Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5957

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
13/286979-20 (A), 13/214874-19 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belaging en bedreiging tot een gevangenisstraf van 250 dagen waarvan 240 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar, taakstraf van 150 uren, DUT.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/286979-20 (A), 13/214874-19 (B)
Parketnummer vordering tul: 02/179818-19

Datum uitspraak: 19 augustus 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

wonende op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 augustus 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.R. Zetsma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.J. Berghout, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

zaak A

  1. belaging van [aangeefster 1] in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 9 november 2020 te Amsterdam;

  2. bedreiging van [aangeefster 1] in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 26 oktober 2020 te Amsterdam;

zaak B

belaging van [aangeefster 2] en de vader, moeder en broers van [aangeefster 2] in de periode van 29 april 2017 tot en met 20 juli 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

zaak A

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde belaging kan worden bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook de ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen, met uitzondering van het dreigen met brandstichting en het openbaar maken van een seksvideo.

zaak B

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde belaging van [aangeefster 2] kan worden bewezen, met uitzondering van het vierde, vijfde en tiende gedachtestreepje.

3.2

Standpunt van de verdediging

zaak A

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde belaging kan worden bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster meermalen heeft gebeld en bedreigende berichten naar haar heeft gestuurd. Ook heeft hij toegegeven aangeefster via vrienden van haar te hebben benaderd en een profielfoto te hebben aangemaakt met de in de tenlastelegging genoemde tekst.

Maar niet kan worden bewezen dat verdachte vrienden en/of familie van aangeefster heeft bedreigd en hij de fiets van aangeefster heeft weggenomen. Daarnaast is de seksvideo gemaakt tijdens de relatie tussen aangeefster en verdachte en valt dit niet binnen de ten laste gelegde periode. Verdachte moet daarom van deze onderdelen worden vrijgesproken.

De onder 2 ten laste gelegde bedreiging kan ook worden bewezen, met uitzondering van de volgende zinnen: ‘ik hoop dat de Jamaicaanse politie hem doodschiet daar, anders ga ik je leven een kankerhel maken want je wil me voor niks vast laten zetten’. De eerste zin is een verwensing en geen bedreiging en in de tweede zin wordt niet gedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

zaak B

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak B ten laste gelegde belaging. Niet kan worden bewezen dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen, omdat ook aangeefster veelvuldig contact met verdachte zocht. Bovendien ontbreekt een klacht in de zin van artikel 285b Sr om tot vervolging over te gaan.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Zaak A, feit 1

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 9 november 2020 schuldig heeft gemaakt aan belaging van aangeefster. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier volgt dat verdachte gedurende een maand bovengemiddeld veel berichten aan aangeefster heeft gestuurd, haar heeft gebeld, haar meerdere keren heeft bedreigd en dat hij zich meermalen bij de woning van aangeefster heeft opgehouden. Ook heeft hij meermalen vrienden en familie van aangeefster benaderd, heeft hij gedreigd om een seksvideo van aangeefster openbaar te maken en heeft hij een profielfoto op Whatsapp aangemaakt met het onderschrift ‘kanker hoertje reetlikkende hoer”. Verdachte heeft dit ook bekend.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden eveneens blijkt dat verdachte daarnaast ook familie, vrienden en bekenden van aangeefster heeft benaderd met dreigende teksten.

De rechtbank is van oordeel dat er naar objectieve maatstaven bezien stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dat blijkt uit de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De invloed daarvan op de persoonlijke vrijheid van aangeefster zijn aanzienlijk geweest. De inbreuk had tot doel aangeefster vrees aan te jagen, iets te doen en het contact met hem te dulden.

Naar het oordeel van de rechtbank valt het maken van een seksvideo en het wegnemen van een fiets niet onder belaging. Verdachte zal van deze onderdelen worden vrijgesproken.

Zaak A, feit 2

De rechtbank vindt op grond van de bekennende verklaring en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte aangeefster in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 26 oktober 2020 heeft bedreigd.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de gedragingen zoals omschreven onder het tweede, vijfde, zesde, elfde en twaalfde gedachtestreepje. Het gaat daar namelijk niet om het bedreigen van aangeefster met zware mishandeling en met misdrijven tegen haar leven gericht, maar deze bedreigingen zijn gericht aan de ex-vriend van aangeefster. Daarnaast kan het dreigen met het openbaar maken van een seksvideo niet wordt aangemerkt als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Zaak B

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte [aangeefster 2] en haar vader, moeder en broers heeft belaagd, en overweegt als volgt.

Op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster en haar familie heeft bedreigd - zowel in persoon als via berichten –, hij aangeefster bij de woningen waar zij verbleef heeft opgezocht en aangebeld en haar veelvuldig heeft gebeld en berichten heeft gestuurd.

Voor de overige ten laste gelegde gedragingen bevindt zich naast de verklaring van aangeefster geen steunbewijs. Verdachte heeft dit handelen ontkend.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte niet kan worden aangemerkt als belaging aangezien aangeefster heeft verklaard dat ook zij uit eigen beweging contact bleef opnemen met verdachte gedurende de ten laste gelegde periode. Uit het dossier en de verklaring van aangeefster bij de Rechter-commissaris kan niet worden opgemaakt dat gedurende deze lange periode aangeefster op enig moment nadrukkelijk aan verdachte heeft laten weten -mondeling of schriftelijk dan wel via de politie- geen prijs (meer) te stellen op contact met verdachte en dat verdachte vervolgens is doorgegaan met het zoeken van contact. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het wederrechtelijk stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak B ten laste gelegde. De rechtbank merkt op dat sommige handelingen van verdachte mogelijk kunnen worden gekwalificeerd als bedreiging, maar daar is door de officier van justitie aan verdachte geen verwijt van gemaakt.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de klacht van [aangeefster 2] voldoet aan alle formele wettelijke eisen en er voldaan is aan het klachtvereiste. Uit haar verklaring bij de Rechter-commissaris blijkt niet dat zij geen vervolging van verdachte wenst.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte

zaak A

1.

in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 9 november 2020 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster 1] , met het oogmerk die [aangeefster 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij in voornoemde periode:

- meermalen voornoemde [aangeefster 1] (via sociale media) berichten gestuurd en

- meermalen voornoemde [aangeefster 1] (via sociale media) bedreigd en

- meermalen voornoemde [aangeefster 1] gebeld en

- meermalen zich opgehouden in/bij de woning van voornoemde [aangeefster 1] en

- meermalen vrienden en/of familie en/of bekenden van voornoemde [aangeefster 1] benaderd en

- meermalen vrienden en/of familie van voornoemde [aangeefster 1] bedreigd en

- gedreigd een seksvideo van voornoemde [aangeefster 1] openbaar te maken en

- een profielfoto op Whatsapp aangemaakt met een foto van voornoemde [aangeefster 1] met onderschrift: "Kanker hoertje reetlikkende hoer".

2.

in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 26 oktober 2020 te Amsterdam, [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door

- voornoemde [aangeefster 1] (via telefoons en/of social media accounts van anderen) berichten te sturen waarin, verdachte, voornoemde [aangeefster 1] dreigend de woorden toevoegt:

- " [naam] ik maak jouw en tajarie af" (bijlage 8, pagina 21) en;

- " [naam] ik zeg je dit bij deze je hebt politie gebeld waar me ma bij is beter verlaat je dat kanker huis waar je bent want ik ga je moer vermoorden jou en tajarie" en "Ik maak je dood [naam] " en Ik maak jouw en tajarie dood" en "Je wou niet praten ik maak je af" en/of [naam] je staat voor mij op de kanker doden lijst" en "Ik ga je de tering in slaan" (bijlage 10, pagina 23), en;

- " Ik zweer her beter verhuis je vandaar ik geef je week" en Ander ga ik je leven een kanker hel maken want je wil me voor niks vast laten zetten" (bijlage 1, pagina 49) en;

- " [naam] , ik ga je doodsteken. Geloof mij" (pagina 51) en;

- " Ik steek jullie kapot. Zie je zo. Geloof mij" (pagina 52) en;

- " Ik trek je aan je kanker haar en ik gooi je moer van de brug" (pagina 53) en;

- " Ik maak je dood voor deze disrespect" (pagina 54)

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zouden de bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd en een contactverbod – zowel direct als indirect – ten aanzien van [aangeefster 2] .

Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, te weten een contactverbod met [aangeefster 1] – zowel direct als indirect – voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur aan verdachte op te leggen. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van [aangeefster 2] geen contactverbod op te leggen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van aangeefster. Hij heeft in een korte tijd op zeer intense en indringende manier geprobeerd om met aangeefster in contact te komen, onder andere door het sturen van berichten met daarin dreigende teksten, zich op te houden bij de woning van aangeefster, vrienden en familie van aangeefster te benaderen en bedreigen en te dreigen om een seksvideo openbaar te maken. Verdachte heeft door zijn gedragingen aangeefster beperkt in haar doen en laten. De belaging en de bedreigingen hebben op aangeefster zodanig veel indruk gemaakt dat zij leefde in angst, slecht sliep en stress heeft ervaren. Uit de slachtofferverklaring van aangeefster blijkt hoezeer zij zich in haar vrijheid beperkt heeft gevoeld.

Uit het strafblad van verdachte van 1 juli 2021 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder andere meerdere bedreigingen. De eerdere straffen die aan verdachte zijn opgelegd en het feit dat hij nog in een proeftijd liep hebben hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.

Bij de straftoemeting zal de rechtbank ook rekening houden met het reclasseringsrapport van 22 juli 2021. De reclassering concludeert dat er problemen zijn op het gebied van dagbesteding, financiën, relatie met partner, gezin en familie, middelengebruik, verslaving en psychosociaal functioneren. Ook wordt een delictpatroon betreffende geweldsdelicten geconstateerd. Om de kans op recidive te verminderen wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, te weten: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, meewerken aan schuldhulpverlening en het hebben van een dagbesteding.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat de rechtbank beduidend minder bewezen acht dan de officier van justitie, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, waarvan 240 dagen voorwaardelijk aan verdachte opleggen, met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht moet van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf worden afgetrokken. De rechtbank hoopt dat deze grotendeels voorwaardelijke straf een stok achter de deur is voor verdachte om niet opnieuw de fout in te gaan. Mocht verdachte wel een strafbaar feit plegen dan weet hij dat een gevangenisstraf echt aan de orde is. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden zoals hieronder staat weergegeven bij het kopje “12. Beslissing”.

Ook zal de rechtbank een taakstraf van 150 uur aan verdachte op leggen.

De rechtbank vindt het voorts noodzakelijk om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel houdt een contactverbod met [aangeefster 1] in, om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten. Verdachte heeft aangegeven dat hij nog steeds vragen heeft aan aangeefster en hij vindt dat hij recht heeft op een verklaring van aangeefster. Er moet daarom ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat hij aangeefster opnieuw zal belagen. Daarom beveelt de rechtbank de oplegging van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van drie jaar met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan en bepaalt de vervangende hechtenis op één week voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt.

Nu de rechtbank deze maatregel aan verdachte oplegt, kan een bijzondere voorwaarde van dezelfde strekking achterwege blijven.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vordering van [aangeefster 1]

De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert € 718,69 aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  1. kosten Uber € 37,04

  2. kosten vervangen sloten € 185,00

  3. kosten nieuwe sleutels € 60,00

  4. kosten aankoop nieuwe fiets € 50,00

  5. verlies van arbeidsvermogen € 208,57

  6. reiskosten ouders € 178,08

9.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, volledig kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade vindt de officier van justitie te hoog en hij heeft verzocht om deze te matigen tot een bedrag van € 2.000,-.

9.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. De kosten voor het vervangen van de sloten (b), de sleutels (c) en de reiskosten van de ouders (f) moeten worden afgewezen omdat er geen rechtstreeks verband is met het ten laste gelegde. Daarnaast moeten de kosten voor de aankoop van de nieuwe fiets (d) ook worden afgewezen omdat deze schadepost niet is onderbouwd. De overige posten kunnen wel worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht om het bedrag van € 2.500,- te matigen, gelet op de geringe draagkracht van verdachte en het feit dat het in dit geval om een periode van belaging van één maand gaat in plaats van twee maanden zoals in de vordering aangehaalde uitspraak.

9.4

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank vindt de reiskosten voor Uber (a), de kosten voor het vervangen van de sloten (b) en sleutels (c), het verlies van arbeidsvermogen en de reiskosten van de ouders van de benadeelde voldoende onderbouwd en zal deze kosten toewijzen. De kosten voor het aanschaffen van een nieuwe fiets zullen worden afgewezen omdat het wegnemen van de fiets niet door de rechtbank bewezen is geacht.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 668,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2020.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen en begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,-.

De benadeelde partij zal voor het overige deel van de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 juli 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 02/179818-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 1 augustus 2019 van de rechtbank Zeeland-West Brabant, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot elf dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbaar feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel, te weten elf dagen gevangenisstraf, te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A onder 1:

belaging;

zaak A onder 2:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 250 (tweehonderdvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 240 (tweehonderdveertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

3. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

4. Meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

5. Dagbesteding en legaal inkomen

Veroordeelde werkt mee aan het verkrijgen en behouden van passende dagbesteding. Ook als dit inhoudt meewerken aan een traject via Werk Participatie en Inkomen (WPI) of vergelijkbare instantie.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1].

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, te weten [aangeefster 1] , beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] terzake de materiële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 668,69 (zeshonderdachtenzestig euro en negenzestig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 9 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en wijst het overige deel van de gevorderde materiële schade van € 50 (vijftig euro) af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] terzake de immateriële schade toe tot een bedrag van €2.000,00 (tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 9 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de door haar gevorderde immateriële schade niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 2.668,69 (tweeduizendzeshonderdachtenzestig euro en negenenzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 9 november 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 36 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 1 augustus 2019, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter,

mrs. G. Oldekamp en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 augustus 2021.

[...]