Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5671

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
13/075827-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van uitlokking van bedreiging en vernieling en voorts voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/075827-21 (Promis)

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kramer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M.C. Glismeijer naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. uitlokken van bedreiging van [slachtoffer] en/of anderen tussen 1 en 23 september 2020 in Amsterdam door op 23 september 2020 op haar auto te laten schieten. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplegen van bedreiging.

2. uitlokken van vernieling tussen 1 en 23 september 2020 in Amsterdam door op 23 september 2020 op de auto van [slachtoffer] te laten schieten. Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplegen van vernieling.

3. medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie en een patroonhouder met bijbehorende munitie op 30 maart 2021 in Amsterdam;

4: medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool tussen 22 en 23 september 2020 in Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

Verweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van het vuurwapenbezit op 23 september 2020 (feit 4), omdat verdachte bij vonnis van 25 november 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor het voorhanden hebben van hetzelfde vuurwapen. Ondanks dat geen sprake is van eenheid van tijd geldt dat sprake is van hetzelfde vuurwapen. Om die reden is sprake van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en leidt vervolging tot schending van het ne bis in idem beginsel (het beginsel dat niet twee maal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd).

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging, omdat geen sprake is van hetzelfde feit. Verdachte is weliswaar veroordeeld voor het voorhanden hebben van hetzelfde vuurwapen, maar op een andere datum.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van “hetzelfde feit” als bedoeld in artikel 68 Sr, omdat geen sprake is van eenheid van tijd en plaats. Het feit waar verdachte onherroepelijk voor is veroordeeld heeft zich voorgedaan in november 2020 in Weesp. Het feitencomplex van feit 4 van deze strafzaak ziet op het voorhanden hebben van hetzelfde vuurwapen in september 2020 in Amsterdam. Dat beide feiten zien op hetzelfde vuurwapen doet hier niet aan af. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vervolging ten aanzien van feit 4. Wel is artikel 63 Sr van toepassing.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de verklaring van verdachte en de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte opdracht heeft gegeven om op de auto met kenteken [nummer 1] te schieten, waardoor die auto ook is vernield. De officier van justitie meent dan ook dat de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten (uitlokking van bedreiging en vernieling) kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 is de officier verder van oordeel dat aangeefster [slachtoffer] is bedreigd, maar dat ook anderen zich bedreigd hebben kunnen voelen.

Ook de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten (medeplegen vuurwapenbezit op 20 maart 2021 en 23 september 2020) kunnen worden bewezen verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het (laten) bedreigen van aangeefster [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon 1] en zijn broertjes wilde terugpakken. Zij reden volgens verdachte regelmatig in de beschoten auto en hij is ervan uitgegaan dat de auto aan hen toebehoorde. Hij wist niet en had geen reden om te vermoeden dat de auto toebehoorde aan [slachtoffer] . Ook kan niet worden bewezen dat een onbekend gebleven persoon is bedreigd, omdat uit het dossier niet is gebleken dat andere personen op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging.

Ten aanzien van de bewezenverklaringen van de overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze zaak niet los kan worden gezien van de context waarin de feiten zijn gepleegd. De rechtbank zal daarom eerst kort de feiten en omstandigheden schetsen voordat zij overgaat tot bespreking van het bewijs.

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

De vader van verdachte, [persoon 2] , is samen met verdachte eigenaar van Slijterij [naam slijterij] . De oom van verdachte, [persoon 3] , is eigenaar van de avondwinkel [naam winkel] . Een andere oom van verdachte, [persoon 4] , was tot vijf jaar geleden mede-eigenaar van de avondwinkel. Zowel de slijterij als de avondwinkel zijn gevestigd aan de [adres 2] .

De slijterij is eerder in september 2019 meerdere malen beschoten. Op 5 september 2020 zijn er explosieven bij de avondwinkel afgegaan die een explosie hebben veroorzaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij de absolute overtuiging heeft dat de beschietingen zijn verricht en de explosie is veroorzaakt door of in opdracht van [persoon 1] en zijn broers. Een geldkwestie tussen [persoon 4] en [persoon 1] zou de oorzaak zijn van het conflict tussen de twee families. [persoon 4] is naar Turkije vertrokken en zijn familie wordt voor deze geldkwestie verantwoordelijk gehouden. De familie van verdachte heeft van de beschietingen op de avondwinkel en de slijterij geen aangifte gedaan, omdat zij bang waren voor sluiting van de zaken door de burgermeester.

4.3.2.

Ten aanzien van feit 1; uitlokking van bedreiging

Verdachte heeft bekend dat hij iemand heeft benaderd en heeft betaald om op de auto te schieten waarin hij de broers [familienaam] regelmatig zag rijden. Hiermee kan worden bewezen dat verdachte een ander heeft uitgelokt om op de auto te schieten. De vraag doet zich voor of dit handelen ook in juridische zin een bedreiging oplevert.

De rechtbank stelt voorop dat om tot een bewezenverklaring te komen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

In deze zaak was het opzet van verdachte gericht op het angst aanjagen bij [persoon 1] en zijn broertjes. Verdachte heeft verklaard dat zij regelmatig in de auto rijden en dat hij dacht dat de auto aan hen toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat met het beschieten van deze auto verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de auto aan iemand anders toebehoorde en dat daarmee de eigenaar - zijnde iemand anders dan [persoon 1] - zich bedreigd zou voelen. Verdachte heeft met andere woorden voorwaardelijk opzet gehad op de bedreiging van aangeefster [slachtoffer] .

De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat de broers van de aangeefster op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging, maar op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen wannéér zij op de hoogte zijn geraakt. De rechtbank vindt daarom niet bewezen dat ook anderen dan aangeefster op 23 september 2020 zijn bedreigd door het beschieten van de auto.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank vindt het schieten op een lege, geparkeerde auto onder de geschetste omstandigheden zeer intimiderend. Volgens vaste jurisprudentie moet die vrees naar objectieve maatstaven beoordeeld worden. Naar objectieve maatstaven heeft bij aangeefster in de context waaronder deze gedraging heeft plaatsgevonden de redelijke vrees kunnen ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat aangeefster heeft verklaard dat zij geen idee heeft waarom en door wie er op haar auto beschoten maakt de ontstane (objectieve) vrees niet anders.

De rechtbank kan niet vaststellen dat [persoon 5] samen met een ander op de auto heeft geschoten. De rechtbank zal dus bewijzen dat een onbekend persoon [slachtoffer] heeft bedreigd door op haar auto te schieten en dat verdachte dit feit heeft uitgelokt.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.

4.3.3.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten

De rechtbank acht de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.

Ten aanzien van feit 3 is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen. Dit is anders voor feit 4 waar op grond van het dossier kan worden geconcludeerd dat de schutter op 23 september 2020 gebruik heeft gemaakt van het bedoelde vuurwapen en daarmee beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zicht schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het voorhanden hebben van dat vuurwapen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat

1.

een tot op heden onbekend gebleven persoon op 23 september 2020 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling,

door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren naar de personenauto (merk Mercedes, kenteken [nummer 2] ) van voornoemde [slachtoffer]

welk feit verdachte omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 23 september 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, welke uitlokking hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

- een tot op heden onbekend gebleven persoon heeft benaderd en heeft verzocht voornoemde personenauto van [slachtoffer] te beschieten

- een tot op heden onbekend gebleven persoon heeft ingelicht over de locatie van voornoemde personenauto van [slachtoffer] en/of wat het kenteken van voornoemde personenauto was en

- een vuurwapen overhandigd aan een tot op heden onbekend gebleven persoon en

- een tot op heden onbekend gebleven persoon een geldbedrag van 1000 euro in het vooruitzicht gesteld en vervolgens betaald;

2.

een tot op heden onbekend gebleven persoon op 23 september 2020 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Mercedes, kenteken [nummer 2] , dat toebehoorde aan [slachtoffer] , heeft vernield door met een vuurwapen meerdere kogels af te vuren naar de personenauto, merk Mercedes, kenteken [nummer 2] , van voornoemde [slachtoffer] ,

welk feit verdachte omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 23 september 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, welke uitlokking hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

- een tot op heden onbekend gebleven persoon heeft benaderd en heeft verzocht voornoemde personenauto van [slachtoffer] te beschieten

- een tot op heden onbekend gebleven persoon heeft ingelicht over de locatie van voornoemde personenauto van [slachtoffer] en/of wat het kenteken van voornoemde personenauto was en

- een vuurwapen overhandigd aan een tot op heden onbekend gebleven persoon en

- een tot op heden onbekend gebleven persoon een geldbedrag van 1000 euro in het vooruitzicht gesteld en vervolgens betaald;

3.

hij op 30 maart 2021 te Amsterdam, op het adres [straatnaam 1] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk BBM, type 315auto, kaliber 6,35mm, met bijbehorende munitie, te weten meerdere patronen

en

op het adres [straatnaam 2] een onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder, zijnde een onderdeel dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een (alarm)pistool met bijbehorende munitie, te weten meerdere patronen, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 22 september 2020 tot en met 23 september 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk CZ, type P-10 S, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen

9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarnaast een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat ten aanzien van feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uitlokken van bedreiging van aangeefster en het uitlokken van het vernielen van haar auto. Hiermee heeft verdachte schade toegebracht aan aangeefster. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en een patroonhouder met bijbehorende munitie en het medeplegen van het voorhanden hebben van nog eens een ander vuurwapen. Met dit laatste vuurwapen zijn bovendien de bedreiging en de vernieling gepleegd. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee en kan tot zeer gevaarlijke situaties leiden. Tegen dergelijke feiten wordt daarom streng opgetreden. Bovendien heeft verdachte door het plegen van deze feiten gekozen om geweld te beantwoorden met geweld in plaats van naar de politie te gaan. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij voor eigenrichting heeft gekozen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 juni 2021. Hieruit blijkt dat verdachte op 25 november 2020 is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen. Dit vonnis is onherroepelijk. Dit betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 30 juni 2021. Hierin wordt geadviseerd om bij een veroordeling aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en ambulante behandeling.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door de ontstane ruzie tussen zijn familie en [persoon 1] erg wanhopig was en daarom de ten last gelegde feiten heeft gepleegd. Hij heeft spijt van zijn handelen en hij kijkt hierop terug met een misselijkmakend gevoel. Verdachte is inmiddels samen met zijn zus en zijn vriendin een eigen onderneming gestart in [plaatsnaam] . Hij wil in de toekomst zich verloven met zijn vriendin en in de toekomst buiten Amsterdam met haar gaan samenleven.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn keuze voor eigenrichting grote fouten heeft gemaakt en heeft bijgedragen aan een algemeen gevoel van onveiligheid door in de bebouwde kom iemand te laten schieten op een auto en aldus mee te gaan in een langer lopende geweldsspiraal. De keuzes die verdachte heeft gemaakt zijn echter ingegeven door een langlopend conflict en verdachte is zeer jong. De rechtbank leidt uit zijn verhaal af dat hij op een kruispunt in zijn leven staat. Het spreekt voor verdachte dat hij een leven probeert op te bouwen buiten Amsterdam waarmee hij de problemen van zijn familie probeert achter zich te laten. De rechtbank beoordeelt de vriendin van verdachte en hun gezamenlijke onderneming als beschermende factoren.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank vindt het niet noodzakelijk verdachte op dit moment terug te sturen naar de gevangenis. Dit zal de positieve wending die verdachte aan zijn leven heeft gegeven doorkruisen. Verdachte zal wel moeten voelen dat waar hij zich schuldig aan heeft gemaakt ernstig is. Daarom zal de rechtbank een taakstraf van 240 uren opleggen. Ook wordt hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, maar die zal gelijk zijn aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast vindt de rechtbank een flinke stok achter de deur noodzakelijk, zodat verdachte in de toekomst niet nog eens de fout in zal gaan. De rechtbank zal daarom een voorwaardelijke straf van 10 maanden aan verdachte opleggen met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft verzocht tot opheffing van de geschorste voorlopige hechtenis. Hiertoe zal de rechtbank echter niet beslissen. De goede weg die verdachte onlangs heeft ingezet is namelijk nog zeer precair en de rechtbank vindt het van belang dat verdachte, zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is, onder begeleiding van de reclassering blijft staan.

10 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. STK Huls (omschrijving: G5972778);

  2. 1 STK Huls (omschrijving: G5972782);

  3. 1 STK Huls (omschrijving: G5972783);

  4. 1 STK Huls (omschrijving: G5972785);

  5. 1 STK Huls (omschrijving: G5972786);

  6. 1 STK Manteldeel (omschrijving: G5972787);

  7. 1 STK Pistool (omschrijving: G6041546);

  8. 3 STK Munitie (omschrijving: G6041548);

  9. 1 STK Pistool in doos (omschrijving: G6041561);

  10. 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: 6041668)

  11. 1 STK Munitie (omschrijving: G6041554);

  12. 2 STK Munitie (omschrijving: G6041555);

  13. 2 DS Munitie (omschrijving: G6041556);

  14. 1 STK Patroonhouder (omschrijving: G6041567);

  15. 5 STK Munitie (omschrijving: G6041568);

  16. 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: G6041669);

  17. 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: G6041668);

  18. 1 STK Munitiezakje (omschrijving: G6044710).

Onttrekking aan het verkeer

Nu met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen geachte feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

11 Vorderingen van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 5.745,61 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feiten 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze worden op dit moment begroot op nihil.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen

  • -

    9, 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair:

eendaadse samenloop van opzettelijke uitlokking van bedreiging en vernieling door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen;

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 320 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, 300 dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Verdachte blijft zich melden op de afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die is gericht op het vergroten van zijn cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer of begeleider.

- Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen gericht op onder meer delictpreventie door een gedragsdeskundige van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

19. 1 1 STK Huls (omschrijving: G5972778, luger);

19. 1 1 STK Huls (omschrijving: G5972782, luger);

19. 1 1 STK Huls (omschrijving: G5972783, luger);

19. 1 1 STK Huls (omschrijving: G5972785, luger);

19. 1 1 STK Huls (omschrijving: G5972786, luger);

19. 1 1 STK Manteldeel (omschrijving: G5972787);

19. 1 1 STK Pistool (omschrijving: G6041546);

19. 1 3 STK Munitie (omschrijving: G6041548);

19. 1 1 STK Pistool in doos (omschrijving: G6041561);

19. 1 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: 6041668)

19. 1 1 STK Munitie (omschrijving: G6041554);

19. 1 2 STK Munitie (omschrijving: G6041555);

19. 1 2 DS Munitie (omschrijving: G6041556);

19. 1 1 STK Patroonhouder (omschrijving: G6041567);

19. 1 5 STK Munitie (omschrijving: G6041568);

19. 1 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: G6041669);

19. 1 1 STK Wapenkoffer (omschrijving: G6041668);

19. 1 1 STK Munitiezakje (omschrijving: G6044710).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.745,61 (vijfduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en eenenzestig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 23 september 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € € 5.745,61 (vijfduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en eenenzestig cent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en M. Vaandrager, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2021.