Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5540

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
14-10-2021
Zaaknummer
13/751664-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Polen, tussenuitspraak, aanhouding om antwoord op prejudiciële vraag af te wachten over Poolse rechtsstaat, verzoek tot stellen aanvullende prejudiciële vragen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751664-21

RK nummer: 21/3471

Datum uitspraak: 5 oktober 2021

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 oktober 2020 door the Circuit Court Warszawa-Praga in Warsaw (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres], [plaats],

thans gedetineerd in de [detentieplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 17 augustus 2021

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 augustus 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding – is bijgestaan door zijn raadsman,

mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

De rechtbank heeft de zaak aangehouden voor nader beraad in verband met door de Ierse Hoge Raad voorgenomen dan wel gestelde prejudiciële vragen over – kort samengevat - ogenschijnlijke gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen en de gevolgen daarvan voor de toelaatbaarheid van overleveringen aan Polen in algemene zin.

Raadkamer 17 september 2021

De rechtbank heeft in raadkamer op 17 september 2021 overwogen dat deze rechtbank bij uitspraken van 14 september 2021 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: het Hof (ECLI:NL:RBAMS:2021:5051 en ECLI:NL:RBAMS:2021:5052), en dat de beantwoording van (een deel van) deze vragen relevant is voor de vraag of de overlevering kan worden toegestaan, zodat de uitspraak ter zake zal moeten worden afgewacht. Om die reden is de beslistermijn op grond van artikel 22 lid 4 OLW verlengd met 60 dagen (onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie).

Zitting 21 september 2021

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 21 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,

mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon – aanwezig via een videoverbinding – is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement van Warszawa Praga-Poludnie in Warsaw van 20 maart 2019 (referentie: II K 813/13).

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaar, 10 maanden en 20 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde judgement.

Dit judgement betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Heropening van het onderzoek

4.1

Inleiding

Uit door de raadsman op de zitting van 17 augustus 2021 overgelegde stukken blijkt dat het judgement van 20 maart 2019 een vonnis in eerste aanleg is en dat daarna nog een arrest in beroep is gewezen op 23 april 2020 en een arrest in cassatie op 19 mei 2021. De arresten in beroep en cassatie dateren dus van na 14 februari 2020. Dat betekent dat de beantwoording van de door deze rechtbank bij uitspraak van 14 september 2021 gestelde prejudiciële vraag aan het Hof (ECLI:NL:RBAMS:2021:5052) van belang kan zijn voor de afdoening van deze zaak. Deze prejudiciële vraag luidt:

Welke toets moet een uitvoerende rechterlijke autoriteit die moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een EAB dat strekt tot uitvoering van een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel aanleggen bij een onderzoek of in de uitvaardigende lidstaat bij de berechting die tot de veroordeling heeft geleid het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld is geschonden, wanneer in die lidstaat geen doeltreffende voorziening in rechte openstond tegen een eventuele schending van dat recht?

4.2

Verzoek van de raadsman tot het stellen van aanvullende prejudiciële vragen

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon, indien hij in Polen zijn gevangenisstraf zou moeten uitzitten, in het kader van de executie van die straf met zekerheid aan rechterlijke procedures zou worden onderworpen. Daarbij heeft hij als voorbeeld genoemd dat de opgeëiste persoon na het uitzitten van 2/3 van zijn gevangenisstraf in vrijheid zou kunnen worden gesteld en dat een rechter hierover beslist. Een en ander heeft de raadsman ertoe gebracht de rechtbank te verzoeken de volgende aanvullende prejudiciële vragen te stellen:

- Levert de afwezigheid van een doeltreffende voorziening in rechte om de rechtsgeldigheid van de benoeming van rechters in Polen te betwisten in omstandigheden waarin het duidelijk is dat de opgeëiste persoon op dit moment niet kan vaststellen dat de gerechten die hem zullen berechten uit rechters zullen bestaan die niet rechtmatig zijn benoemd in een geschil over de executie van een reeds opgelegde onherroepelijke (gevangenis)straf, een herzieningsverzoek of een gratieverzoek, een schending van de kern van het recht op een eerlijk proces op, op grond waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit van overlevering van de opgeëiste persoon moet afzien?

- Welke toets moet een uitvoerende rechterlijke autoriteit die moet oordelen over de

tenuitvoerlegging van een EAB dat strekt tot uitvoering van een onherroepelijke

vrijheidsbenemende straf of maatregel aanleggen bij een onderzoek of in de uitvaardigende lidstaat bij de beslechting van met de executie van de vrijheidsbenemende straffen samenhangende geschillen en of verzoeken, waaronder verzoeken tot herziening van de veroordeling, verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling, strafonderbreking of gratie, het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld is geschonden, wanneer in die lidstaat geen doeltreffende voorziening in rechte openstaat tegen een eventuele schending van dat recht en de veroordeelde de facto dus niet de mogelijkheid zal krijgen om middels een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld zijn geschillen en of verzoeken zoals hiervoor genoemd te beslechten, mede gezien in het licht van de nog steeds actieve, althans niet ontbonden bijzondere tuchtkamer die is ingesteld om rechters te kunnen aanspreken op door hen genomen onwelgevallige beslissingen?

4.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het stellen van de door de raadsman voorgestelde prejudiciële vragen niet noodzakelijk is. Het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon heeft slechts betrekking op de executie van een eerder aan hem opgelegde vrijheidsstraf. In de beoordeling van dit verzoek hoeft de rechtbank niet eventueel in de toekomst te voeren procedures van de opgeëiste persoon te betrekken. De voorgestelde vraag valt, met andere woorden, buiten het bestek van deze procedure, aldus de officier van justitie.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het niet noodzakelijk is de door de raadsman voorgestelde aanvullende prejudiciële vragen aan het Hof ter beantwoording voor te leggen. Met de enkele gestelde mogelijkheid dat een Poolse rechter na de overlevering een beslissing zal nemen in het kader van de executie van de vrijheidsstraf kan de rechtbank geen rekening houden (vergelijk: Rb Amsterdam 14 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5094). Dat valt buiten het bereik van de toetsing door de overleveringsrechter.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot het stellen van aanvullende prejudiciële vragen dan ook af.

De rechtbank zal de zaak wel voor onbepaalde tijd aanhouden om de beantwoording van de door deze rechtbank reeds bij uitspraak van 14 september 2021 gestelde prejudiciële vraag aan het Hof, zoals hiervoor onder 4.1 weergegeven, af te wachten.

5 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de beantwoording van de door deze rechtbank bij uitspraken van 14 september 2021 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in Luxemburg (ECLI:NL:RBAMS:2021:5051 en ECLI:NL:RBAMS:2021:5052) af te wachten.

BEPAALT dat de zaak vóór 18 november 2021 – de datum waarop de verlengde beslistermijn verloopt – op zitting dan wel in raadkamer wordt aangebracht in verband met de eventuele nadere verlenging van de beslistermijn en vrijheidsbeneming (conform de artikelen 22 en 27 OLW);

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaat;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en C.W.M. Giesen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.