Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5840

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
13-052131-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld voor poging zware mishandeling en bedreiging. Afwijzing beroep op noodweer: geen begin van aannemelijkheid dat sprake is van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.052131.21 (Promis)

Datum uitspraak: 17 juni 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie personen op het adres

[adres 1] ,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van het Justitieel Complex [locatie te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2021. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Geurts en van wat verdachte en zijn advocaat mr. V.G. Kraal naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen

- in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [persoon] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [persoon] heeft getrapt en/of geschopt, terwijl die [persoon] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon] heeft mishandeld door een of meermalen

- in/op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [persoon] te slaan en/of te stompen en/of

- op/tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, van die [persoon] , te trappen en/of te schoppen, terwijl die [persoon] op de grond lag;

2.

hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou voor de trein gooien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [persoon] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de poging zware mishandeling (feit 1 primair) en de bedreiging (feit 2) bewezen kunnen worden, gelet op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige] en de verklaring van verdachte bij de politie. Dat sprake is van poging zware mishandeling is gebaseerd op de verklaring van verdachte dat hij aangever heeft geslagen door gebruik te maken van zijn bokstechnieken. De officier van justitie vindt het trappen tegen het hoofd niet bewezen en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken.

De diefstal van de telefoon (feit 3) kan niet worden bewezen. De officier van justitie vordert dat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

3.2.1.

Poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel

De raadsman heeft vrijspraak van de poging zware mishandeling bepleit. Hij voert aan dat niet is komen vast te staan dat verdachte aangever tegen zijn hoofd heeft geschopt of getrapt. Dit is van belang voor een bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel. Slaan of trappen op andere plaatsen tegen het lichaam is niet voldoende om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. Daar komt bij dat de getuige als enige heeft verklaard dat er geschopt is, maar niet dat er tegen het hoofd is geschopt.

3.2.2.

Diefstal telefoon

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van diefstal van de telefoon. Verdachte dacht dat de telefoon die hij opraapte zijn telefoon was. Toen hij erachter kwam dat het niet zijn telefoon was, heeft hij deze direct aan de politie overhandigd. Er is geen sprake van ‘oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van poging zware mishandeling (feit 1 primair)

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 primair is ten laste gelegd. De rechtbank vindt namelijk dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft getrapt of geschopt. De rechtbank vindt dat het overige handelen van verdachte, het stompen tegen het hoofd of gezicht, onvoldoende is om te kunnen spreken van een poging tot zware mishandeling. Verdachte zal dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

3.3.2.

Vrijspraak van diefstal (feit 3)

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte het oogmerk had om de telefoon van aangever te stelen. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

3.3.3.

Het oordeel over de mishandeling (feit 1 subsidiair) en de bedreiging (feit 2)

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik die man geslagen heb. Ook in de trein.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2021038765-3 van 22 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pag. 3-5.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [persoon] , zakelijk weergegeven:

Op 22 februari 2021 liep ik naar Station Amsterdam Zuid. Ik hoorde dat de man zei: “Ik ga jou voor de trein gooien”. Ik liep een stukje verder. De man kwam achter mij aanlopen. De man haalde met kracht zijn arm naar achteren en sloeg mij met zijn gebalde vuist met kracht op mijn linker kaak. Ik voelde direct een hevig scherpe en stekende pijn in mijn kaak.

Ik ben in de trein gestapt. Toen de trein in beweging kwam zag ik dat de man die mij eerder had geslagen ook in de trein was gestapt. De man begon als een wilde bewegingen te maken met gebalde vuisten. Terwijl ik mijzelf probeerde af te weren, al zittend in de stoel, voelde ik dat de man mij sloeg. Ik weet niet meer waar hij mij raakte, maar van korte duur deed het erg veel zeer.

Nadat de man mij had geraakt stond ik op en probeerde de man af te weren. De man sloeg mij met gebalde vuist met kracht op mijn rechteroog.

Noot verbalisant: ten tijde van de aangifte is het rechteroog dik en opgezwollen.

Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer PL1300-2021038765-11 van 23 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] doorgenummerde pag. 13-14.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [getuige] , zakelijk weergegeven:

Op 22 februari 2021 zat ik in de trein. Ik zag dat een man (man A) op zijn rug op de stoelen lag. Ik zag dat een andere man (man B) bij hem stond. Ik hoorde dat man A riep: “Bel de politie”. Ik zag dat man B man A van de bank af trok. Ik zag dat man A op zijn rug op de grond lag. Toen man A later bij mij stond zag ik dat hij gewond was aan zijn rechter wenkbrauw. Ik zag dat deze opgezwollen was.

Een proces-verbaal verhoor verdachte met nummer PL1300-2021038765-6 van 23 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , doorgenummerde pag. 15-20.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 22 februari 2021 was ik op het treinstation. Ik zag iemand staan die mij aankeek. We hebben ruzie gehad op het station. Ik stapte in de trein. Vervolgens heb ik ruzie gehad in de trein met die man. We hebben ook gevochten in de trein. We hebben dus twee keer gevochten.

U zegt dat de man in zijn aangifte heeft verklaard dat ik zou hebben geroepen: “Ik ga je voor de trein gooien”. Toen we ruzie zaten te maken heb ik dit wel gezegd.

Het klopt dat de man wegliep en dat ik achter hem aan ging en dat ik hem geslagen heb.

In de trein kwam ik die man weer tegen. Ik heb ruzie gehad met die man. Hij stond op. Ik sloeg hem in zijn gezicht. Vervolgens is de man gevallen.

U houdt mij voor dat de man heeft gezegd dat hij niet wilde vechten en dat ik vervolgens vechtbewegingen maakte naar de man waarop hij zich afweerde. De man zei dat ik hem op zijn rechter oog zou hebben geslagen. Dat klopt. Ik dacht dat hij mij wilde slaan. Hij stond ineens op en toen heb ik hem geslagen.

De man viel op de grond. Wij zaten nog steeds te vechten in de trein, duwen en trekken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging (feit 2) als volgt. Verdachte heeft op zitting verklaard niet gezegd te hebben “Ik ga jou voor de trein gooien”. De rechtbank beschouwt die verklaring op zitting echter als niet betrouwbaar. Zoals uit bovengenoemd bewijsmiddel blijkt, heeft verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie bekend aangever met die woorden bedreigd te hebben. Daarnaast heeft aangever verklaard dat verdachte dit gezegd zou hebben. Dat verdachte op zitting daar ineens anders over verklaart, maakt niet dat zijn oorspronkelijke verklaring als onbetrouwbaar moet worden beoordeeld. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. subsidiair:

op 22 februari 2021 te Amsterdam, [persoon] heeft mishandeld door meermalen tegen het gezicht/hoofd van die [persoon] te stompen;

2.

op 22 februari 2021 te Amsterdam, [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [persoon] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou voor de trein gooien".

5 De strafbaarheid van de feiten

5.1.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ten aanzien van de mishandeling ter terechtzitting aangevoerd dat hij aangever heeft geslagen omdat hij zich moest verdedigen tegen dreigingen van aangever.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van noodweer, gelet op de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat verdachte als eerste heeft geslagen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet het verweer van verdachte als een beroep op noodweer. Dit verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte op de terechtzitting, geen begin van aannemelijkheid dat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Daarmee geldt dat het bestaan van een strafuitsluitingsgrond niet aannemelijk is geworden, zodat het feit strafbaar is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 200 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 86 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tevens dienen de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 11 mei 2021 te worden opgelegd. Deze bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te zijn.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 21/3376, die tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van een willekeurig persoon die met het openbaar vervoer op weg naar huis was. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte agressief reageerde op het moment dat het slachtoffer hem aankeek en dat hij het slachtoffer tot twee keer toe (op het perron en in de trein) uit het niets heeft gestompt. Dit is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest en het slachtoffer heeft hier nog steeds last van, zo blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier.

Persoon van verdachte

Uit het Pro Justitia rapport van psychiater J. Marx van 26 april 2021 komt onder meer het volgende naar voren. Verdachte heeft verteld dat hij stemmen hoort (akoestische hallucinaties) waardoor hij het idee heeft dat andere mensen over hem spreken. Uit opgevraagde informatie van de GZ-psycholoog verbonden aan het Justitieel Complex [plaats 1] , waar verdachte verblijft, blijkt dat verdachte sinds begin maart 2021 Olanzapine gebruikt (anti-psychotische medicatie). Hierdoor is zijn psychische toestand verbeterd. Toch hebben zich twee incidenten voorgedaan waarbij verdachte agressief reageerde en weer op de crisisafdeling moest worden geplaatst.

Deze akoestische hallucinaties kunnen worden geduid als een psychotisch fenomeen en bij verdachte is naar alle waarschijnlijkheid sprake van een psychotische stoornis. Classificatie volgens SDM-5: Ongespecificeerde schizofrenie-spectrum- of andere psychotische stoornis. Dit was naar alle waarschijnlijkheid ook aan de orde ten tijde van het tenlastegelegde. Onderzoeker is van mening dat er evidente aanwijzingen zijn voor een zorgwekkend patroon waarbij verdachte andere personen aanvalt onder invloed van psychotische symptomen (horen van stemmen). Het is onduidelijk wat de triggers/stressoren zijn bij deze handelingen en hoe deze kunnen worden beïnvloed. Akoestische hallucinaties lijken een (belangrijke) rol te spelen.

Alles overwegende adviseert onderzoeker verdachte de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op vergelijkbare feiten als het tenlastegelegde is -zonder behandeling- reëel. Er zijn bij verdachte duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van psychotische symptomen. Tevens is een behandeling met antipsychotica in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum effectief gebleken ten aanzien van het verminderen van de psychotische verschijnselen.

Een psychiatrische behandeling is aangewezen om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, namelijk

  • -

    Nadere (beloops)diagnostiek ten aanzien van de oorzaak van de psychotische symptomen;

  • -

    Continueren van de antipsychotische medicatie;

  • -

    Psycho-educatie;

  • -

    Abstinentie van middelen.

Momenteel is verdachte aangewezen op praktische hulp ten aanzien van huisvesting, financiën en werk/dagbesteding. Er is geen zorgkader aanwezig buiten detentie, zodat in eerste instantie wordt gedacht aan een klinische opname (zoals op een FPA). Na stabilisatie kan mogelijk worden toegewerkt naar ambulante begeleiding (zoals door een Forensisch FACT-team).

Verdachte heeft geen ziekte-inzicht en is daardoor vermoedelijk niet in staat zich (geheel) aan een behandeling te conformeren. Daar is vooralsnog dwang voor nodig, bij voorkeur in het kader van een zorgmachtiging, nu het risico vooral wordt veroorzaakt door een psychiatrische stoornis. Er is reeds een zorgmachtiging aangevraagd.

Geadviseerd wordt om naast de zorgmachtiging tevens behandeling/begeleiding op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. In het bijzonder na een (aanvankelijke) klinische opname kan de reclassering dan toezicht houden op het naleven van afspraken ten aanzien van medicatie, abstinentie, huisvesting, dagbesteding en financiën.

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van het reclasseringsadvies van 11 mei 2021, opgesteld door reclasseringswerker M. Hamels van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.

Bij een veroordeling kan worden gesproken van een beginnend delict patroon van geweldsdelicten. Een directe risicofactor is de aanwezigheid van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, welke is vastgesteld door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) in het kader van het psychiatrisch onderzoek.

De kans op recidive met letselschade wordt ingeschat als hoog. Tijdens de huidige detentie hebben zich agressie-incidenten voorgedaan. Ondanks verhoging van de medicatie is er nog weinig effect te zien op de achterdochtigheid van verdachte en de stemmen in zijn hoofd. Een opname op een Forensische Psychiatrische Afdeling is geïndiceerd.

Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd. Ook wordt geadviseerd hieraan de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen: een meldplicht bij Jeugdbescherming & Reclassering van het Leger des Heils, een opname in FPA [plaats 2] of soortgelijke zorginstelling, ambulante behandeling bij polikliniek Fivoor (of soortgelijke zorgverlener) gedurende de gehele proeftijd, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. De bijzondere voorwaarden en het toezicht dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.

Er is door het [justitieel complex] een zorgmachtiging aangevraagd. De reclassering heeft een aanmelding bij Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) gedaan. Uit mailcontact met het IFZ blijkt dat de zorgmachtiging onderliggend is en een justitie-indicatie (met opname in een zorginstelling) prevaleert boven een eventuele zorgmachtiging. De huidige status van de IFZ aanmelding is dat de indicatie is afgegeven en betrokkene is aangemeld voor FPA [plaats 2] (GGZ Noord-Holland Noord). De reclassering vraagt tevens bij Dienst Individuele Zaken (DIZ) overbruggingszorg aan. Wat de startdatum is, is momenteel nog onbekend.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting aangegeven dat hij contact heeft opgenomen met de reclassering. Op dit moment is er nog geen opnamedatum bekend. Als de bijzondere voorwaarden worden opgelegd, is overbruggingszorg nodig van enkele weken. Dit moet dan wel in combinatie met een zorgmachtiging. De toegevoegde waarde is dat als verdachte niet meewerkt aan de bijzondere voorwaarden, de zorgmachtiging nog aanwezig is.

Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 april 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld, maar wel meermalen in Groot-Brittannië, onder andere voor geweldsmisdrijven en drugsdelicten.

De straf

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en een proeftijd van twee jaren. Met deze straf wordt enerzijds rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten en anderzijds met het advies van de reclassering, het psychiatrisch rapport en het verhandelde op de terechtzitting. Daarnaast is rekening gehouden met de omstandigheid dat de rechtbank in de civielrechtelijke procedure, die naast deze strafzaak loopt, een zorgmachtiging verleent.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht bij Jeugdbescherming en Reclassering van het Leger des Heils, een klinische opname in FPA [plaats 2] of soortgelijke zorginstelling met een maximale duur van een jaar, ambulante behandeling bij polikliniek Fivoor (of soortgelijke zorgverlener) gedurende de gehele proeftijd, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Dit is mogelijk omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en omdat blijkens de inhoud van de rapporten over de persoon van verdachte de kans op recidive wordt ingeschat als hoog.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon] vordert een schadevergoeding van € 9.350,56, bestaande uit € 7.850,56 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is gedegen onderbouwd met bonnen en er is rekening gehouden met afschrijvingstermijnen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen financiële middelen heeft om de schade te vergoeden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen. De vordering is goed onderbouwd en bovendien is deze niet betwist door verdachte. Dat verdachte geen financiële middelen heeft is onvoldoende reden om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 81 dagen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 85 dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils op het adres [adres 2] (of op een ander adres in de regio waar betrokkene opgenomen wordt in een zorginstelling). Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Opname in een zorginstelling

- zich laat opnemen in FPA [plaats 2] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Indien nodig is veroordeelde verplicht mee te werken aan en zich op te laten nemen in een nog nader te bepalen instelling voor overbruggingszorg met een beveiligingsniveau gelijk aan een Forensisch Psychiatrische Afdeling.

Ambulante behandeling

- zich laat behandelen door polikliniek (ambulante forensische verslavingszorg) Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Hij houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

- verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Andere voorwaarde het gedrag betreffende

- meewerkt aan controle van het gebruik van drugs (cocaïne en cannabis) om het middelengebruik te beheersen indien de reclassering dit nodig acht. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] toe tot een bedrag van € 7.850,56 (zevenduizend achthonderdvijftig euro en zesenvijftig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 (eenduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening..

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] aan de Staat € 9.350,56 (negenduizend driehonderdvijftig euro en zesenvijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 81 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

De rechtbank heeft aan verdachte in de zaak met rekestnummer 21/3376 een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden op grond van artikel 2.3, eerst lid, Wfz, welke zorgmachtiging bij voorraad uitvoerbaar is. Gelet hierop zal verdachte in afwachting van plaatsing op een Forensisch Psychiatrische Afdeling van een kliniek van Fivoor of een soortgelijke kliniek, gedetineerd blijven in de P.I. [plaats 1] , PPC op grond van artikel 9, tweede lid, sub h, van de Penitentiaire beginselenwet.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2021.