Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5445

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
13/081046-21 (A) en 13/209956-21 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man is veroordeeld tot tbs met dwangverpleging voor een poging tot doodslag op een andere man in maart dit jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/081046-21 (A) en 13/209956-21 (B)

Datum uitspraak: 28 september 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende op het [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2021.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, drs. mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Goedhart, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A, primair: poging tot doodslag van [slachtoffer] op 22 maart 2021

Zaak A, subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] op 22 maart 2021

Zaak A, meer subsidiair: mishandeling van [slachtoffer] op 22 maart 2021

Zaak B: bedreiging met enige misdrijf tegen het leven gericht/zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] op of omstreeks 16 maart 2021 en/of op of omstreeks 22 maart 2021

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A, primair (poging doodslag) en zaak B (bedreiging) tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Zaak A

De raadsman heeft primair verzocht om verdachte vrij te spreken van de in zaak A, primair, subsidiair en meer subsidiaire tenlastegelegde feiten vanwege gebrek aan bewijs. Hij heeft daartoe - kortweg - het volgende aangevoerd. De verklaringen van [slachtoffer] zijn onbetrouwbaar omdat die niet overeenkomen met de camerabeelden. De verklaring van de onbekend gebleven persoon kan op grond van artikel 344a Wetboek van Strafvordering niet worden gebruikt als bewijs. De raadsman heeft zijn verzoek, om deze persoon als getuige te horen, herhaald. Ook de waarneming van de verbalisant is onbetrouwbaar gebleken. Over de verbale bedreigingen heeft alleen [slachtoffer] verklaard en bovendien is er geen steunbewijs.

Over de poging doodslag heeft de raadsman naar voren gebracht dat het enkel met een naar voren gestrekte arm in de hand houden van een mes naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden beschouwd als te zijn gericht op het doden van een persoon. Zeker als de afstand tussen verdachte en slachtoffer dermate groot is dat het slachtoffer niet door het mes kan worden geraakt.

Beroep op noodweer

Voor de in zaak A, primair, subsidiair en meer subsidiaire tenlastegelegde feiten heeft de raadsman subsidiair bepleit dat verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft verklaard dat hij in het pand is aangevallen door [slachtoffer] en dat [slachtoffer] hem daarbij met een fietspomp op zijn hoofd heeft geslagen. Uit zelfverdediging heeft verdachte tijdens deze eerste aanval twee messen van de trap gepakt. De eerste aanval was daarmee afgewend en [slachtoffer] is naar buiten gegaan. Vervolgens is [slachtoffer] weer naar binnen gegaan en heeft hij de confrontatie weer opgezocht. Verdediging tegen deze tweede aanval was noodzakelijk omdat verdachte in de hal geen mogelijkheid had om te vluchten. De verdediging met een mes was proportioneel omdat vuisten niet volstaan als iemand met een fietspomp tegenover je staat. Aan alle vereisten van noodweer is voldaan. Het handelen van verdachte is niet strafbaar en hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beroep op noodweer exces

Voor de in zaak A, primair, subsidiair en meer subsidiaire tenlastegelegde feiten heeft de raadsman meer subsidiair bepleit dat verdachte een beroep op noodweer exces toekomt en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In het geval de rechtbank oordeelt dat de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding reeds zou zijn geëindigd, stelt de verdediging dat als gevolg van een hevige gemoedsbeweging verdachte meende zich nog steeds te moeten verdedigen.

Zaak B

De raadsman heeft primair verzocht om verdachte partieel vrij te spreken voor de tenlastgelegde verbale bedreigingen vanwege gebrek aan bewijs. Voor het overige dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Aan verdachte komt een beroep op noodweer toe en subsidiair een beroep op noodweer exces, zoals hiervoor zakelijk weergegeven.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt net als de officier van justitie de poging doodslag (zaak A, primair) en de bedreiging (zaak B) bewezen. De rechtbank overweegt over het bewijs het volgende.

Poging doodslag (zaak A, primair)

Verbalisant heeft [naam verbalisant] heeft op camerabeelden onder meer het volgende waargenomen:

“Ik zag dat [slachtoffer] vermoedelijk een mobiele telefoon vasthoudt en een nummer in typt en daarbij uit een woning komt en de openbare weg op loopt. Ik zag dat [slachtoffer] na enkele seconden vermoedelijk mobiel telefonerend de woning weer inloopt.

Ik zag dat [slachtoffer] na enkele seconden met versnelde pas achteruit de woning uitloopt.

Ik zag dat [slachtoffer] in zijn rechterhand vermoedelijk een mobiele telefoon tegen zijn

rechter oor houdt.

Ik zag dat [slachtoffer] in zijn linker hand een zogenaamde fietspomp vasthoudt. Ik zag dat dit een zogenaamde fietsvloerpomp was. Ik zag dat [verdachte] met versnelde pas achter [slachtoffer] aanliep. Ik zag dat [verdachte] hierbij zijn linkerarm strekte en in de richting van [slachtoffer] hield. Ik zag dat [verdachte] hierbij een langwerpig voorwerp in zijn linkerhand hield. Ik zag dat [slachtoffer] herhaaldelijk met de fietsvloerpomp richting het voorwerp sloeg dat [verdachte] in zijn linkerhand vasthield. Ik zag dat het [slachtoffer] lukte om dit voorwerp uit de linkerhand van [verdachte] te slaan. Ik zag dat dit voorwerp achter [verdachte] op het trottoir terecht kwam. Ik zag echter dat [verdachte] in dezelfde hand nog een voorwerp vasthield dat eveneens langwerpig en metaalkleurig was. Ik zag dat [verdachte] nog steeds met een gestrekte linker arm richting [slachtoffer] wees. Ik zag dat [slachtoffer] nog een keer met de fietspomp dit voorwerp ook uit zijn linkerhand probeerde te slaan, ik zag dat [verdachte] hierna de woning weer inliep”.

De rechtbank heeft ter zitting en in raadkamer de beelden bekeken die in voornoemd proces verbaal worden beschreven. Op de beelden is te zien, zoals ook uit het proces-verbaal van [naam verbalisant] valt af te leiden, dat verdachte met versnelde pas en gestrekte arm op aangever afloopt, in een voorwaartse beweging. In zijn linkerhand houdt hij daarbij een voorwerp, recht vooruit gericht, ter hoogte van de borstkas van aangever. Verdachte heeft hierover zelf verklaard, dat hij twee messen in zijn hand had. Met deze voorwaartse beweging komt verdachte heel dicht bij aangever. Dat die afstand heel klein was, blijkt ook uit het feit dat aangever er in geslaagd is met de fietspomp, die hij uit de hal van de woning heeft gepakt kort voordat verdachte naar buiten komt lopen, het mes uit de hand van verdachte te slaan. Hierna komt verdachte nogmaals, met een voorwerp in zijn hand, op aangever af, die wederom met de fietspomp het voorwerp uit de hand van aangever probeert te slaan.

De rechtbank is van oordeel dat deze bewegingen, die zij aanduidt als stekende bewegingen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden beschouwd als te zijn gericht op het doden van aangever. Zeker gelet op de korte afstand tussen aangever en verdachte, de voorwaartse beweging van verdachte en het feit dat verdachte richtte op de borstkast van aangever. In de borstkas bevinden zich vitale lichaamsdelen, waardoor de kans groot is dat hij dodelijk zou worden geraakt.

De rechtbank vindt de verklaring van aangever voldoende betrouwbaar om als bewijs te gebruiken. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij dacht dat verdachte wat in de woning ging pakken om hem wat aan te doen. Aangever heeft daarom snel een fietspomp gepakt die in de gemeenschappelijke hal stond en vervolgens is hij na een aantal seconden buiten gaan staan.

Dat aangever heeft verklaard dat er sprake zou kunnen zijn geweest van 15 stekende bewegingen gedurende meerdere minuten, wat niet overeenkomt met de feitelijke toedracht, valt te verklaren door het verschijnsel dat mensen die worden aangevallen zich concentreren op het wapen en geen goed besef van tijdsduur of precieze bewegingen hebben. De gedragingen van verdachte die essentieel zijn voor de bewezenverklaring sluiten aan bij de verklaringen van aangever en ook deels bij de verklaringen van verdachte en bij hetgeen op de camerabeelden is te zien. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaring van [slachtoffer] niet tot het bewijs kan worden gebezigd

Noodweer en noodweer exces

De verdachte heeft verklaard dat hij binnen in het pand door aangever is aangevallen met een schroevendraaier, een stanleymes en een fietspomp. Ter zelfverdediging heeft verdachte twee messen van de trap gepakt, waarmee hij de eerste aanval van [slachtoffer] heeft afgewend en waarna [slachtoffer] naar buiten zou zijn gegaan. Dit scenario wordt niet ondersteund door feiten en omstandigheden uit het dossier en is niet aannemelijk geworden. Uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] met een hand mobiel bellend het pand is ingegaan en vervolgens na enkele seconden weer naar buiten komt met nog steeds de telefoon in zijn hand en in de andere hand een fietspomp. Deze beelden zijn niet te rijmen met de stelling van verdachte, dat [slachtoffer] ook een schroevendraaier en een stanleymes zou hebben gebruikt om verdachte aan te vallen. Ook verder valt uit het dossier niet af te leiden, dat aangever een schroevendraaier en een stanleymes bij zich had. Bovendien lijkt het te gaan om enkele seconden dat [slachtoffer] binnen was en ook dat past niet bij de door verdachte afgelegde verklaring. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte de agressor was. Aangever staat met lege handen buiten te bellen, pakt uit de hal snel een fietspomp en vervolgens komt verdachte naar buiten en met messen op hem af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. Aan verdachte komt daarom geen beroep op noodweer toe. Dit betekent dat er ook geen grondslag is voor een beroep op noodweer exces. De rechtbank verwerpt het subsidiaire en meer subsidiaire verweer.

Bedreiging (zaak B)

Zoals hiervoor overwogen vindt de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar. Zijn verklaringen over de verbale uitingen van verdachte vinden voldoende steun in het dossier. Ook ten aanzien van de bedreiging komt aan verdachte geen beroep toe op noodweer, dan wel een beroep op noodweer exces toe, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De rechtbank verwerpt de verweren.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:

Zaak A

hij op 22 maart 2021 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet,

- met twee messen in iedere hand één mes naar die [slachtoffer] is toegelopen en

- met voornoemde messen stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “ik ga je doodmaken” terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Zaak B

hij op 16 maart 2021 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

- door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je moeder dood, er gaat bloed vloeien, kanker Libanees" en

op 22 maart 2021 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

- door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen “motherfucker wat doe je hier, ik ga je dood maken” en met twee messen in zijn hand op die [slachtoffer] af te lopen

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwijst naar hetgeen daarover in het voorgaande bij de bespreking van het noodweer verweer is opgemerkt.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het advies van de deskundigen

De deskundigen E. Kuiper, psychiater, en E. Stam, GZ-psycholoog, hebben verdachte onderzocht. Naar aanleiding daarvan hebben beide deskundigen een rapport uitgebracht.

Samenvattend komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis en een verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen volledig.

Verdachte had door zijn verstandelijke beperking en paranoïde wanen last van onrust, chaotische gedachten en angst en raakte er steeds meer van overtuigd dat er een complot tegen hem werd gesmeed door medewerkers en bewoners van [naam complex] . Omdat hij hier dagelijks mee werd geconfronteerd en vanuit zijn stoornissen niet in staat was de wereld om hem heen te begrijpen of juiste actie te ondernemen, namen de paranoïde gedachten alleen maar toe. De cognitieve beperkingen en de psychotische problematiek maakten hem bovendien kwetsbaar voor stoornissen in het reguleren van angst, stemming en realiteitszin.

Verdachte ontkent dat hij aangever heeft aangevallen of bedreigd, waardoor de precieze doorwerking van de stoornissen in de ten laste gelegde feiten niet kon worden besproken met verdachte. Desondanks adviseren de deskundigen om hem het ten laste gelegde niet toe te rekenen, vanwege het chronische karakter en de ernst van de psychotische problematiek in combinatie met de verstandelijke beperking. Verdachte handelde volledig vanuit een gestoorde realiteitsbeleving.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt het ten laste gelegde, in overeenstemming met de over hem uitgebrachte rapporten, niet aan verdachte toe te rekenen. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de (on)toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

6.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt deze over. De rechtbank is op grond van de rapporten van oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd als gevolg van zijn verstandelijke beperking en zijn paranoïde waan zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Terbeschikkingstelling

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: Tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij van oordeel is dat het misdrijf gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet beperkt dient te worden tot de duur van 4 jaar.

7.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen gronden zijn voor het opleggen van een Tbs-maatregel. Er is onder meer niet voldaan aan het gevaarscriterium van artikel 37a Wetboek van Strafrecht. Door de psychiater wordt het recidiverisico op matig geschat omdat de wanen en de woede van verdachte gericht zijn op [naam complex] en hij daar niet meer zal terugkeren.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer] door met twee messen op korte afstand stekende bewegingen te maken richting de borstkast van [slachtoffer] . Verder heeft hij [slachtoffer] tot twee keer toe bedreigd met enige misdrijf tegen het leven gericht. Het moet voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest, met name de manier waarop verdachte met messen op hem af is gekomen. Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer en de betrokkenen van [naam complex] .

De persoon van verdachte

Zoals hiervoor onder 6 overwogen blijkt uit de rapporten van de deskundigen dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis en een verstandelijke beperking. Dit zijn ernstige stoornissen die moeilijk te behandelen zijn. Het is volgens de psychiater niet zeker dat anti-psychotische medicatie zal helpen tegen de paranoïde wanen omdat de wanen mogelijk meer structureel verankerd zijn.

De stoornissen waren aanwezig ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en liggen daaraan ten grondslag. Over het risico op recidive rapporteert de psycholoog – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Al met al lijkt zijn psychotische toestandsbeeld verantwoordelijk op dit moment voor veel factoren waardoor de kans op hernieuwd delict gedrag groot aanwezig is. Hierbij zal op dit moment alles wat hij associeert met [naam complex] een slachtofferrisico met zich meebrengen. Het is niet waarschijnlijk dat zijn agressie naar willekeurige anderen zal verplaatsen, maar doordat hij psychotisch is, betrekt hij wel snel anderen in zijn waan en plaatst hij die in het ‘ [naam complex] -kamp’. Vanuit zijn verstandelijke beperking is in de toekomst de kans groot dat er andere waandenkbeelden of uitbreiding van de huidige wanen ontstaan onder invloed van stress. Het risico op soortgelijk gedrag als in het ten laste gelegde wordt op korte termijn groot geacht.

Ter zitting heeft de psycholoog hierover aanvullende verklaard dat zodra het moeilijk wordt voor verdachte doordat bijvoorbeeld kritische vragen aan hem worden gesteld, zijn waan zich dan snel uitbreidt naar andere mensen, ook personen die niet betrokken zijn bij [naam complex] .

De psychiater rapporteert over het risico op recidive onder meer het volgende:

Er is bij betrokkene sprake van een matig risico op herhaling van een soortgelijk delict aangezien betrokkene niet zal terugkeren naar [naam complex] en daar op dit moment de wanen, angst en woede op gericht zijn. Wel is het zo dat betrokkene vanuit zijn verstandelijke beperking en psychotische kwetsbaarheid opnieuw dergelijke complotwanen zou kunnen ontwikkelen en dan vanuit zijn gebrekkige coping, agressie- en impulsregulatie en frustratietolerantie opnieuw tot soortgelijke feiten kan komen.

Dat verdachte zijn wanen kan verplaatsen naar anderen dan betrokkenen van [naam complex] wordt onder meer onderstreept door de conclusie in het reclasseringsrapport van 23 maart 2021, opgemaakt door J. Versteeg, reclasseringswerker. Hierin staat vermeld dat tijdens het gesprek met de reclasseringswerker verdachte ineens wat achterdochtig werd en meermalen vroeg of de reclasseringswerker bij [naam complex] werkzaam was.

Beide deskundigen adviseren een klinische opname. Verder blijkt uit de rapportages van de deskundigen dat verdachte geen ziektebesef of ziekteinzicht heeft. Verdachte is in gesprek met een GGZ behandelaar, maar hij weigert medicatie te nemen en hij wil niet klinisch behandeld worden. De rechtbank overweegt dat de laagdrempelige zorg die hij tot nu toe heeft geaccepteerd onvoldoende is gebleken om geweld of bedreiging met geweld te voorkomen. Zij acht het noodzakelijk voor de beveiliging van anderen dat verdachte een passende behandeling zal krijgen waarbij de veiligheid voor anderen voldoende gewaarborgd wordt en er veel aandacht is voor risicomanagement en recidivebeperking. Een behandeling in een forensische psychiatrische afdeling of kliniek is onvoldoende om bedoeld beveiligingsniveau en risicomanagement te realiseren.

Tbs-maatregel

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelasten.

De rechtbank overweegt dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van de terbeschikkingstelling, te weten: bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op het gepleegde misdrijf in zaak A (poging doodslag) is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en het gepleegde misdrijf in zaak B (bedreiging) behoort tot een van de misdrijven omschreven in artikel 285. En tot slot eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die maatregel.

De rechtbank overweegt voorts dat de terbeschikkingstelling niet in duur is beperkt, nu deze onder meer wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot doodslag.

Voor een Tbs-maatregel met voorwaarden komt verdachte niet in aanmerking vanwege zijn gebrek aan ziekte inzicht en omdat hij niet mee wil werken. Met een opname en verblijf in het kader van de Wet Zorg en Dwang zal er naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aandacht zijn voor het beperken van de recidive en daarmee zijn er onvoldoende waarborgen voor de veiligheid van anderen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 2050,70 aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij vrijspraak heeft bepleit van het in zaak A tenlastegelegde. In zaak B is er geen sprake van rechtstreekse schade omdat de benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens lichamelijke klachten en die kunnen niet door de bedreiging zijn veroorzaakt. Subsidiair moet de vordering worden afgewezen omdat de gevorderde kostenposten niet geloofwaardig zijn en onvoldoende onderbouwd. Meer subsidiair moet de vordering worden afgewezen omdat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Materiële schade

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor zover het betreft het bedrag van € 300,- aan brandstofkosten afwijzen en de benadeelde partij in zijn vordering ten aanzien van het bedrag van € 611,57 aan verlies van verdienvermogen op 24 en 25 juni niet-ontvankelijk verklaren. Aangezien de benadeelde partij op 22 maart 2021 tot en met 27 maart 2021 niet heeft kunnen werken heeft hij ook geen brandstofkosten gemaakt. Het bedrag aan verlies van verdienvermogen op 24 en 25 juni 2021 wordt niet toegewezen omdat met het getuigenverhoor de benadeelde partij aan zijn wettelijke plicht heeft voldaan. Van rechtstreeks verband met het bewezen feit is derhalve geen sprake. De rechtbank zal een bedrag aan verlies van verdienvermogen toewijzen van € 1.136,- (schade bruto € 2.100,- minus 14% MKB-winstvrijstelling, minus 37,10% inkomstenbelasting).

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A primair bewezen-verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en onder verwijzing naar en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank naar billijkheid de schadevergoeding op € 750,-.

De rechtbank zal het bedrag aan materiële schade van € 1.136, - en het bedrag aan immateriële schade van € 750,- vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de bewezenverklaarde poging tot doodslag heeft plaatsgevonden, te weten vanaf 22 maart 2021.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.886,-.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38d, 45, 55, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Wijst af het verzoek tot het horen van een onbekend gebleven getuige

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het in zaak A en zaak B bewezen verklaarde voor wat betreft 22 maart 2021 levert op:

eendaadse samenloop van

poging tot doodslag

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en het in zaak B bewezen verklaarde voor wat betreft 16 maart 2021 levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.886,- (duizend achthonderd zesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voormeld bedrag bestaat voor € 1.136,- uit materiële schade (gederfde inkomsten) en € 750,- uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het bedrag van € 300,- ( brandstofkosten).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.886,- (duizend achthonderd zesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 28 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en B.G.L. van der Aa, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2021.