om [verbalisant] op te lichten door hem te vragen of hij geld voor hen kon pinnen. Bij de conclusie dat sprake is van een poging tot oplichting betrekt de rechtbank ook dat de manier waarop verdachte en zijn mededaders [verbalisant] hebben benaderd in grote mate overeenkomt met hoe ze [naam 7] , [naam 4] en [aangever 1] hebben benaderd. De rechtbank vindt aldus bewezen dat verdachte de feiten 1, 3 en 5 heeft begaan.

Vrijspraken (feit 2 en feit 4) en deelvrijspraken (feit 1 en feit 3)

Net als de officier van justitie en de verdediging vindt de rechtbank feit 2 (afpersing [naam 7] ) niet bewezen, omdat de aangifte op dit punt onvoldoende wordt ondersteund. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Net als de verdediging vindt de rechtbank ook feit 4 niet bewezen en daarom spreekt zij verdachte daarvan vrij. Het volgende is hiervoor van belang. In de tenlastelegging wordt verdachte verweten dat hij een geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens, te weten een account van een internetbankieren-applicatie, is binnengedrongen. De rechtbank is van oordeel dat een internetbankieren-applicatie op zichzelf niet is aan te merken als een ‘geautomatiseerd werk’ in de zin van de artikelen 80sexies en 138ab van het Wetboek van Strafrecht, omdat het daar gaat om fysieke apparaten.18 De rechtbank merkt daarbij op dat – anders dan in zaak B – niet ook de servers van ING in de tenlastelegging worden genoemd.

De rechtbank vindt ook niet bewezen dat verdachte bankgegevens/een QR-code heeft gestolen, omdat uit het dossier niet blijkt dat deze buiten het bereik van de rechthebbende zijn gebracht.

Tot slot vindt de rechtbank ook niet bewezen dat verdachte [naam 3] heeft opgelicht (onderdeel feit 3). Tegen de achtergrond van het dossier begrijpt de rechtbank deze verdenking zo dat die ziet op het geld dat [naam 3] op 11 mei 2019 heeft gepind en heeft overhandigd aan een man, door [naam 3] aangeduid als NN1, en dat dit geld afkomstig zou zijn van de bankrekening van [naam 11] . In het bijzonder blijkt uit het dossier onvoldoende dat het geld wederrechtelijk van de rekening van [naam 11] is verkregen, omdat [naam 11] geen verklaring heeft afgelegd.

Zaak B

Bewezenverklaring feit 1

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte feit 1 heeft begaan. Anders dan de verdediging hecht de rechtbank daarbij waarde aan de herkenning van verdachte door aangever [naam 2] . De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een juist uitgevoerde meervoudige fotoconfrontatie, wat maakt dat het gewicht van de herkenning lager is dan als wel sprake was van zo’n fotoconfrontatie. Dit betekent echter niet dat de herkenning geheel niet van waarde kan zijn.

Dat de rechtbank wel waarde hecht aan deze herkenning van verdachte, komt door de volgende omstandigheden. Verdachte is enkele uren na het voorval bij Gouda aangetroffen in de auto met het kenteken [kenteken] . De verbalisanten in Zwolle die hebben verklaard over het strafbare feit, hebben de jongemannen zien instappen in een auto met dat kenteken. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij wel in die auto is aangetroffen, maar niet betrokken zou zijn bij de in Zwolle gepleegde strafbare feiten. Ook volgt uit de bewezenverklaring in zaak A dat verdachte zich eerder aan soortgelijke feiten heeft schuldig gemaakt en dat in zaak A en in zaak B verdachte steeds degene is die het contact maakt met de slachtoffers.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte (zelf) het geld heeft afgeschreven van de rekening van aangever [naam 2] , zodat de tenlastegelegde diefstal niet bewezen is. Omdat diefstal in vereniging niet is tenlastegelegd, zal verdachte worden vrijgesproken van feit 2.

Vrijspraak feit 3

De rechtbank vindt ook niet bewezen dat verdachte feit 3 heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding op 17 december 2019 het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 1.150,- bij zich had. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat dit contante geldbedrag te herleiden is tot het geldbedrag van in totaal € 3.600,- dat van de bankrekening van [naam 2] is gestolen (feit 2). Het dossier bevat onvoldoende informatie over wat er met het geld is gebeurd, nadat het vanaf de bankrekening van [naam 2] is overgeboekt. Ook op basis van de verdere inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat het geldbedrag afkomstig is uit een bekend misdrijf.

Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Om te beginnen is daarvoor nodig dat uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Pas als het Openbaar Ministerie bewijs heeft aangedragen voor een vermoeden van witwassen, komt het op de weg van verdachte te liggen om een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst.


De rechtbank kan in deze zaak echter niet vaststellen dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Daarvoor is van belang dat sprake is van een niet heel groot geldbedrag, terwijl op basis van het dossier het ook aannemelijk is dat verdachte zich bezig hield met het verkopen van lachgas. Het verkopen van lachgas levert op zichzelf geen misdrijf op, terwijl de inkomsten in de regel contant verdiend zullen worden.

Zaak C

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte het in zaak C ten laste gelegde heeft begaan, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige inhoud van het dossier.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

Zaak A

Feit 1

omstreeks 11 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag (€ 3.511,-) aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan
[aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 3

op tijdstippen op 12 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] , [naam 4] en [naam 7] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer geldbedragen, door

− [aangever 1] , [naam 4] of [naam 7] te vragen geld voor hem en/of zijn mededaders te pinnen, omdat hij/zijn mededaders zelf niet kunnen pinnen,

− vervolgens via een internetbankieren-applicatie geldbedragen van de bankrekeningen toebehorende aan [aangever 2] over te boeken naar de bankrekeningen van [aangever 1] , [naam 4] of [naam 7] ;

Feit 5

op 12 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachten voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [verbalisant] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten één of meer geldbedragen, tegen die [verbalisant] heeft gezegd: "He mag ik wat vragen? Ik moet naar Leeuwarden met de taxi en heb geen pinpas. Kan ik jou geld overmaken dat jij dat kunt pinnen?" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B

Feit 1

op 17 december 2019 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de server(s) in gebruik bij ING, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, immers hebben de verdachten met het toestel en/of de mobiel bankieren app van [naam 2] een QR code gescand op zijn/hun eigen telefoon en/of mobiel bankieren app, waardoor de verdachten direct toegang verkregen tot de betaalgegevens en het account van die [naam 2] , waartoe verdachten niet gerechtigd waren;

Zaak C

op 25 december 2018 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,74 gram van een materiaal bevattende MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte de bewezen feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn voor de zaak A opgenomen in (de voetnoten bij) paragraaf 3.3 en voor de zaken B en C opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat sprake is van een voortgezette handeling tussen de feiten 1 en 3 in zaak A en met de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging verzoekt uiteindelijk om – gelet op de jonge leeftijd van verdachte en een recent ingezet traject vanuit de gemeente – de op te leggen straf zoveel als mogelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, opleggen. Daarvoor is het volgende van belang.

Verdachte heeft zich in mei en december 2019 samen met zijn mededaders op een listige wijze toegang verschaft tot de bankrekeningen van [aangever 2] en [naam 2] waardoor hen duizenden euro’s afhandig konden worden gemaakt.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder zwaar aan dat hij op grove wijze misbruik heeft gemaakt van de bereidheid van [naam 7] , [naam 4] , [aangever 1] en [naam 2] om hem te helpen met verzonnen betalingsproblemen. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat in hem werd gesteld, op ernstige wijze geschonden. Ook draagt dit handelen eraan bij dat de bereidheid in de samenleving om een ander in nood te helpen, wordt aangetast.

Tot slot heeft verdachte harddrugs aanwezig gehad die – gelet op de hoeveelheid en de eigen verklaring van verdachte – niet alleen voor eigen gebruik bestemd was.

Gelet op de hiervoor geschetste ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een minder zware sanctie dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf is ook het volgende van belang.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogens- en drugscriminaliteit en dit neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook blijkt uit het strafblad van verdachte en de behandeling op zitting dat verdachte sinds de bewezen verklaarde feiten voor andere feiten is veroordeeld, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte ook rekening met de omstandigheid dat hij zich aan het in zaak B bewezen verklaarde feit heeft schuldig gemaakt, terwijl de voorlopige hechtenis in zaak A voor soortgelijke feiten geschorst was.

Tot slot heeft de rechtbank gekeken naar de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat in zaak B de termijn van twee jaren nog niet is verstreken, zodat wat betreft dat feit geen sprake is van een overschrijding. De rechtbank beschouwt in de zaken A en C 12 mei 2019 als beginpunt van de redelijke termijn, omdat verdachte toen voor het eerst in verzekering is gesteld. Sindsdien is een periode van ongeveer twee jaar en vijf maanden verstreken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om te volstaan met de constatering van de overschrijding en deze overschrijding verder niet te compenseren in de strafmaat. Daarvoor is vooral van belang dat de zaak eerder op zitting heeft gestaan (29 juli 2021) en dat de zaak toen op verzoek van zijn advocaat is aangehouden, omdat verdachte zonder opgaaf van reden niet was verschenen.

9 Beslag

Onder verdachte zijn meer voorwerpen in beslag genomen waarover nog geen beslissing is genomen. In zaak A gaat het om geldbedragen van € 1.780,-, € 68,80 en € 3,95, twee ovchipkaarten, drie bankpassen en drie kassabonnen. In zaak C gaat het om een geldbedrag van € 270,-.

De officier van justitie heeft verzocht het geldbedrag van € 270,- verbeurd te verklaren, omdat het aan te merken is als handelsgeld. De officier van justitie heeft gesteld dat de overige geldbedragen (op papier) teruggegeven kunnen worden aan verdachte, omdat hierop ook conservatoir beslag ligt ten behoeve van de benadeelde partij. De ov-chipkaarten en de bankpassen kunnen wat de officier van justitie betreft retour naar de rechthebbende en de kassabonnen kunnen retour naar de beslagene.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.

Verbeurdverklaring € 1.780,-

De rechtbank zal het geldbedrag van € 1.780,- verbeurd verklaren. Het geld behoort aan verdachte toe en omdat dit geld geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het in zaak A onder 1 en 3 bewezen geachte is verkregen, wordt dit geld verbeurdverklaard.

Overige voorwerpen en geldbedragen

De rechtbank zal beslissen dat (op papier) de overige geldbedragen aan verdachte zullen worden teruggegeven. Wat betreft het geldbedrag van € 270,- is in het bijzonder van belang dat het dossier – naast het bewijs voor het aanwezig hebben van de harddrugs – onvoldoende aanknopingspunten bevat om het geld te kunnen kwalificeren als handelsgeld. De rechtbank zal verder gelasten dat de ov-chipkaarten en de bankpassen aan de rechthebbende teruggegeven kunnen worden en dat de drie kassabonnen aan verdachte teruggegeven kunnen worden.

10 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregelen

[aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert € 3.511,- aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, beide posten te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal de vergoeding van materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 2.811,- en [aangever 2] voor de vordering die ziet op de overige materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Uit het dossier blijkt dat namelijk dat in totaal € 3.511,- van de rekening van [aangever 2] is afgeschreven, maar ook dat een bedrag van in totaal € 700,- terug is gestort vanaf de bankrekening van The Oranje Umbrella Company. Daarmee is de uiteindelijk geleden schade € 2.811,-.

De rechtbank zal de [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering die ziet op de vergoeding van immateriële schade, omdat onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. [aangever 2] alsnog in de gelegenheid te stellen om de vordering op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal in totaal een bedrag van € 2.811,- toewijzen, inclusief de wettelijke rente daarover vanaf 12 mei 2019.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [aangever 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 3.600,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte de diefstal van het geld heeft gepleegd, doet daar niet aan af, nu de computervredebreuk die latere diefstal heeft mogelijk gemaakt. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2019.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

11 Vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Gelijktijdig met de behandeling van de zaken A, B en C zijn de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen in de zaken met parketnummers 13/702326-18 en 13/026600-19 aanhangig gemaakt.

De officier van justitie heeft op zitting kenbaar gemaakt dat beide voorwaardelijke straffen al ten uitvoer zijn gelegd en dat om die reden, wat het Openbaar Ministerie betreft, deze vorderingen niet meer aan de orde zijn. De officier van justitie heeft de vorderingen echter niet uitdrukkelijk ingetrokken.

De rechtbank ziet in het standpunt van het Openbaar Ministerie dan ook aanleiding om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in beide vorderingen tot tenuitvoerlegging.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 56, 57, 63, 138ab, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 2 en 4 en in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 3 en 5, in zaak B onder 1 en 2 en in zaak C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A, feit 1 en 3

Voortgezette handeling van

- diefstal door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Zaak A, feit 5

- medeplegen van poging tot oplichting;

Zaak B, feit 1

- computervredebreuk

Zaak C

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd:

€ 1.780,- (Zaak A, goednummer 5749622)

Gelast de teruggave aan verdachte van:

€ 68,80 (Zaak A, goednummer 5749624)

€ 3,95 (Zaak A, restbedrag goednummer 5749624)

3 kassabonnen (Zaak A, goednummer 5749631)

€ 270,- (Zaak C, goednummer 5683683)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

2 ov-chipkaarten (Zaak A, 5749633)

3 bankpassen (Zaak A, 5749630)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 2.811,- (tweeduizend achthonderdenelf euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 mei 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] , aan de Staat € 2.811,- (tweeduizend achthonderdenelf euro) te betalen,te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 mei 2019), te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 38 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering van de overige materiële schade en immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] toe tot een bedrag van € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 december 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] , aan de Staat € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 december 2019), te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 46 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/702326-18.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/026600-19.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en H.M.A.E. van Ooijen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 oktober 2021.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte (2019097775-34), pag. 18-19.

3 Geschriften, te weten foto’s met daarop bij- en afschrijvingen vanaf de rekening van [aangever 2] (bijlagen bij 2019097775-34), pag. 22-22a.

4 Proces-verbaal getuigenverhoor door rechter-commissaris van 26 november 2019, pag. 4.

5 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-41), pag. 54.

6 Proces-verbaal van aangifte (2019098641-1), pag. 28-30.

7 Proces-verbaal van aangifte (2019097775-45), pag. 37-38, en een geschrift, te weten een foto met daarop een afschrijving van de bankrekening van [naam 4] , pag. 41.

8 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-9), pag. 42.

9 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-16), pag. 44.

10 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-16), pag. 45.

11 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-9), pag. 42-43.

12 Proces-verbaal van bevindingen (2019097775-16), pag. 45-46

13 Een proces-verbaal van bevindingen (2019097775-23), pag. 47 en een proces-verbaal van bevindingen (2019097775-41), pag. 54.

14 Een proces-verbaal van bevindingen (2019097775-23), pag. 47 en een proces-verbaal van bevindingen (2019097775-44), pag. 60.

15 Een proces-verbaal van bevindingen (2019097775-23), pag. 47.

16 Een geschrift, te weten een foto met daarop een WhatsApp-gesprek, pag. 53.

17 Een geschrift, te weten een foto met daarop een WhatsApp-gesprek, pag. 16.

18 In dit verband wijst de rechtbank ook op een arrest van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2020:2005).