Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5747

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6814
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag van eiser om bijzondere bijstand is door verweerder onterecht buiten behandeling gesteld. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij de gevraagde gegevens wel binnen de hersteltermijn heeft verstrekt. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/6814

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Procesverloop

Met een besluit van 7 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage en de kosten van het griffierecht buiten behandeling gesteld.

Met een besluit van 23 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 22 mei 2020 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage en de kosten voor griffierecht. Om hierop te kunnen beslissen heeft verweerder met de brief van 12 juni 2020 verzocht om aanvullende gegevens en

26 juni 2020 als uiterlijke datum gesteld voor het aanleveren van die gegevens. Eiser heeft met de brief van 25 juni 2020 een deel van de aanvullende gegevens verstrekt namelijk, de civiele toevoeging en de conceptnota. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.

2. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar ten aanzien van de eigen bijdrage gegrond verklaard. Eiser heeft namelijk wel op tijd de gevraagde gegevens verstrekt, waardoor verweerder de aanvraag wel kon behandelen. Ten aanzien van de griffiekosten heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens verweerder is de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffiekosten terecht buiten behandeling gesteld, omdat eiser het overzicht van griffiekosten niet binnen de hersteltermijn heeft verstrekt. Verweerder stelt dat eiser een redelijke hersteltermijn is geboden. Verweerder voert verder aan dat er geen fout is gemaakt met het inscannen van de gegevens, omdat er verschillen zitten tussen de gegevens die op 29 juni 2020 en op 16 november 2020 zijn verstrekt.

Standpunt eiser

3. Eiser stelt dat hij de gevraagde gegevens wel heeft verstrekt binnen de hersteltermijn. Volgens eiser heeft verweerder wel het overzicht van de griffiekosten ontvangen, maar is er iets fout gegaan bij het inscannen van de gegevens door verweerder. Dat eiser het overzicht van de griffiekosten heeft opgestuurd volgt uit het begeleidend schrijven van 25 juni 2020. Aangezien de andere gegevens wel zijn verstrekt had verweerder volgens eiser een hersteltermijn moeten verlenen. Eiser voert aan dat uit het beleid van verweerder ook volgt dat verweerder een hersteltermijn had moeten verlenen, omdat het gaat om een kleinigheid. Eiser heeft bovendien de gegevens in bezwaar nogmaals verstrekt.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

5. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

6. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet, bepaalt verweerder welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

7. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1, moet een hersteltermijn als hier aan de orde, afgestemd zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn bij het bestuursorgaan aan te leveren. Uit het oogpunt van actieve en adequate informatieverstrekking wordt de aanvrager gewezen op de mogelijkheid om voor afloop van de hersteltermijn om verlenging van die termijn te vragen ingeval bepaalde gegevens niet in het bezit van de aanvrager zijn en medewerking van derde personen of instanties nodig is om gevraagde gegevens en bescheiden te verkrijgen.

Het oordeel van de rechtbank

8. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden buiten behandeling heeft kunnen stellen.

9. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft volgens de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij met de brief van

25 juni 2020 de gevraagde gegevens binnen de hersteltermijn heeft verstrekt. Bovenaan de pagina’s die eiser met de brief van 25 juni 2020 aan verweerder heeft verstrekt, staat een code vermeld die het scanapparaat van verweerder aan iedere pagina heeft gegeven. Uit deze codering volgt dat er drie pagina’s ontbreken. De pagina’s die eindigen met de code 0087, 0088 en 0096 ontbreken. Dit komt overeen met de twee pagina’s van de brief van verweerder van 12 juni 2020 en een pagina waar het overzicht van de griffiekosten op staat vermeld welke eiser met de brief van 25 juni 2020 heeft willen versturen. Het standpunt van verweerder dat de code van het scanapparaat in nummers verspringt wanneer de achterkant van een pagina blanco is, kan de rechtbank niet volgen. Dit is namelijk niet het geval bij de andere pagina’s met een blanco achterkant. Gegeven deze omstandigheid acht de rechtbank aannemelijk dat eiser met zijn brief van 25 juni 2020 alle verzochte gegevens heeft verstrekt. Gelet hierop komt het naar het oordeel van de rechtbank voor risico van verweerder dat de gegevens bij verweerder kennelijk in het ongerede zijn geraakt.

10. Eiser krijgt gelijk. De rechtbank zal het bestreden besluit, voorzover aangevallen, vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Conclusie

11. Het beroep is gegrond.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,- (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voorzover aangevallen;

  • -

    herroept het primaire besluit, voorzover betreffende de griffiekosten;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.244,-.

eze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1395.