Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5878

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
AMS 21/3909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag noodopvang voor gezinnen. Voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Noodopvang voor gezinnen moet worden gezien als algemene voorziening. Verweerder mag aan de noodopvang eis van regiobinding stellen in de Nadere regels.

Voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind. Verzoekster is zelfredzaam. Van haar mag daarom worden verwacht dat zij zelf zorg kan dragen voor huisvesting voor haarzelf en haar zoon, in (krimpregio’s in) Nederland of in Suriname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/3909

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. C.G.M. de Groot),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om kortdurende opvang voor gezinnen afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat zij toegang krijgt tot opvang tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Verzoekster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vrijstelling van het griffierecht

1. Verzoekster heeft gevraagd om haar vrij te stellen van het griffierecht dat zij aan de rechtbank moet betalen voor deze zaak. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Uit de door verzoekster overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat zij per maand minder dan 95% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ontvangt door een korting van 20% op haar bijstandsuitkering. Door betaling van het griffierecht van verzoekster te verlangen, zou het voor haar onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt toegang tot de bestuursrechter te krijgen.

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoekster heeft een minderjarige zoon (geboren op [geboortedatum] 2013) met de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster is in oktober 2018 vanuit Suriname naar Nederland gekomen. In 2020 heeft verzoekster op grond van een Chavez-verzoek rechtmatig verblijf gekregen. Van 17 november 2020 tot 21 januari 2021 stond zij ingeschreven op het adres van haar tante, namelijk [adres 1] in Amsterdam. Sinds 21 januari 2021 staat zij ingeschreven op de [adres 2] in Amsterdam. Op 8 juli 2021 heeft verzoekster zich gemeld bij Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen (CMDG) en gevraagd om opvang.

3. Met een besluit van 19 mei 2021 heeft verweerder besloten dat verzoekster geen recht heeft op maatschappelijke opvang.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om opvang afgewezen. Zij is zelfredzaam en komt daarom niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang. Daarbij hebben niet alle leden van het gezin afgelopen vier jaar rechtmatig in Nederland verbleven en hebben niet alle leden van het gezin afgelopen vier jaar in Amsterdam gewoond.

5.1

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat aan algemene voorzieningen geen toegangseisen mogen worden gesteld. Omdat verweerder aan de noodopvang voor gezinnen wel toegangseisen stelt, namelijk dat toegang alleen mogelijk is als de aanvrager de afgelopen vier jaar rechtmatig in Amsterdam heeft gewoond, moet de noodopvang voor gezinnen worden gezien als maatwerkvoorziening. De toegangseisen die verweerder voor noodopvang voor gezinnen stelt in de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning zijn in strijd met artikel 2.1.3, tweede lid, onder a,1 en artikelen 1.2.12 en 1.2.23 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

5.2

Verder stelt verzoekster dat verweerder de belangen van haar kind onvoldoende heeft meegewogen in het bestreden besluit. Verzoekster heeft een brief van buurtteammedewerker [naam 1] en [naam 2] OKT dakloze gezinnen overgelegd. Hierin staat dat verzoekster haar best doet woningen te vinden buiten de regio (namelijk in Limburg, Zeeland, West-Brabant en Midden-Holland). De zoon maakt een vermoeide indruk, vermoedelijk door het veelvuldig verplaatsen van de verblijfsplaats. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling op de langere termijn.

Oordeel van de voorzieningenrechter

6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster zelfredzaam is en daarom geen recht heeft op maatschappelijke opvang. Tussen partijen staat wel ter discussie of verzoekster en haar zoon moeten worden toegelaten tot de noodopvang voor gezinnen.

Is noodopvang voor gezinnen een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening?

8. De voorzieningenrechter is ten eerste van oordeel dat de noodopvang voor gezinnen moet worden gezien als een algemene voorziening op grond van de Wmo, en niet als een maatwerkvoorziening. De voorzieningenrechter concludeert uit de Kamerstukken4 waar verzoekster en verweerder naar hebben verwezen dat ook algemene voorzieningen slechts toegankelijk kunnen zijn voor mensen die aan bepaalde toegangseisen voldoen. Het moet echter gaan om voorzieningen waarvoor geen onderzoek naar de opvangbehoefte hoeft te worden ingesteld. In Amsterdam is toegang tot de noodopvang voor gezinnen niet afhankelijk gesteld van de behoefte, maar onder andere van regiobinding. Hoewel verweerder dus bepaalde toegangseisen voor noodopvang voor gezinnen stelt, is wel sprake van een algemene voorziening. De voorzieningenrechter wijst in dit kader ook op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 20195, waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat onderzoek heeft plaatsgevonden, nog niet maakt dat sprake is van een maatwerkvoorziening.

9. Omdat geen sprake is van een maatwerkvoorziening, zijn artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, en artikelen 1.2.1 en 1.2.2 van de Wmo 2015 niet van toepassing voor de voorziening noodopvang voor gezinnen.

Mag verweerder regiobinding als toegangseis aan noodopvang voor gezinnen stellen?

10. Op grond van de Wmo bestaat geen verplichting voor verweerder om noodopvang (voor gezinnen) als algemene voorziening te bieden, maar in artikel 3.7, derde lid, van de Verordening maatschappelijke opvang Amsterdam is bepaald dat verweerder zorg draagt voor kortdurend voltijdverblijf in geval van een acute noodsituatie voor Amsterdamse gezinnen, op de specifiek voor dat doel bestemde plekken. Verweerder heeft in de Nadere regels maatschappelijke opvang ingevuld dat toegangsvoorwaarden voor noodopvang voor gezinnen zijn dat alle leden van het gezin minimaal de afgelopen vier jaar rechtmatig in Nederland hebben verbleven en dat zij de afgelopen vier jaar in Amsterdam hebben gewoond. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de eis van regiobinding mag stellen voor toegang tot de noodopvang in Amsterdam. Dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen met binding aan Amsterdam en niet wordt gebruikt als een manier om zich te vestigen in Amsterdam. Amsterdam staat het water aan de lippen wat betreft de druk op de (nood)opvang en huisvesting. Verweerder mag daarom prioriteiten stellen bij de verdeling van noodopvangplekken.

Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind?

11. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. In het kader van de aanvraag om maatschappelijke opvang is onderzocht of verzoekster zelfredzaam is en voor haar kind kan zorgen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verzoekster hiertoe in staat is. Zij heeft tot 8 juli 2021 ook in huisvesting voor haar en haar zoon kunnen voorzien, eerst in Suriname en daarna in Nederland. Van verzoekster mag daarom worden verwacht dat zij ook nu zelf kan zorgdragen voor huisvesting voor haarzelf en haar zoon, in (krimpregio’s in) Nederland of in Suriname.

Conclusie

12. Het bestreden besluit zal naar verwachting standhouden in bezwaar. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van der Zweep, griffier, en aan partijen bekendgemaakt door verzending op de hieronder vermelde datum.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo wordt in de verordening in ieder geval bepaald op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

2 Op grond van artikel 1.2.1 van de Wmo komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

3 Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

4 Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 64, p. 60.

5 ECLI:NL:CRVB:2019:1809.