Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5449

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2021
Datum publicatie
08-11-2021
Zaaknummer
AMS - 19 _ 1795
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing studiefinanciering vreemdeling met verblijfsvergunning niet-tijdelijk humanitair. Geen gelijkstelling met Nederlander. Verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2021:1845. Geen gelijk geval. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/1795

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Amstelveen, eiser

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. B.C. Rots).

Procesverloop

Met de besluiten van 9 november 2018 en 28 november 2018 (de primaire besluiten) heeft de minister de aanvraag van eiser om studiefinanciering afgewezen.

Met het besluit van 12 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 mei 20211, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens geschorst in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep in de voor deze zaak relevante uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2019 (AMS 18/4720) 2 door de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

De CRvB heeft in de uitspraak van 21 juli 20213 de uitspraak van deze rechtbank bevestigd. Partijen hebben hierop gereageerd4, waarna de rechtbank met toestemming van partijen zonder nadere zitting het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser heeft de Amerikaanse nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, geldig tot 14 november 2022. Deze vergunning is een voortzetting van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘gezinshereniging, verblijf bij ouder’, namelijk bij zijn vader, die een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd heeft met als doel ‘arbeid in loondienst’. Eiser heeft studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een basisbeurs, aanvullende beurs, studentenreisvoorziening en lening.

  2. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft of burger van een lidstaat van de Europese Unie is. Zijn verblijfsvergunning geeft eiser geen recht op studiefinanciering. Eiser kan volgens de minister niet op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en sub a of sub e onder 1° van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf) met een Nederlander gelijkgesteld worden. Zijn vader verblijft immers in Nederland met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’.

  3. Eiser betwist dat hij geen recht heeft op studiefinanciering en voert aan dat hij in dit opzicht gelijk gesteld moet worden met een Nederlander. Eiser heeft namelijk een zelfstandige verblijfsvergunning die is gericht op een permanent verblijf in Nederland. Volgens eiser kan in de wetgeschiedenis geen rechtvaardiging worden gevonden voor het maken van onderscheid tussen houders van een verblijfsvergunning met de beperking ‘niet-tijdelijk humanitair’ volgend op een verblijfsvergunning ’tijdelijk humanitair’ (wel recht op studiefinanciering) en houders van een verblijfsvergunning met de beperking ‘niet-tijdelijk humanitair’ volgend op een verblijfsvergunning ‘gezinshereniging bij ouders’ met de beperking ‘arbeid in loondienst’ op het verblijfsdocument van de ouder (geen recht op studiefinanciering). Ook de beperking arbeid in loondienst dient immers een niet-tijdelijk verblijfsdoel. Eiser doet een beroep op de in het procesverloop genoemde uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2019, waarin de rechtbank oordeelde dat het maken van een dergelijk onderscheid in strijd is met artikel 14 EVRM en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
    Beoordeling door de rechtbank

  4. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

  5. De CRvB heeft in de uitspraak van 21 juli 2021 de uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2019 bevestigd. De CRvB oordeelde – kort gezegd – dat het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 2, van het Bsf bestaande onderscheid tussen vreemdelingen met een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ volgend op ‘medische behandeling’ en vreemdelingen met een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ volgend op ‘tijdelijk humanitair’ (slachtoffer van mensenhandel of geweld) ongerechtvaardigd is.5

6.1.

In geschil is of de minister eiser terecht niet heeft gelijkgesteld met een Nederlander voor wat betreft het recht op studiefinanciering.6 Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of er in de situatie van eiser, naar analogie van de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2021, ook sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid.

6.2.

De CRvB heeft in de uitspraak overwogen dat aan verdragspartijen bij het EVRM bij het toekennen van sociale voordelen, zoals studiefinanciering, in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij prioriteiten mogen worden gesteld.7 De CRvB achtte de argumenten van de minister, - kort gezegd - bijzondere en schrijnende situaties, waarbij waarschijnlijk een permanent verblijf in Nederland volgt en, evenals bij de asielstatus, een gebrek aan vrije keus in de verblijfsstatus, toereikend voor het maken van een onderscheid tussen de verschillende houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, waaronder houders van een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’. De CRvB heeft gewezen op het arrest Bah tegen het Verenigd Koninkrijk,8 waaruit kan worden afgeleid dat het keuze-element in de verblijfsstatus een rol kan spelen bij de vraag of onderscheid gemaakt mag worden. Personen met een verblijfsstatus die een vrije keuze is, en waarvan dus negatieve gevolgen vermijdbaar zijn, hoeven niet hetzelfde te worden behandeld als personen met een verblijfsstatus waaraan niet of in mindere mate een vrije keuze ten grondslag ligt, zoals in vluchtelingensituaties en andere (humanitair) schrijnende situaties.9

6.3.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de situatie in de uitspraak van de CRvB, maar zich leent voor een vergelijking met de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2021.10 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat ook hier niet op. Eisers verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met niet-tijdelijke humanitaire gronden houdt verband met het verblijf bij zijn vader. Zijn vader heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking ‘arbeid in loondienst’. Zoals de minister ook zegt, is dat een eigen keuze. Van een (humanitair) schrijnende situatie, die vergelijkbaar is met of dicht aanligt tegen de situatie van houders van een verblijfsvergunning asiel is niet gebleken.

6.4.

Eiser voert aan dat zijn verblijfsvergunning een sterk verblijfsrecht geeft, waarmee permanent verblijf in Nederland wordt beoogd, zoals wordt ondersteund door hetgeen is opgenomen in artikel 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser heeft vrijwel vanaf zijn geboorte in Nederland gewoond en heeft hier zijn opleiding genoten. Dit doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat eiser en zijn familie ervoor hebben gekozen om naar Nederland te komen om hier te werken. Dit is anders dan de schrijnendheid en het gebrek aan vrije keuze in de verblijfsstatus die de regelgever er, mede, toe gebracht heeft onderscheid te maken tussen verschillende houders van een verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’. Dat beide gevallen kunnen leiden tot permanent verblijf is onvoldoende om te concluderen dat het onderscheid ongerechtvaardigd is.

6.5.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onderscheid in de verblijfsstatus van eiser ten opzichte van die van personen met een verblijfsvergunning niet-tijdelijk humanitair volgend op tijdelijk humanitair in artikel 3 van het Bsf niet discriminatoir is. Dit onderscheid is immers bij wet voorzien, is noodzakelijk om het nagestreefde legitieme doel (het betaalbaar houden van het studiefinancieringsstelsel) te kunnen realiseren en er bestaat een redelijke verhouding tussen het maatschappelijk belang dat wordt gediend met de beperking en het recht dat daardoor wordt aangetast.

Conclusie

7. De minister heeft de aanvragen om studiefinanciering terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2021.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet studiefinanciering 2000

Artikel 2.2. Nationaliteit

1. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen die:

(…)

c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.

Besluit studiefinanciering 2000

Artikel 3. Nationaliteit: gehele gelijkstelling

1. Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:

a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000;

(…)

e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:

1° verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;

2° verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;

3° als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of

4° verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden.

Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000

In artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 is bepaald dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden kan worden verleend aan de vreemdeling, die:

a. vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking, genoemd onder 1°, of drie jaar in Nederland verblijft onder een beperking, genoemd onder 2° of 3°:

1°. verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht;

2°. medische behandeling, voor zover die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister gedurende ten minste nog één jaar in Nederland noodzakelijk zal zijn;

3°. tijdelijke humanitaire gronden.

1 De zitting vond plaats door middel van een videoverbinding (Skype)

2 ECLI:NL:RBAMS:2019:81.

3 ECLI:NL:CRVB:2021:1845.

4 Verweerder bij brief van 16 augustus 2021, eiser bij brief van 16 september 2021.

5 Omdat het in strijd is met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, en met artikel 14 van het EVRM in combinatie met artikel 2 van het Eerste Protocol.

6 Op grond van artikel 3 van het Besluit studiefinanciering Bsf.

7 EHRM 12 april 2006, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, 65731/01, 65900/01.

8 EHRM 27 september 2011, 56328/07.

9 De CRvB wijst ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2880.

10 ECLI:NL:RBAMS:2021:1154.