Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5695

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
13/210826-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De rechtbank heeft TBS met dwangverpleging opgelegd aan moeder die, tijdens een psychose die meerdere dagen heeft geduurd, heeft geprobeerd om haar 7-jarige dochter zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar (onder andere) meermalen te prikken/krassen met een schaar. Vrijspraak van moord/doodslag op haar baby en het wegmaken van het lijk van haar baby, omdat geen doodsoorzaak van het overlijden van de baby kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/210826-20 (Promis)

Datum uitspraak: 8 oktober 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] ,

thans gedetineerd te [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.A. de Back, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. T.P. Schut, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat advocaat mr. L. Scheffer, namens benadeelde partij [benadeelde] , naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt na wijziging van de tenlastelegging, kort gezegd, verweten dat zij zich in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1:

moord/doodslag op haar zoon [baby] (geboren op [geboortedag] 2020) door geweldshandelingen op zijn hoofd en lichaam toe te passen en/of door hem door verstikking en/of oververhitting en/of verdrinking om het leven te brengen;

Feit 2:

(poging tot zware) mishandeling van haar dochter [dochter] (geboren op [geboortedag] 2012) door haar meermalen met een schaar te steken/snijden/prikken/krassen op haar rechterarm, linkerarm, het hoofd, de hals, de romp en de schaamheuvel, althans het lichaam, en/of door haar te gooien/duwen tegen de grond en de muur en/of door haar te slaan tegen de hals.

Feit 3:

het verbergen/wegvoeren/wegmaken van het lijk van haar zoon [baby] (geboren op [geboortedag] 2020) met het oogmerk om de oorzaak van zijn overlijden te verhelen door zijn lijk/lichaam in een sporttas te leggen/bedekken en/of door voornoemde tas in een andere kamer/ruimte te verbergen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op [geboortedag] 2020 is verdachte in het ziekenhuis in Amsterdam bevallen van een zoon: [baby] (hierna: [baby] ). Na een aansluitend verblijf van negen dagen in het ziekenhuis vanwege een antibioticabehandeling van [baby] , is verdachte, een alleenstaande moeder, met [baby] teruggekeerd naar haar woning. In deze woning verbleef zij vervolgens met haar drie kinderen: de 7-jarige [dochter] (hierna: [dochter] ), de 3-jarige [zoon] (hierna: [zoon] ) en de baby, [baby] .

Op 11 augustus 2020 heeft de moeder van verdachte een nacht bij haar in de woning verbleven. Verdachte heeft moeder op 12 augustus 2020 in de middag weggestuurd. Vanaf dat moment, zo heeft verdachte verklaard, herinnert zij zich niets meer. Verdachte verbleef vervolgens ruim vier dagen met haar drie kinderen in haar woning, zonder dat er zicht was op haar en de kinderen.

Naar aanleiding van een melding van de vader van [dochter] , die al drie dagen geen contact met verdachte kon krijgen, kwamen meerdere verbalisanten in de nacht van 16 op 17 augustus 2020 ter plaatse bij de woning van verdachte en traden naar binnen. Bij de voordeur in de woning lagen twee grote messen op de grond en er waren in de woning beschadigingen te zien die mogelijk met een mes waren aangebracht. De deur naar de slaapkamer, waar verdachte te horen was, ging een klein stukje open. De verbalisanten hebben vervolgens door een raam een zeer onveilige en beangstigende situatie waargenomen. Zij zagen in de slaapkamer een naakte vrouw (naar later bleek verdachte) en twee naakte kinderen (naar later bleek [dochter] en [zoon] ). Verdachte krijste en schreeuwde luid, sloeg en schopte tegen de deur en maakte een zeer verwarde en agressieve indruk. Zo zagen verbalisanten onder meer dat verdachte grote pupillen had, onrustig heen en weer liep, met een schaar in de deur stak, haar eigen haren afknipte met een schaar en plukken haar en een schaar op het bed legde, naast [zoon] . [zoon] lag roerloos in foetushouding op het bed. Verdachte legde steeds doekjes op zijn hoofd en armen. De verbalisanten zagen dat verdachte [dochter] hardhandig vastpakte en op de grond gooide. Het matras op het bed was kapot geknipt en gesneden en in de kamer lagen uitwerpselen, afval en luiers. Bij het bed lag glaswerk en op tafel lagen scherpe voorwerpen. Zij hoorden verdachte dreigende teksten over en tegen de politie uiten. De baby zagen en hoorden ze niet. Ze konden geen contact krijgen met de verdachte, zij reageerde nergens op.

Uiteindelijk is het met behulp van een arrestatieteam gelukt om verdachte aan te houden. [dochter] en [zoon] zijn uit de woning gehaald en zeiden niet te weten waar hun jongste broertje [baby] was. Zij waren hem al enige tijd kwijt en hadden nog naar hem gezocht, maar hem niet gevonden. Na een doorzoeking van de woning werd het levenloze lichaam van [baby] aangetroffen in een afgesloten sporttas.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en 3, omdat onduidelijk is wat de doodsoorzaak is geweest van [baby] . Daarom kan niet bewezen worden dat [baby] opzettelijk om het leven is gebracht.

De officier van justitie vindt de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [dochter] wel bewezen.

3.3.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde onder 1, 2 primair en 3 moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsman aangevoerd dat onduidelijk is waardoor alle krasletsels bij [dochter] veroorzaakt zijn. Bovendien zijn de krasletsels zo oppervlakkig dat niet gesproken kan worden van een poging tot zware mishandeling.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 – vrijspraak moord/doodslag op zoon [baby]

De rechtbank is –met de officier van justitie en de raadsman– van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde moord dan wel doodslag niet kan worden bewezen, omdat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld hoe [baby] is overleden.

Op [geboortedag] 2020 is verdachte bevallen van een gezonde zoon, [baby] . Op 12 augustus 2020 is de kraamhulp voor het laatst bij verdachte en [baby] thuis geweest. Ook de moeder van verdachte heeft op 12 augustus 2020 [baby] nog in leven gezien. Nadat de moeder het huis van haar dochter op 12 augustus 2020 heeft verlaten is niemand bij verdachte en haar kinderen in de woning geweest, totdat de politie op 17 augustus 2020 binnen trad.

Verdachte heeft verklaard dat zij zich niets kan herinneren van wat zich in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 in haar woning heeft afgespeeld. [dochter] en [zoon] hebben aangegeven niet te weten wat er met hun babybroertje is gebeurd, hij was opeens ‘kwijt’ en de deur van de slaapkamer waar zij met hun moeder zaten was dicht.

Uit het NFI-rapport van 20 februari 2021, van het pathologisch onderzoek dat werd verricht naar de doodsoorzaak van [baby] , blijkt dat [baby] op 17 augustus 2020 al tenminste meerdere dagen dood was. Daardoor werd het onderzoek naar de doodsoorzaak sterk beperkt en is een oorzaak voor het overlijden van [baby] uiteindelijk niet gebleken. Verstikking, verdrinking en oververhitting kunnen volgens het rapport een mogelijke doodsoorzaak zijn, maar bijvoorbeeld wiegendood kan ook niet worden uitgesloten. In het voorlopig sectierapport van 19 augustus 2020, van het pathologisch onderzoek dat op 17 augustus 2020 werd verricht, werd aangegeven dat smoren of belemmering van de romp/luchtwegen in het kader van ‘samen slapen’ of slapen in buikligging geen objectiveerbare verschijnselen hoeft achter te laten bij baby’s en dat (accidentele of niet-accidentele) verstikking niet kon worden uitgesloten als eventuele doodsoorzaak.

De rechtbank kan dan ook niet vaststellen hoe [baby] om het leven is gekomen. Daarmee kan evenmin worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van [baby] . Verdachte zal daarom van feit 1 worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt (ten overvloede) op dat het voor alle betrokkenen, naar de rechtbank begrijpt ook voor verdachte, zeer onbevredigend is dat niet duidelijk is geworden wat er met [baby] gebeurd is en hoe en wanneer hij is overleden. Evenmin is duidelijk geworden wat zich gedurende de vier dagen voor de aanhouding van verdachte heeft afgespeeld in haar woning. Kijkend naar de door verbalisanten beschreven situatie zoals die werd aangetroffen op 17 augustus 2020, is het moeilijk een voorstelling te maken van hetgeen zich moet hebben afgespeeld in die dagen en wat voor beangstigende situatie dit voor de (nog volledig van moeder afhankelijke) kinderen moet zijn geweest. Ergens in die periode van vier dagen moet [baby] zijn overleden. Hij is, voor of na zijn dood, in een sporttas gelegd en de rits van de tas is dichtgetrokken. [baby] was al enkele dagen dood en nog in de woning toen verdachte en de kinderen uit de woning werden gehaald. Verdachte had de dood van haar baby aan niemand verteld.

Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [baby] opzettelijk om het leven is gebracht, is volstrekt duidelijk dat verdachte, moeder van drie jonge kinderen, onvoldoende in staat is gebleken om te zorgen voor een veilige situatie voor [baby] en haar andere twee kinderen. Uit het dossier komen momenten vóór 12 augustus 2020 naar voren waarop, achteraf bezien, verdachte in het belang van haar kinderen duidelijker om (professionele) hulp had kunnen en moeten vragen, gelet op haar eerdere psychose waarbij ze haar toen nog peuterdochter [dochter] heeft geprobeerd te doden.

Feit 3 – vrijspraak wegmaken lijk/lichaam van zoon [baby]

Nu geen doodsoorzaak van het overlijden van [baby] is gebleken, kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte na zijn overlijden zijn lijk/lichaam heeft verborgen, weggevoerd of weggemaakt met het oogmerk de oorzaak van zijn overlijden te verhelen. Zo blijft bijvoorbeeld alleen al onduidelijk of [baby] nog leefde toen hij in de tas werd gestopt of dat hij al was overleden. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 3.

Feit 2 – bewezenverklaring poging tot zware mishandeling van dochter [dochter]

De rechtbank acht –met de officier van justitie en anders dan de raadsman– de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte haar destijds 7-jarige dochter [dochter] , geboren op [geboortedag] 2012, in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 meermalen heeft mishandeld. Op 17 augustus 2020 kwamen verbalisanten ter plaatse bij de woning van verdachte. Gezien werd dat verdachte met een schaar in de deur stak, haar eigen haren afknipte en de schaar toen op bed legde. Eén van de verbalisanten zag dat verdachte [dochter] handhandig vastpakte, optilde en haar op de grond gooide, voor de deur van de slaapkamer. Korte tijd later pakte verdachte [dochter] weer vast en tilde haar omhoog en gooide haar in een hoek, tussen de kast en de deur naar de woonkamer.

Na de aanhouding van verdachte bleek [dochter] vele letsels te hebben, verspreid over haar hele lichaam. Uit de letselrapportage blijkt dat een kinderarts op 17 augustus 2020 meer dan 50 krasletsels bij [dochter] heeft waargenomen, waarvan enkele tientallen in haar hals en meer dan tien op haar schaamheuvel. Uit de bij de rapportage gevoegde letseltekening volgt dat de kinderarts ook op de rechterarm, de linkerarm, het hoofd, de rechterbil en de romp van [dochter] krasletsels heeft waargenomen. Ook waren in totaal zes onderhuidse bloeduitstortingen zichtbaar, te weten in de hals, op de bovenarm, aan de buitenzijde van het linker bovenbeen en aan de binnenzijde van de rechterknie. Meerdere krasletsels hadden een kort parallel verloop of een V-vormige rangschikking.

[dochter] heeft op 18 augustus 2020 tijdens een kindvriendelijk studioverhoor verklaard dat haar moeder boos was en haar pijn had gedaan door haar met een schaar te krassen en haar met de schaar te slaan. [dochter] verklaarde dat haar moeder echt bovenop haar was toen ze met de schaar ging krassen. Haar moeder had haar ook tegen de muur geduwd, daar had ze een blauwe plek van. Verder verklaarde [dochter] dat haar moeder haar ook een andere keer heeft geslagen. In de ambulance heeft [dochter] aan haar vader verteld dat haar moeder haar haren afknipte met een schaar en haar met een schaar prikte als ze moest huilen.

Een forensisch arts heeft geconcludeerd dat de krasletsels zijn veroorzaakt door uitwendige krachtsinwerking met een scherp of puntig voorwerp. Gelet op de vorm van de krasletsels –te weten een kort parallel verloop danwel een V-vormige rangschikking– is contact met een voorwerp met twee, zich dicht bij elkaar bevindende scherpe of puntige delen, aannemelijk. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een schaar of pincet. De door [dochter] gemelde toedracht –te weten het herhaald in contact komen met een schaar die haar moeder gebruikte– is volgens de arts een passende verklaring voor de waargenomen krasletsels. De bij [dochter] waargenomen onderhuidse bloeduitstortingen kunnen volgens de forensisch arts niet zijn veroorzaakt door normale omgang met een kind. Geconcludeerd wordt dat twee tot drie weken vóór 17 augustus 2020 meerdere momenten met krachtsinwerking aan de orde zijn geweest. De door [dochter] gemelde toedracht –te weten het duwen tegen de muur – is een mogelijke verklaring voor het ontstaan van een blauwe plek op, bijvoorbeeld, de linker- of rechterarm. Geslagen worden vormt een mogelijke verklaring voor het ontstaan van de blauwe plek in de hals. Een enkele bloeduitstorting kan zijn ontstaan op basis van de door de verbalisanten omschreven toedracht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte haar dochter [dochter] meermalen met een schaar tegen de rechterarm, de linkerarm, het hoofd, de rechterbil, de hals, de romp en de schaamheuvel heeft geprikt en gekrast en dat zij [dochter] hardhandig heeft vastgepakt, opgetild en tegen de grond gegooid en tegen de muur heeft geduwd en haar heeft geslagen tegen haar hals.

Voorwaardelijk opzet op zware mishandeling

De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte toen zij [dochter] mishandelde vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [dochter] .

Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg als het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert en verdachte bewust die aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De agressieve en ontregelde staat van de op dat moment niet aanspreekbare verdachte en de omstandigheden waaronder [dochter] en verdachte op 17 augustus 2020 in de woning werden aangetroffen, de vele geconstateerde letsels bij [dochter] , de verklaring van [dochter] en de conclusies van de gedragsdeskundigen dat verdachte in een psychose verkeerde1 maken dat de rechtbank er vanuit gaat dat verdachte’s realiteitsbesef in verregaande mate was aangetast toen ze haar dochter in de tenlastegelegde periode pijn deed. [dochter] heeft verklaard over die dagen in de woning dat haar moeder boos op haar was zonder reden en haar meerdere keren pijn deed en dat ze niet reageerde op mishandelingen omdat haar moeder dan nog bozer zou worden. Verdachte heeft verklaard geen herinnering aan het gebeurde te hebben.

De rechtbank zal, tegen deze achtergrond, op basis van de feiten vast moeten stellen of er sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.

Uit de krasletsels bij [dochter] en de bevindingen daaromtrent van de forensische arts leidt de rechtbank af dat het letsel is toegebracht met een voorwerp met twee scherpe puntige snijbladen.Een dergelijk voorwerp, een schaar, is door verbalisanten in de woning ook in handen van verdachte gezien en later in beslag genomen. Het door verdachte meermalen met een puntige schaar prikken en krassen tegen het hoofd, de blote rechter- en linkerarm, hals, romp, rechterbil en schaamheuvel van [dochter] , in combinatie met slaan tegen de hals, het hardhandig vastpakken en tegen de grond gooien van [dochter] en het zodanig tegen de muur duwen van [dochter] dat die daar een bloeduitstorting aan over hield, levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Met name het hoofd (onder andere is een krasletsel bij het linkeroog waargenomen) en de hals (halsslagader) zijn kwetsbare plekken, waar door slaan en prikken/krassen met een puntige schaar zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de combinatie en veelheid van de letsels, alsmede het feit dat er sprake was van geweld door een volwassen verdachte tegenover een fysiek kwetsbaar slachtoffer, te weten een meisje van zeven jaar oud. Verdachte heeft [dochter] twee maal opgetild en op de grond gegooid. Dat [dochter] daarbij niet zodanig is terechtgekomen dat ze zwaar (hoofd)letsel heeft opgelopen is toeval. Ook weegt mee dat verdachte, die zelf zegt geen herinnering aan het gebeurde te hebben, door de politie is waargenomen gedurende de laatste paar uren voordat zij kon worden aangehouden. Gezien is hoe verdachte [dochter] hardhandig vastpakte en in een hoek gooide. De verbalisanten hebben mitsdien beschreven hoe indringend dit geweld was. Door haar dochter, bewapend met een schaar, meermalen aan te vallen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank acht de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 2:

in de periode van 12 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 te Amsterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar, verdachte’s kind, genaamd [dochter] , geboren op [geboortedag] 2012, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:

met een schaar meermalen heeft geprikt en gekrast tegen de rechter- en linkerarm en het hoofd en de hals en de romp en de schaamheuvel, althans het lichaam van voornoemde [dochter] (meer dan 50 krasletsels) en

haar haarhardhandig heeft vastgepakt en opgetild en tegen de grond heeft gegooid en haar tegen een muur heeft geduwd en haar heeft geslagen tegen de hals, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van het bewezenverklaarde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de bevindingen en conclusies van psychiater M.C. Heus en psycholoog J. Yntema, van hun onderzoek betreffende verdachte, zoals neergelegd in de Pro Justitia rapportages van 9 januari 2021 en 24 januari 2021 en de aanvullingen op deze rapportages van 17 mei 2021 en 20 september 2021. Ter zitting hebben de deskundigen hun rapportages toegelicht en vragen daarover beantwoord.

De deskundigen hebben, kort gezegd, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. In de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde, te weten sinds de geboorte van [baby] op [geboortedag] 2020, is verdachte in toenemende mate achterdochtig, geagiteerd en verward geraakt.

De gedragskeuzes van verdachte werden ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed door oplopende gevoelens van stress en de bij verdachte vastgestelde stoornissen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een psychose. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde, bij een bewezenverklaring, niet aan verdachte toe te rekenen.

Ter terechtzitting zijn de hierboven genoemde psychiater en psycholoog als deskundigen gehoord. Zij hebben de inhoud van de hierboven genoemde rapportages bevestigd.

De verdediging heeft betoogd dat bovengenoemde conclusies van de deskundigen niet kloppen en dan met name niet de door hen vastgestelde persoonlijkheidsstoornis. De raadsman denkt eerder dat verdachte een eenmalige kraambedpsychose heeft gehad.

De rechtbank verwerpt dit verweer en neemt de conclusies uit de rapportages over.

Beide deskundigen hebben vragen van de raadsman met betrekking tot de mogelijkheid van een postpartum psychose beantwoord in een aanvullende rapportage en ook ter zitting nogmaals vragen hierover beantwoord.

De rechtbank begrijpt de deskundigen aldus. Een zogenaamde postpartum psychose wordt niet als op zichzelf staande diagnose omschreven in DSM-5. Een postpartum psychose ontstaat binnen vier weken na de bevalling, meestal in de eerste twee weken na de bevalling. Bij een deel van de vrouwen met een postpartum psychose treedt de psychotische decompensatie alleen op in de kraamtijd. Bij een ander deel van de vrouwen met een postpartum psychose is echter de psychische decompensatie een uiting van een onderliggende kwetsbaarheid. Van dit laatste is volgens de deskundigen sprake bij verdachte, die al eerder -in 2014 en los van een bevalling of kraamtijd- psychotisch is geweest en bij wie sprake is van een kwetsbare persoonlijkheidsorganisatie (persoonlijkheidsstoornis) die maakt dat ze in situaties van stress en spanning psychotisch (en mogelijk ook dissociatief) kan decompenseren. Van een éénmalige kraambedpsychose waar de raadsman op doelt is dan ook geen sprake geweest.

Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank het advies van de deskundigen, inhoudende dat het tenlastegelegde verdachte in het geheel niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte voor de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling onder feit 2 daarom volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte is niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Motivering van de maatregel

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte voor de onder 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging op te leggen. De officier van justitie heeft benadrukt oplegging van deze maatregel van groot belang te vinden en aangegeven deze maatregel ook te hebben geëist als het om eenvoudige mishandeling van [dochter] zou zijn gegaan.

7.2.

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft benadrukt dat verdachte erkent dat zij hulp nodig heeft en gemotiveerd is voor behandeling, maar niet in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. In het verleden is gebleken dat verdachte zelf in staat is om hulpverlenende instanties te raadplegen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

In de periode van 12 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 heeft verdachte, die op dat moment in een psychose verkeerde, zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van haar (destijds 7-jarige) dochter [dochter] . In het algemeen geldt dat kindermishandeling door een ouder bijzonder nadelige en verstrekkende gevolgen voor de ontwikkeling van het mishandelde kind kan hebben. De extra traumatische omstandigheden dat [dochter] en haar broertje vier dagen alleen in huis waren met hun psychotische moeder en in die dagen het babybroertje in huis is overleden, overschaduwen de ernst van de poging zware mishandeling maar maken deze niet minder ernstig voor het slachtoffer [dochter] . Onlangs heeft de vader van [dochter] , namens zijn dochter, een intakegesprek gehad voor het volgen van traumatherapie.

Het is geluk dat [dochter] niet (ook) fysiek ernstig of blijvend letsel heeft overgehouden aan de mishandelingen.

Indien verdachte niet psychotisch is lijkt er geen sprake te zijn van gebruik van geweld door haar jegens de kinderen en is ze een zorgzame moeder.

Uit het strafblad van verdachte blijkt echter dat dit niet de eerste keer is dat verdachte (tijdens een psychose) geweld heeft gebruikt tegen [dochter] . In 2014 heeft ze geprobeerd om [dochter] door verwurging om het leven te brengen. Verdachte is daarvoor bij vonnis van de rechtbank van 1 april 2015 ontslagen van alle rechtsvervolging.

Conclusies en adviezen deskundigen

Aan de onder 6. genoemde rapportages ontleent de rechtbank het volgende.

Aan het rapport van de psychologe:

“Betrokkene lijkt in haar psychotische ontregelingen uitsluitend agressief gedrag richting haar kinderen te vertonen. Zij heeft eveneens jaren goed gefunctioneerd en is jarenlang niet psychotisch gedecompenseerd. Als risicofactoren wordt voornamelijk ook betrokkenes kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en traumatische jeugd gezien die in combinatie met haar vermijdende coping strategieën, veel stress, overbelasting en vermoeidheid maken dat betrokkene psychotisch kan decompenseren. Wanneer betrokkene wederom in een situatie terecht komt waar de spanning dusdanig hoog oploopt is het reëel dat betrokkene wederom psychotisch kan decompenseren. Hierdoor is de kans op recidive voor gewelddadig gedrag richting haar kinderen hoog.

Gezien de complexe problematiek en de doorwerking hiervan in de haar ten laste gelegde feiten, in combinatie met het hoge recidiverisico wordt een intensieve behandeling, in de vorm van een klinische behandeling in een forensische kliniek geïndiceerd c.q. noodzakelijk geacht. Voortkomend vanuit haar vermijdende copingstijl bij toenemende stress en problemen is betrokkene geneigd zelf in tijden van stress zich terug te trekken in plaats van hulp te vragen/zoeken. De inschatting is, gezien het chronische karakter van haar stoornis, dat betrokkene in een langdurig kader zorg nodig heeft. Een voorwaardelijk kader wordt onvoldoende geacht om de stabiliteit en behandeltrouw bij betrokkene te bewerkstelligen die noodzakelijk is voor het verminderen van het recidiverisico. Het advies is daarom om de behandeling binnen het kader van een TBS met dwangverpleging te laten plaatsvinden.”

Aan het rapport van de psychiater:

“Betrokkene is vanuit haar persoonlijkheidsstructuur kwetsbaar om in situaties bij verhoogde spanning, vermoeidheid of overbelasting psychotisch te decompenseren (of mogelijk te dissociëren). Het risico op psychotische decompensatie (of mogelijke dissociatie) en daarmee het recidive risico wordt verhoogd door haar beperkte en kwetsbare netwerk met daarbij de beperkte coping van betrokkene. Ook kan het gebruik van cannabis dit risico verhogen. Als betrokkene, zonder behandeling, wederom in een situatie terecht komt waarin ze door meerdere factoren hoge spanning opbouwt en overbelast raakt, dan is de kans reëel dat betrokkene opnieuw psychotisch dan wel dissociatief ontregelt. Dit betekent dat, als betrokkene wederom psychotisch wordt in de situatie dat zij met haar kinderen is, de kans op recidive van gewelddadig gedrag naar haar kinderen toe hoog is. Buiten deze psychotische episodes zijn er geen aanwijzingen voor een verhoogd risico op geweld door ondergetekende en betrokkene heeft tot heden ook geen gerichte fysieke agressie vertoond naar anderen dan haar kinderen, tijdens een psychose.

Betrokkene heeft een beperkt netwerk en de instabiele intieme relaties verhogen in algemene zin het risico op recidive. Om het risico op recidive (uitgaande van de situatie dat op langere termijn betrokkene weer voor haar kinderen zorgt) te verminderen heeft betrokkene gedurende langere tijd behandeling nodig in een setting die voldoende structuur en therapeutische veiligheid biedt. Starten van een antipsychoticum is hierbij zeker te overwegen. Daarnaast is het bij deze complexe problematiek van psychotische en mogelijk dissociatieve stoornissen bij de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur van betrokkene allereerst van belang dat er de tijd genomen wordt om een behandelrelatie en vertrouwen op te bouwen. Tevens dient er meer zicht te worden gekregen op eventuele dissociatieve stoornissen (en hier dan therapeutische interventies op te doen) en is het van belang om met betrokkene te werken aan het minder vermijden en weghouden van emoties, goed zicht te krijgen op haar draagkracht en haar coping te versterken. Hierbij is de kans op emotionele ontregeling met mogelijk ook PTSS symptomen bij betrokkene aanwezig. Het zal een intensief proces worden, waarbij er goede monitoring op draagkracht en psychotische en dissociatieve symptomen moet plaats vinden. Hierdoor is een ambulant traject, met het beperkte, kwetsbare netwerk en hulpverlening op afstand niet haalbaar: de intensiteit van de behandeling vraagt om een goed vangnet en voldoende structuur om betrokkene heen. Betrokkene had, tijde van het ten laste gelegde een signaleringsplan, hetgeen ook niet geleid heeft tot de juiste hulpverlening op het moment dat het nodig was. Er is een klinische, in eerste instantie, gesloten setting nodig met een sterke mate van structuur en een redelijke mate van beveiliging. Omdat betrokkene door hulpverleners overschat lijkt te kunnen worden en ze zich ook beter voor kan doen dan ze is, is langdurige monitoring noodzakelijk met uiteindelijk stapsgewijze resocialisatie.

Betrokkene heeft bij mederapporteur wel motivatie getoond voor opname in een kliniek, bij ondergetekende gaf ze aan dit niet te willen. Haar motivatie is dus ambivalent en de kans dat betrokkene de hierboven beschreven intensieve behandeling niet volhoudt lijkt groot (ze is immers al lang gewend om op haar eigen manier met emoties om te gaan en zichzelf te handhaven). TBS met voorwaarden lijkt niet haalbaar hierdoor.

Geadviseerd wordt dan ook om de behandeling binnen een TBS maatregel met dwangverpleging te laten plaats vinden.”

Beide rapporteurs hebben hun advies ter terechtzitting toegelicht en benadrukt dat met oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging het meest geschikte behandelkader aan verdachte kan worden geboden.

De reclassering heeft in een adviesrapport van 19 februari 2021 gerapporteerd het daarmee eens te zijn.

De rechtbank neemt de adviezen over en maakt die tot de hare.

Motivering van de tbs-maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om een TBS-maatregel op te leggen (artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht en verder).

  • -

    Hiervoor is vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

  • -

    Verdachte wordt veroordeeld voor een feit waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op staat.

  • -

    Verder is gebleken dat er een groot gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten bestaat en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de verpleging van verdachte eist.

  • -

    Tenslotte is verdachte onderzocht door twee gedragsdeskundigen, een psycholoog en een psychiater.

De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte in 2014 geprobeerd heeft haar dochter [dochter] te verwurgen. Verdachte verkeerde destijds eveneens in een psychose. Ondanks dat verdachte sindsdien onder toezicht stond van hulpverleningsinstanties en er aandacht was voor de psychische problematiek bij verdachte, is verdachte in 2020 toch weer in een psychose terechtgekomen. Tijdens deze psychose heeft zij geen veilige omgeving voor haar kinderen kunnen bieden, is haar baby gestorven en heeft zij geprobeerd haar dochter zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat er alles aan gedaan moet worden om de huidige kinderen (en mogelijke toekomstige kinderen) van verdachte zo goed mogelijk te beschermen en verdachte moet daarvoor lang en intensief behandeld worden in een klinische setting.

De rechtbank zal daarom de tbs-maatregel opleggen en daarbij bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling kan worden aangemerkt als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht kan de tbs-maatregel daarom langer duren dan vier jaar.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De advocaat van de benadeelde partij [dochter] heeft ter terechtzitting namens haar cliënte € 5.000,00 gevorderd aan vergoeding van immateriële schade. Zij heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht en benadrukt dat de gevorderde immateriële schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde.

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij gebreke van betaling en verhaal vindt de officier van justitie het niet passend om gijzeling toe te passen.

8.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om het gevorderde bedrag aan schadevergoeding te matigen. Hij heeft betoogd dat het gevorderde bedrag te hoog is, omdat [dochter] alleen lichte krasverwondingen heeft opgelopen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van [dochter] nu zij lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Daarnaast is er sprake van een aantasting in de persoon “op andere wijze”, zodat [dochter] –op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek– recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Gelet op de aard en ernst van de normschending is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een nadere onderbouwing niet nodig is. De rechtbank heeft daarbij allereerst acht geslagen op hetgeen [dochter] heeft meegemaakt in de vier dagen dat zij opgesloten heeft gezeten in de woning met haar moeder in psychotische toestand. Daarnaast volgt uit de vordering van de benadeelde partij dat zij is aangemeld voor traumatherapie.

Op grond van de door de door haar gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 5.000,00. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan (17 augustus 2020).

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [dochter] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat zij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag van € 5.000,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan (17 augustus 2020).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde onder 1 en 3 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 augustus 2020) tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 5.000,00 (vijfduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 augustus 2020) tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en P.B. Spaargaren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2021.

1 Zie in dit vonnis onder ‘De strafbaarheid van verdachte’.