Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5929

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
13/993053-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur voor bedrieglijke bankbreuk, artikel 343 Sr. Vrijspraak belastingfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-10-2021
FutD 2021-3365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993053-18 (Promis)

Datum uitspraak: 15 oktober 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22, 24, 28 en 30 juni 2021 (inhoudelijke behandeling) en 15 oktober 2021 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. A.M. de Leeuw en M. van Ling (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) en van wat verdachte en haar raadsman mr. N. Claassen naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1.

Achtergrond van het onderzoek 1

Aanleiding voor het onderzoek Styx was dat er bij de Belastingdienst meerdere meldingen waren van een vermoeden dat vennootschappen werd gebruikt om te kunnen frauderen met verschillende belastingen. Bij verschillende bedrijven was onderzoek verricht. De bedrijven hadden als gemeenschappelijk kenmerk dat hun boekhoudkantoor [naam boekhouderkantoor] (hierna: [naam boekhouderkantoor] ) was, of dat zij op enige andere wijze gerelateerd waren aan de directeur van [naam boekhouderkantoor] of (één van) haar medewerkers. De verschillende bedrijven hadden ook gemeen dat vermoedelijk gebruik werd gemaakt van valse facturen om te kunnen frauderen met verschillende belastingen en om geld bij andere bedrijven weg te sluizen.

Op 16 februari 2016 is het strafrechtelijk onderzoek Styx gestart. Dit onderzoek had betrekking op [naam boekhouderkantoor] en een aantal aan haar gelieerde bedrijven.

Het bedrijf [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ) kwam bij de Belastingdienst in beeld na een melding van de curator van mogelijke faillissementsfraude. De curator had aan de hand van het kasboek van [naam bedrijf] vastgesteld dat er een groot aantal contante opnames waren geweest die niet waren onderbouwd. Er werd een strafrechtelijk onderzoek gestart, het onderzoek Tapijtschelp, waarbij de FIOD stuitte op mogelijk valse facturen afkomstig van bedrijven waar [naam boekhouderkantoor] de boekhouding van deed. [naam boekhouderkantoor] verzorgde tevens de boekhouding en administratie van [naam bedrijf] . Het onderzoek Tapijtschelp is gevoegd in het onderzoek Styx.

Op 17 oktober 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden bij [bestuurder boekhouderkantoor] , de bestuurder van [naam boekhouderkantoor] . Daarbij zijn diverse stukken en digitale gegevens van [naam boekhouderkantoor] in beslag genomen en onderzocht, waaronder een USB-stick met facturen van en/of aan bedrijven die aan [naam boekhouderkantoor] kunnen worden gelinkt. Volgens de FIOD werd door [naam boekhouderkantoor] en haar medewerkers met behulp van deze, volgens de FIOD valse, facturen fraude gepleegd, waarbij gebruik werd gemaakt van 19 bedrijven en 24 katvangers. Deze fraude heeft volgens de FIOD geresulteerd in (onderlinge) geldstromen en daarop volgende contante opnames van tenminste 2,6 miljoen euro en in belastingnadeel.

Uiteindelijk zijn in het onderzoek Styx zes verdachten gedagvaard. Naast verdachte zijn dat [naam boekhouderkantoor] , [medeverdachte 1] , feitelijk leidinggevende van [naam boekhouderkantoor] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) middellijk bestuurder van [naam boekhouderkantoor] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), beiden feitelijk werkzaam voor [naam boekhouderkantoor] . In de zaken tegen deze zes verdachten wordt gelijktijdig vonnis gewezen.

3 Beschuldiging

Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van:

  1. feitelijk leidinggeven aan het door [naam bedrijf] samen met anderen onjuist doen van aangiften omzetbelasting van 1 februari 2010 tot en met 31 augustus 2012;

  2. medeplegen van als bestuurder van de inmiddels failliete onderneming [naam bedrijf] , ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers,

a. geld aan de boedel onttrekken zonder zakelijke grondslag en

b. geen deugdelijke administratie van [naam bedrijf] bewaren en desgevraagd aan de curator ter beschikking stellen,

in de periode van 1 januari 2010 tot 4 maart 2014.

De tenlastelegging staat in bijlage 1.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1: belastingfraude

4.1.1.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie vindt dat het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (hierna: OB) kan worden bewezen. In de administratie van [naam bedrijf] zijn 14 valse facturen aangetroffen die zijn verwerkt in de aangiften OB. Daarom zijn de aangiften allemaal onjuist.

De verdediging vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Dat er in de administratie en de aangiften dingen niet kloppen wordt door de verdediging niet betwist. Dat neemt niet weg dat enkele facturen wel voldaan zijn en dat die kosten dus wel (deels) verantwoord zijn. Daarom kan niet worden vastgesteld dat alle aangiften OB onjuist zijn. Verder heeft verdachte geen opzet gehad op het onjuist doen van aangiften, ook niet in voorwaardelijke zin.

Voor zover nodig wordt hierna bij het oordeel van de rechtbank nader ingegaan op de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

4.1.2.

Oordeel rechtbank

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het feitelijk leidinggeven/opdracht geven aan het door [naam bedrijf] doen van onjuiste aangiften OB, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de valse facturen in die aangiften zijn verwerkt.

De aangiften over diverse tijdvakken tussen januari 2010 en juli 2012 zouden onjuist zijn omdat daarbij valse facturen zouden zijn gebruikt. Hierbij staat niet zozeer ter discussie of die facturen vals zijn. Op een enkele uitzondering na wordt die valsheid ook door de verdediging erkend. De vraag is vooral of [naam bedrijf] onjuiste aangiften OB heeft gedaan op basis van die facturen en of de btw op die facturen is afgetrokken van de verschuldigde omzetbelasting.

De aangiften zitten in het dossier. Daarin staat hoeveel voorbelasting (door [naam bedrijf] betaalde btw) per tijdvak en per aangifte in totaal is afgetrokken. Hoe het totaalbedrag van voorbelasting is opgebouwd is op de aangifte niet gespecificeerd. Je kunt daarop dus niet zien welke facturen daarvoor zijn gebruikt. In alle gevallen is de totale voorbelasting hoger dan de btw die op de valse facturen staat. Het zou dus kunnen dat de btw van de valse facturen is afgetrokken als voorbelasting, maar dat is onvoldoende voor de vaststelling dat het ook daadwerkelijk zo is gebeurd. Binnen [naam bedrijf] vonden ook verschillende legale bedrijfsactiviteiten plaats. Daarom valt op basis van deze gegevens niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat de aangegeven voorbelasting ziet op btw die is betaald op echte facturen en dat de valse facturen daarin niet of niet steeds zijn opgenomen.

Dat het dossier aanwijzingen bevat dat (enkele) valse facturen op een bepaalde manier in de administratie van [naam bedrijf] zijn verwerkt is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Het verwijt aan verdachte is juist dat de boekhouding van [naam bedrijf] ondeugdelijk en bepaald niet “sluitend” was (zie daarover meer bij de bespreking van feit 2). Het verwerken van valse facturen in de administratie betekent in die omstandigheden dan ook niet automatisch dat die facturen dus zijn gebruikt voor de aangiften OB.

De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bieden, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, onvoldoende bewijs dat de valse facturen voor de aangiften gebruikt zijn. Uit de verklaring van [getuige 1] kan slechts worden afgeleid dat zij de bij haar bekende administratie van [naam bedrijf] sorteerde en vervolgens aan [naam boekhouderkantoor] gaf. Zij was zelf niet betrokken bij het doen van de aangiften OB en kan dus ook niet uit eigen wetenschap verklaren welke gegevens [naam boekhouderkantoor] voor de aangiften heeft gebruikt. Uit de verklaring van [getuige 2] valt niet meer af te leiden dan dat [medeverdachte 1] de gegevens voor de aangiften verstrekte op een kladpapier met bedragen erop. Of daarop gegevens stonden van de valse facturen blijkt niet uit zijn verklaring.

4.2.

Feit 2: bedrieglijke bankbreuk

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte als bestuurder van [naam bedrijf] een groot geldbedrag aan de boedel heeft onttrokken. Uit het kasboek is gebleken dat in 2012 minimaal € 400.000,- contant aan de boedel is onttrokken, zonder dat daarvoor een deugdelijke onderbouwing was in de administratie van de vennootschap. Volgens de curator was het evident dat de handelwijze van verdachte op termijn zou leiden tot een faillissement en daarmee was het faillissement voorzienbaar. Omdat de geldstromen niet (juist) in de administratie zijn opgenomen, is het onmogelijk om precies de hoogte van de onttrekkingen te bepalen. Het bedrag van € 400.000,- is de ondergrens, want ook in 2013 en 2014 zijn er contante onttrekkingen geweest. Daarnaast heeft verdachte niet voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie en tot het overleggen daarvan aan de curator. Daardoor konden de rechten en verplichtingen van schuldeisers niet volledig in kaart gebracht worden en werden hun rechten verkort. Als bestuurder had verdachte zicht moeten houden op de geldstromen. Zij had daarin een eigen verantwoordelijkheid en kan zich niet verschuilen achter haar boekhouder [naam boekhouderkantoor] .

4.2.2.

Standpunt verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit. Voor het verwijt dat verdachte geld aan de boedel heeft onttrokken, geldt dat de pinopnames als uitgangspunt genomen moeten worden. Uit de bankafschriften over 2012 blijkt dat in dat jaar € 94.122,- is gepind. Volgens het kasboek is dat € 140.000,-. Het kasboek klopt dus niet en kan niet als uitgangspunt worden gebruikt. De pinopnames waren voor de aanschaf van schoonmaakproducten en het uitbetalen van loon aan werknemers die geen bankrekening hadden. Bovendien heeft verdachte bijna € 500.000,- geleend. Dit bedrag had bij de liquide middelen meegenomen moeten worden bij de vaststelling van de omvang van de onttrekkingen. Verdachte had het faillissement ten tijde van de veronderstelde onttrekkingen niet kunnen voorzien. Zij had dus ook geen (voorwaardelijk) opzet op de benadeling van de schuldeisers. Tot de datum van het faillissement was het handelen van verdachte niet gericht op een aanstaand faillissement. Zij is juist leningen aangegaan om het bedrijf te redden. Er is dus ook geen sprake van onzakelijke onttrekkingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Dat de administratie niet helemaal op orde was komt door slecht inzicht en een verkeerd gekozen boekhouder, niet omdat het opzet van verdachte daarop was gericht. Zij heeft wel degelijk een administratie gevoerd en aan de curator verstrekt, alleen was die niet conform.

4.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte als bestuurder van de – inmiddels failliete – onderneming [naam bedrijf] geld aan de boedel heeft onttrokken zonder zakelijke grondslag en dat zij geen deugdelijke administratie van [naam bedrijf] heeft bijgehouden en tevoorschijn gehaald. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte wist en heeft aanvaard dat daardoor de kans groot was dat schuldeisers werden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheid (‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers’). De hiervoor gebruikte bewijsmiddelen staan steeds in de voetnoten.2

Verdachte was in de ten laste gelegde periode bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf] . In de periode van 1 maart 2011 tot en met 1 augustus 2012 had zij een medebestuurder, [naam medebestuurder] .3 Op 4 maart 2014 is [naam bedrijf] failliet verklaard.4

Boekhouding voldoet niet aan wettelijke eisen

Op verdachte als bestuurder rustte de verplichting tot het voeren van een deugdelijke boekhouding die voldoet aan de eisen van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt vast dat verdachte aan deze verplichting niet heeft voldaan. Uit de aangifte van de curator volgt dat hij administratie van de onderneming heeft gekregen, maar dat het op grond daarvan voor de curator niet goed mogelijk was om de staat van de boedel op de datum van het faillissement vast te stellen. Er was een kasboek, maar onderliggende documenten ontbraken. De boekwaarde van de inventaris en overige materiële activa kwam niet overeen met de werkelijkheid. Volgens de jaarrekening 2012 zou de inventaris een boekwaarde van € 148.949,- hebben en de overige materiële activa € 13.273,-, maar verdachte heeft tegenover de curator verklaard dat er buiten de kantoorinventaris geen bedrijfsmiddelen voorhanden waren.5 Uit de verklaring van de curator volgt dat het bedrijf tot 2013 op papier goed draaide. Hij merkt als grootste probleem in de boekhouding aan dat er volgens de balansen per 2012 en 2013 voor vele honderdduizenden euro’s aan inventaris en computers aanwezig zouden zijn, die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Volgens de curator was sprake van bedrieglijke bankbreuk bij [naam bedrijf] omdat in de administratie inkoopfacturen waren geboekt van zaken die in werkelijkheid nooit zijn ingekocht. Een crediteur ziet in een bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde jaarrekening dan een positief eigen vermogen dat er in werkelijkheid niet is en wordt daarmee benadeeld.6 Uit de quickscan van de curator volgt dat de administratie van [naam bedrijf] een rommelige indruk maakte. Er was geen overzicht op debiteuren en crediteuren en het grote aantal betalingsherinneringen, sommaties, dwangbevelen en dagvaardingen wijst op een slecht inzicht in de te betalen facturen. Personeelsleden vertelden dat ze vaak te laat of niet volledig werden uitbetaald en dat ze niet altijd loonstroken kregen.7

Onzakelijke onttrekkingen

De rechtbank stelt vast dat verdachte vanaf 2012 tot aan het faillissement grote onzakelijke onttrekkingen aan de bankrekening van [naam bedrijf] heeft gedaan. Het exacte bedrag aan onttrekkingen kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. De rechtbank gaat, anders dan de officier van justitie, niet uit van het kasboek. Daarvan is namelijk gebleken dat het niet klopt. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij ongeveer € 200.000,- contant heeft opgenomen.8 Uit de quickscan van de curator blijkt ook dat regelmatig grote bedragen contant werden opgenomen. In 2012 is € 148.280,- opgenomen (dit volgt uit een grootboekoverzicht) en in de maanden januari en februari 2014 € 14.650.- (dit volgt uit de bankadministratie). In mei 2013 wordt € 45.000,- overgeboekt naar de privérekening van verdachte en in totaal € 9.000,- naar Turkse bankrekeningen (dit blijkt ook uit de bankadministratie).9 De overboekingen naar de privérekening van verdachte hebben de omschrijving “verbouwing” of “verbouwing betalingen”.10 Voor deze opnames heeft de curator in de administratie geen zakelijke onderbouwing gevonden en naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte die ook op zitting onvoldoende gegeven.11 Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij een deel van de contante opnamen heeft gedaan om (voorschotten op) loonbetalingen te doen aan personeel en voor de aanschaf van schoonmaakartikelen. Ook zou zij leningen aan haar personeel hebben verstrekt. Op basis van de boekhouding zijn deze bestedingen niet te verifiëren. Bovendien verklaart dit niet alle contante opnamen. De overboekingen naar de privérekening van verdachte met als omschrijving “verbouwing” of “verbouwing betalingen” waren kennelijk bedoeld voor privébetalingen door verdachte. De rechtbank stelt daarmee vast dat deze kosten niet ten laste van [naam bedrijf] hadden mogen komen. De rechtbank merkt deze opnamen en overboekingen daarom aan als niet zakelijk; ze zijn niet gedaan in het kader van de normale bedrijfsvoering van [naam bedrijf] .

Ter bedrieglijke verkorting en faillissement voorzienbaar

Het tekort in het faillissement was volgens de curator circa € 700.000,-. De curator stelt vast dat de oorzaak van het faillissement is dat verdachte veel meer geld aan het bedrijf heeft onttrokken dan het bedrijf kon dragen. Als deze onttrekkingen niet waren gedaan dan was het bedrijf waarschijnlijk niet failliet gegaan. Volgens de curator zou het in de loop van 2013 voor verdachte duidelijk moeten zijn geweest dat het bedrijf op een faillissement afstevende. Toen ontstonden er namelijk acute betalingsproblemen en kon ook de Belastingdienst niet meer worden betaald. In de administratie heeft hij veel aanmaningen aangetroffen.12 Ook uit de verklaring van [getuige 1] , medewerkster van [naam bedrijf] , volgt dat [naam bedrijf] er in 2012 nog goed voor stond, maar dat vanaf 2013 betalingen aan crediteuren werden gestorneerd omdat er geen geld op de bankrekening stond. In mei 2013 werd het vakantiegeld niet uitbetaald en vanaf de zomer 2013 werden de lonen niet op tijd betaald.13 De rechtbank vindt dat verdachte in ieder geval vanaf mei 2013 onzakelijke onttrekkingen heeft gedaan terwijl zij vanwege de diverse betalingsproblemen wist dat het slecht ging met het bedrijf en dat een faillissement aanstaande was. Door op dat moment geld uit het bedrijf te halen, heeft zij ervoor gezorgd dat er voor de schuldeisers in het faillissement minder te verdelen was en dat kan haar niet zijn ontgaan. Maar ook eerder al, in 2012, moet verdachte hebben geweten dat door op dat moment geld uit het bedrijf te halen en (daarvan) geen deugdelijke boekhouding bij te houden, de kans groot was dat ze daarmee schuldeisers zou benadelen. Die kans heeft zij kennelijk aanvaard.

Dat dit risico zich ook heeft verwezenlijkt, blijkt wel uit het feit dat de onderneming forse betalingsproblemen kreeg na de grote contante opnamen in 2012. Dat weerhield verdachte er echter niet van om ook in 2013 en 2014 nog onttrekkingen te doen. Bij verdachte was dus tenminste voorwaardelijk opzet op het verkorten van de rechten van schuldeisers vanaf januari 2012. Daaraan doet niet af dat verdachte ook flinke bedragen aan privégeld en geleend geld in de onderneming heeft (terug)gestort. Het kwaad was toen immers al geschied. De onderneming verkeerde op dat moment al in zwaar weer door toedoen van verdachte als gevolg van de onzakelijke onttrekkingen (en bijvoorbeeld niet door tegenvallende bedrijfsresultaten).

Ook door het niet voeren van een volledige en juiste administratie, waardoor zij ook geen volledige en juiste administratie aan de curator kon geven, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers hierdoor werden benadeeld. Alleen al vanwege het feit dat zij zelf geen administratie bijhield van de vele contante onttrekkingen, wist zij dat haar administratie niet volledig was. Dit is bij uitstek een verantwoordelijkheid van de bestuurder. Verdachte kan zich hierbij niet verschuilen achter slecht inzicht of een dubieuze boekhouder.

De administratieplicht is er onder andere voor bedoeld de financiële positie van de failliete onderneming snel inzichtelijk wordt en dat openstaande vorderingen zo veel en zo snel mogelijk kunnen worden afgewikkeld. Verdachte heeft dit als ondernemer kunnen en moeten weten.

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte hierin heeft samengewerkt met iemand anders. Van medeplegen wordt zij daarom vrijgesproken.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen onder 4.2.3. bewezen dat verdachte:

2.

in de periode van 1 januari 2012 tot 4 maart 2014 in Nederland als bestuurder van [naam bedrijf] , een rechtspersoon die met ingang van 4 maart 2014 in staat van faillissement is verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van één of meer van haar schuldeisers:

1. enig goed aan de boedel heeft onttrokken, door een groot geldbedrag aan de boedel te onttrekken door dit geldbedrag van [naam bedrijf] contant op te nemen van de bankrekening van [naam bedrijf] , en

2. niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafoplegging

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft 1 maand van haar oorspronkelijke strafeis afgetrokken vanwege een kleine overschrijding van de redelijke termijn.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, moet rekening worden gehouden met de volgende straf verminderende omstandigheden. Verdachte heeft zich meewerkend opgesteld richting de curator en de FIOD zonder dat zij beschikte over een dossier. Bij een bewezenverklaring liggen de gedragingen van verdachte meer in de sfeer van voorwaardelijk opzet dan van vol opzet. Verdachte heeft een andere boekhouder aangesteld om orde op zaken te stellen. Zij is nog steeds bezig haar schulden af te betalen en het fiscale nadeel is bijna afbetaald. Tot slot dient in het voordeel van verdachte rekening te worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend. Vanuit de gevangenis kan verdachte geen geld verdienen om haar schuldeisers mee af te betalen. De raadsman verzoekt de rechtbank een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van haar vennootschap grote geldbedragen van de bankrekening van de vennootschap gehaald, wat uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van de vennootschap. Op het moment van faillissement was er daardoor minder geld in de boedel aanwezig om over de schuldeisers te verdelen. Schuldeisers kunnen hierdoor in de problemen komen met het betalen van hun eigen rekeningen en zelf ook failliet gaan. Verder heeft verdachte als bestuurder van de failliete vennootschap geen goede administratie bijgehouden en die (dus) ook niet aan de curator overgelegd. Hierdoor heeft zij het de curator bemoeilijkt het faillissement snel en goed af te wikkelen. Ook dit heeft evident nadelige gevolgen voor schuldeisers. Faillissementsfraude wordt daarom in de regel fors bestraft en leidt al snel tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat zij vlak voor het faillissement de onderneming nog heeft geprobeerd te redden door leningen af te sluiten en forse geldbedragen op de bankrekening van de onderneming te storten. Ook is zij nog steeds bezig met het afbetalen van schulden en neemt ze in die zin verantwoordelijkheid.

De rechtbank houdt daarnaast in straf matigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het heeft namelijk te lang geduurd voordat er uitspraak wordt gedaan in deze zaak en dat is niet aan verdachte te wijten. In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. De redelijke termijn in de zaak van verdachte is gestart op 7 maart 2019, de datum waarop de officier van justitie met een regiebrief aan verdachte heeft meegedeeld dat zij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Vanaf dat moment kon verdachte ervan uitgaan dat zij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 7 maart 2021, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 15 oktober 2021 uitspraak. De redelijke termijn is dus met ruim een half jaar overschreden. Deels is die overschrijding te wijten aan de voeging van de strafzaak bij het onderzoek Styx en deels aan organisatorische en logistieke kwesties bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. De rechtbank houdt daarnaast vooral rekening met de ouderdom van de feiten. Vanwege deze omstandigheden legt de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op.

Gegeven de geschetste omstandigheden vindt de rechtbank een maximale taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient bovendien als waarschuwing en om te voorkomen dat verdachte opnieuw dit soort feiten pleegt. De rechtbank vindt dat belangrijk, omdat op de zitting is gebleken dat verdachte nu weer bestuurder van een vennootschap is. De rechtbank legt verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een taakstraf van 240 uur op.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken en niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. M. Smit en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2021.

1 Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis schetst de rechtbank in deze paragraaf de context van het onderzoek. Voor zover de rechtbank hierbij feiten vaststelt, worden deze in het oordeel van de rechtbank over het bewijs (par. 4) nog eens expliciet vastgesteld, met verwijzing naar de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen.

2 In de voetnoten wordt verwezen naar de bewijsmiddelen in het strafdossier. De vermelde paginanummers zijn de doorgenummerde paginanummers onder aan de pagina’s van het dossier. Het gaat telkens om processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, tenzij anders is vermeld. DOC staat steeds voor geschriften.

3 DOC-019a, p. 2468.

4 DOC-018, p. 2467.

5 DOC-016, p. 2399 tot en met 2400.

6 G01-01, p. 1940, 1941 en 1944.

7 DOC-024, p. 2609.

8 Proces-verbaal van de terechtzitting.

9 DOC-024, p. 2610.

10 DOC-024, bijlage 2, p. 2616 tot en met 2618.

11 DOC-016, p. 2400.

12 G01-01, p.1941 en 1945.

13 G02-01, p. 1955 en 1956.