Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5831

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
13/751744
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Frankrijkvervolging, OL toegestaan, verweer t,a,v, genoegzaamheid verworpen, detentiegarantie afgegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751744-21 (EAB I)

RK nummer: 21/4114

Datum uitspraak: 12 oktober 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 februari 2021 door de Procureure de la République près le Tribunal Judiciaire de Val de Briey (Hoofdofficier van Justitie bij de gewone Rechtbank te Val de Briey), Frankrijk, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1996,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 30 september 2021

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Franse taal.


Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Het onderzoek ter zitting is voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de opgeëiste persoon kennis te laten nemen van de inhoud van een ander overleveringsverzoek dat ten aanzien van de opgeëiste persoon door Frankrijk is uitgevaardigd en bij de rechtbank is aangebracht onder parketnummer 13/752036-21 (hierna: EAB II) zodat hij zich met zijn raadsvrouw kan voorbereiden op de gevoegde behandeling van beide overleveringsverzoeken.

Zitting 5 oktober 2021

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op de openbare zitting van 5 oktober 2021 in de stand waarin het zich bevond op het moment van de schorsing op 30 september 2021. Het verhoor heeft, via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 2 december 2020, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de gewone rechtbank Val-de-Briey (referentie: Parket nr. 20/328/05).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Genoegzaamheid

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten blijkt onvoldoende uit de feitsomschrijving. Daarnaast zijn de strafbare feiten heel summier beschreven. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringverzoek dient te worden aangehouden ten behoeve van het stellen van vragen over de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feitencomplex.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. De feiten zijn in het EAB genoegzaam omschreven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit het EAB, in samenhang met Form A – welk formulier zich in het dossier bevindt en wordt gelezen in samenhang met het EAB – blijkt dat de opgeëiste persoon, kort gezegd, ten aanzien van feit 1, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7 door de Franse autoriteiten wordt verdacht van het gebruik, bezit, invoer van en handel in verdovende middelen (in ieder geval cannabis) in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 21 november 2020 te [plaats 2] (Frankrijk). Daarnaast wordt hij ten aanzien van feit 2 en feit 9 verdacht van het vervoer en bezit van een wapen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 21 november 2020 te [plaats 2] (Frankrijk). Tot slot wordt hij ten aanzien van feit 8 verdacht van het negeren van een stopteken op 21 november 2020 te Belgie. In Form A is zijn rol aangegeven als dader (perpetrator).

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat de omschrijving van de feiten in het EAB voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e van de OLW en daarmee genoegzaam is. De rechtbank verwerpt het verweer.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet ten aanzien van feiten 1 tot en met 7 en feit 9 achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit die strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 6, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

en:

illegale handel in wapens, munitie en explosieven.

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 8 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

5 Artikel 11: detentieomstandigheden

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken in andere zaken (zie daarbij onder andere: ECLI:NL:RBAMS:2017:3763) geoordeeld dat er op dit moment ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

Bij e-mail van 5 augustus 2021 heeft de Subsitut de la procureure van het Tribunal Judiciaire de Val-de-Briey een garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon niet in de detentie-instelling in Nîmes wordt gedetineerd. Deze garantie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk niet het gevaar loopt aan een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest te worden onderworpen.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 5a en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] aan de Procureure de la République près le Tribunal Judiciaire de Val de Briey (Hoofdofficier van Justitie bij de gewone Rechtbank te Val de Briey), Frankrijk.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.