Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5086

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
AMS 19/1447
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing schadevergoedingsverzoek. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het besluit om de toestemming aan zijn ex-werkgever om verzoeker beveiligingswerkzaamheden laten verrichten in te trekken (het intrekkingsbesluit). De toestemming is ingetrokken vanwege een incident in een dansclub waarbij verzoeker in zijn hoedanigheid van portier betrokken was. Verweerder heeft in zijn beslissing op bezwaar het intrekkingsbesluit ingetrokken en een daaropvolgend verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig is genomen. Het intrekkingsbesluit berust niet op een onjuiste uitleg van de wet. Gelet op de zelfstandige waarde van de bestuurlijke beoordelingsruimte van verweerder ziet de rechtbank geen reden om het intrekkingsbesluit onrechtmatig te achten omdat de behandeling van verzoekers strafzaak niet is afgewacht. Ook in de redenen voor intrekking zoals genoemd in de beslissing op bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding om het intrekkingsbesluit onrechtmatig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/1447


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. W.H. Boomstra),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P. Ceulen).

Procesverloop

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij stelt te lijden, tot een bedrag van € 25.000,-.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure is voorafgegaan

1. Verweerder heeft op 28 april 2015 Aardige Portiers B.V. (de werkgever) toestemming verleend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) om verzoeker beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Daaraan voorafgaand was verzoeker ook al enige jaren in dienst van de werkgever. Als beveiliger in dienst van zijn werkgever stond verzoeker in de nacht van [datum] 2017 bij de [dansclub] op het Leidseplein in Amsterdam. Die nacht heeft zich in de dansclub een incident voorgedaan, waarbij verzoeker vanuit zijn hoedanigheid als portier betrokken was.

2. Op [datum] 2017 heeft de betreffende clubbezoeker aangifte gedaan bij de politie jegens verzoeker. Naar aanleiding daarvan is een proces-verbaal opgemaakt tegen verzoeker, waarbij hij als verdachte van mishandeling is aangemerkt, gepleegd op
2017. Op 19 april 2017 is de politie een onderzoek gestart naar de camerabeelden van de club, dat is vastgelegd in een proces-verbaal. Op 12 juli 2017 is verzoeker gehoord als verdachte.

3. Met een brief van 2 augustus 2017 heeft verweerder verzoeker zijn voornemen kenbaar gemaakt om de hem verleende toestemming op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr in te trekken. Op 23 augustus 2017 heeft verzoeker zijn zienswijze in een persoonlijk gesprek met verweerder geuit.

4. Met het besluit van 27 september 2017 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de ten behoeve van verzoeker verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten, ingetrokken.

5. Tegen dit intrekkingsbesluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en op 11 januari 2018 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Op 30 januari 2018 is verzoeker gedagvaard om te verschijnen op de politierechterzitting van 14 maart 2018. Bij mondelinge uitspraak heeft de politierechter verzoeker vrijgesproken van mishandeling.

6. Met het besluit van 30 maart 2018 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het intrekkingsbesluit gegrond verklaard en dat besluit ingetrokken. Verweerder heeft daarbij - kort samengevat - overwogen dat het door verzoeker op [datum] 2017 aangewende geweld noodzakelijk was om escalatie van de situatie te voorkomen. Verzoeker is met zijn handelwijze dus niet buiten de grenzen van het redelijke gegaan. Verweerder heeft daarbij ook in overweging genomen dat verzoeker reeds een lange periode als portier werkzaam is in de beveiligingsbranche en geen problemen heeft gehad in de afgelopen acht jaar voorafgaand aan de beslissing op bezwaar. Hij is daarbij door politieambtenaren die in het kader van zijn werkzaamheden als portier met hem te maken hebben gehad, omschreven als een evenwichtig en rustig persoon waarmee zij een goede samenwerking hebben. Verweerder weegt ten slotte mee dat verzoeker in de strafzaak is vrijgesproken.

De voorliggende procedure

7. Verzoeker heeft met een brief van 27 augustus 2018 verweerder verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het besluit van
27 september 2017, waarbij de toestemming zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr is ingetrokken. Verzoeker heeft betaling van een schadebedrag van € 24.144,48 gevorderd.

8. Met een e-mail van 28 december 2018 heeft verweerder het schriftelijke verzoek van verzoeker om vergoeding van schade afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat het intrekkingsbesluit met de beslissing op bezwaar is ingetrokken wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Het besluit is ingetrokken, omdat bij de ex-nunc toetsing in bezwaar sprake was van nieuw naar voren gekomen feiten en omstandigheden, op grond waarvan verzoeker het voordeel van twijfel kon worden gegeven, aldus verweerder.

Het verzoek

9. De rechtbank wordt verzocht om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van
€ 25.000,- aan door verzoeker geleden schade. Verzoeker stelt zich daarbij op het standpunt dat verweerder met het intrekkingsbesluit een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens hem heeft gepleegd. Verweerder heeft dat besluit namelijk genomen op grond van een onjuiste uitleg van de wet. Verweerder had, op grond van zijn discretionaire bevoegdheid tot een ander besluit kunnen en moeten komen. Verweerder had volgens verzoeker de uitspraak van de politierechter moeten afwachten alvorens een besluit te nemen. Verzoeker stelt dat de feiten die aan de beslissing op bezwaar ten grondslag zijn gelegd reeds bekend waren, dan wel bekend hadden kunnen zijn, ten tijde van het nemen van het intrekkingsbesluit. Hij betwist verweerders stelling dat hij pas in bezwaar een beroep op noodweer heeft gedaan.

Het juridisch kader

10. Het juridisch kader is opgenomen in een bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

11. Bij de beantwoording van de vraag of een bestuursorgaan wegens onrechtmatig handelen schadevergoedingsplichtig is, dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht.1 Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is vereist dat een daad van het bestuursorgaan te kwalificeren is als onrechtmatig en dat deze het bestuursorgaan is toe te rekenen. Voorts moet er sprake zijn van schade, moet de geschonden norm ertoe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste) en moet er voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade (causaliteitsvereiste).

12. Als een bestuursorgaan een besluit intrekt of herroept onder mededeling dat dit geschiedt omdat het besluit onjuist is, of anderszins erkent dat een besluit onrechtmatig is, komt aan het ingetrokken of herroepen besluit geen formele rechtskracht toe en behoort de burgerlijke rechter de onjuistheid van het besluit tot uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van een vordering die is gegrond op een onrechtmatige daad van het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit. Indien een zodanige mededeling of erkenning niet is gedaan, hangt het af van de redenen voor intrekking of herroeping en de omstandigheden waaronder het betreffende besluit tot stand is gekomen, of dat besluit onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW en, zo ja, of de onrechtmatige daad aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, met dien verstande dat de onrechtmatigheid is gegeven indien het ingetrokken of herroepen besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet.2

Het oordeel van de rechtbank

Is het intrekkingsbesluit onrechtmatig?

13. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de beslissing op bezwaar geen mededeling is gedaan noch is erkend dat het intrekkingsbesluit onjuist of onrechtmatig was. De vraag of het intrekkingsbesluit onrechtmatig is hangt aldus af van de redenen voor de intrekking van het besluit en de omstandigheden waaronder dit besluit tot stand is gekomen. Daarbij is de vraag van belang of het intrekkingsbesluit berust op een onjuiste uitleg van de wet.

14. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat het intrekkingsbesluit berust op een onjuiste uitleg van de wet. Volgens verzoeker had verweerder gelet op zijn discretionaire bevoegdheid zoals omschreven in artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr tot een ander besluit kunnen en moeten komen en kunnen en moeten afzien van het intrekken van de toestemming. Verzoeker vindt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om een afwijkend besluit te nemen dan wel dat verweerder zijn zwaarwegende omstandigheden onvoldoende heeft laten meewegen in zijn besluit. Als verweerder dit wel had gedaan en hij voorlopig geen of een ander besluit had genomen, zouden de gevolgen voor verzoeker beperkt zijn gebleven. Door dit na te laten heeft verweerder in strijd met de wet gehandeld en daaraan een onjuiste uitleg gegeven; daarmee is de onrechtmatigheid van het besluit gegeven. Verzoeker verwijst in het bijzonder naar de hardheidsclausule zoals opgenomen in paragraaf 2.3 onder c en 2.3.1. van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (Bpbr).

15. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft om de verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten in te trekken wanneer een beveiliger niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Naar vaste rechtspraak3 mag verweerder bij zijn beoordeling of over de benodigde bekwaambaarheid en betrouwbaarheid wordt beschikt als maatstaf toepassen dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dienen te zijn.
De rechtbank stelt vast dat verweerder verzoekers toestemming in de zin van artikel 7 Wpbr heeft ingetrokken, omdat hij zich wegens het incident op [datum] 2017 onvoldoende betrouwbaar heeft getoond. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker op dat moment werd verdacht van mishandeling en een serieuze verdenking tegen hem bestond. Volgens verweerder waren er gelet op de aangifte tegen verzoeker wegens mishandeling op [datum] 2017 aanwijzingen dat verzoeker zich in bepaalde situaties niet in de hand kon houden en er dan voor kiest om geweld te gebruiken, terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij deze situatie op een andere manier zou oplossen. Verweerder heeft in het intrekkingsbesluit het algemeen belang dat gemoeid gaat met de kwaliteitsborging van de beveiligingszorg afgewogen tegen de individuele belangen van verzoeker om middels beveiligingswerkzaamheden inkomen te vergaren en zijn werkplezier. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat bij zijn besluitvorming zijn betrokken het uittreksel juridische documentatie, de beschikbare beelden van het incident (zonder geluid) en de processen-verbaal van aangifte, verzoekers verhoor en het getuigenverhoor.

16. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het intrekkingsbesluit niet berust op een onjuiste uitleg van de wet. Verweerder heeft in dat besluit toepassing gegeven aan artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr en paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Bpbr. Daarbij heeft verweerder betrokken het gehele dossier zoals op dat moment bekend, met inbegrip van de beschikbare videobeelden van het incident. Niet is gebleken dat verweerder daarbij het wettelijk kader en de jurisprudentie onjuist heeft uitgelegd. Dat verweerder bij de belangenafweging tot een andere conclusie had kunnen komen en uit de wet voor verweerder niet een plicht volgt om de toestemming bij ontbreken van de vereiste betrouwbaarheid in te trekken, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder in het intrekkingsbesluit de wet onjuist heeft uitgelegd. Verweerder beschikt nu juist over een discretionaire bevoegdheid om naar eigen inzicht de betrokken belangen af te wegen. De rechtbank vindt het intrekkingsbesluit dan ook niet onrechtmatig vanwege een onjuiste uitleg van de wet. Daarbij vindt de hardheidsclausule zoals opgenomen in paragraaf 2.3.1 van de Bpbr in dit geval geen toepassing, nu op grond daarvan kan worden afgeweken in het geval sprake is van een intrekking van de toestemming in de gevallen als genoemd onder a of b van paragraaf 2.3 van de Bpbr. In dit geval betrof het paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Bpbr.

17.
Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat het besluit onrechtmatig is gezien de redenen voor de intrekking en de omstandigheden waaronder het intrekkingsbesluit tot stand is gekomen. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het besluit tot stand is gekomen voert verzoeker aan dat aan het intrekkingsbesluit ten grondslag is gelegd dat een verdenking bestond van een strafbaar feit op basis van het proces-verbaal van aangifte en dat hij een klap heeft gegeven aan een bezoeker van de club. De intrekking was dus niet gebaseerd op een strafrechtelijke vervolging, zoals wordt gesteld door verweerder. Verzoeker had nog geen dagvaarding ontvangen. Verweerder had de antecedenten van verzoeker niet aan het intrekkingsbesluit ten grondslag mogen leggen. Verzoeker vindt de omstandigheden genoemd in het intrekkingsbesluit niet alleen zeer summier, maar deze hangen ook zodanig samen met een eventuele strafrechtelijke rechtsgang dat het volgens verzoeker op de weg van verweerder had moeten liggen om zijn besluit uit te stellen. Deze omstandigheden kunnen volgens verzoeker onvoldoende aanleiding vormen voor het intrekkingsbesluit, nu daarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder verzoeker het geweld heeft toegepast.

18.
De rechtbank stelt voorop dat de bestuurlijke beoordelingsruimte van verweerder een eigen zelfstandige waarde kent ten opzichte van de beoordelingsruimte van de strafrechter. Verweerder beschikt over een eigen bestuurlijke bevoegdheid om de geschiktheid ten aanzien van betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingspersoneel te beoordelen en is daarbij niet zonder meer gehouden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie of de strafrechter.4 Gelet op paragraaf 2.3 onder c van de Bpbr en de toelichting daarop, kan ook op grond van andere niet uit veroordelingen of transacties gebleken bekende feiten, zoals opgemaakte processen-verbaal, worden aangenomen dat een beveiliger onvoldoende betrouwbaar is. Deze conclusie hoeft daarom niet gebaseerd te zijn op een strafrechtelijke vervolging. Hieruit volgt dat verweerder bij zijn beoordeling ten aanzien van de betrouwbaarheid van beveiligingspersoneel ook niet het oordeel van de strafrechter hoeft af te wachten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat wanneer sprake is van een serieuze verdenking tegen een beveiliger zelden de strafrechtelijke procedure wordt afgewacht. Daar is in dit geval ook niet voor gekozen, omdat niet duidelijk was wanneer de strafzaak op een zitting behandeld zou worden. De rechtbank vindt dat in dit geval niet onredelijk gezien de belangen die de Wpbr beschermt, namelijk dat in de beveiligingsbranche slechts betrouwbaar personeel te werk wordt gesteld en een betrouwbare veiligheidszorg en een goede naam van de beveiligingsbranche. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het intrekkingsbesluit onrechtmatig te achten omdat de behandeling van verzoekers strafzaak niet is afgewacht. Noch volgt de rechtbank het standpunt van eiser dat het intrekkingsbesluit berust op summiere feiten, omdat verweerder heeft verklaard alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden bij het nemen van het besluit te hebben betrokken.

19. Ten aanzien van de redenen voor intrekking zoals genoemd in de beslissing op bezwaar voert verzoeker aan dat de feiten die aan dat besluit ten grondslag liggen reeds bekend waren op het moment van het intrekkingsbesluit. Verzoeker betwist dat gedurende de bezwaarfase nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zouden zijn gekomen. Ook betwist hij dat hij eerst in bezwaar een beroep op noodweer heeft gedaan. Verzoeker meent dat een noodweersituatie al af te leiden valt uit zijn zienswijze van 23 augustus 2017 en ook in het intrekkingsbesluit tot uiting komt. Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat hij in de hoorzitting in het kader van zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat de aangever een slaande beweging in zijn richting maakte en tot twee keer toe zijn keel dan wel kraag probeerde te pakken, en dat verzoeker pas bij de derde poging om zijn keel te pakken een keer heeft geslagen ter afwending van de dreiging van het gevaar. Ook heeft hij aangegeven dat hij gedurende het incident via zijn portofoon informatie over de verwonding van het slachtoffer en de dreiging binnen kreeg, waardoor de dreiging voor verzoeker toenam, te meer nu de aangever aangaf aan zelfverdedigingsport te hebben gedaan.
20. Ter zitting heeft verweerder toegelicht hoe in bezwaar een ander beeld van het incident is ontstaan. Zo zijn tijdens de hoorzitting in bezwaar de beelden van het incident opnieuw bekeken, dit maal met geluid en met commentaar van verzoeker, waardoor het beeld is ontstaan dat sprake was van noodweer. Ook heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de vrijspraak van de strafrechter aanleiding was om verzoeker het voordeel van de twijfel te geven en het bezwaar gegrond te verklaren. Voor zover verzoeker aanvoert dat zijn beroep op noodweer al voor het intrekkingsbesluit voor verweerder kenbaar moest zijn geweest, heeft verweerder dit gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet, gelet op de stukken en de toelichting van verweerder, geen aanleiding voor het oordeel dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is, dan wel dat verweerder daarmee onrechtmatig jegens verzoeker heeft gehandeld.


Conclusie

21.
Nu de rechtbank concludeert dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en verweerder middels het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig jegens verzoeker heeft gehandeld, komt de rechtbank niet toe aan een verdere beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr.
N. Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage: juridisch kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:88

De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.

Artikel 8:90

1. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.

2. Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Burgerlijk Wetboek (BW)


Artikel 6:100 BW

1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Artikel 6:106 BW

1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: (…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (…).

Artikel 6:162 BW

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2 Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3 Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Artikel 6:163 BW

Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

De Wpbr

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, voor zover in deze zaak van belang, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.

Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr wordt de toestemming onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr kan de toestemming worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Bij de beoordeling of een persoon beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten werk komt verweerder beoordelingsruimte toe die door hem is ingevuld met de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (Bpbr).

Het Bpbr

Paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Bpbr bepaalt dat de toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Ad. c

Van het bepaalde onder c zal sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is, kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

In paragraaf 2.3.1. van de Bpbr is een hardheidsclausule opgenomen. Deze houdt in dat verweerder van het hiervoor bepaalde onder a en b kan afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

1 Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ8751) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7572) en 6 december 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:3347).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705. Vgl. ook de uitspraak van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2086.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3654.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2447.