Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:5003

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
13/134699-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 40-jarige man is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf waarvan 69 dagen voorwaardelijk omdat hij op 22 mei 2021 brandstichtte in zijn woning en een politieauto vernielde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/134699-21

Datum uitspraak: 10 september 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Hara en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.E. Brink, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 22 mei 2021 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1

het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Feit 2

het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken en/of wegmaken van een politieauto;

Feit 3, primair

een poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen.

Feit 3, subsidiair

bedreiging van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of een of meer andere personen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan. Voor feit 3 primair heeft zij vrijspraak gevraagd.

3.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, feit 3 primair en subsidiair. Over feit 2 heeft verdachte erkend dat hij vernielingen aan een politievoertuig heeft toegebracht.

Over de brandstichting (feit 1) heeft de raadsman naar voren gebracht dat vast staat dat verdachte goederen in zijn woning heeft aangestoken. Van het teweeg brengen van gemeen gevaar voor goederen – waaronder eigen goederen niet worden verstaan -, zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor een ander is geen sprake geweest. De brand is niet buiten de slaapkamer gekomen en uit zichzelf gesmoord. De te duchten gevolgen zijn uitgebleven en objectief gezien zijn de door verdachte uitgevoerde handelingen niet voldoende adequaat uitgevoerd om naar algemene ervaringsregels tot het te duchten gevaar te kunnen leiden.

Voor feit 3 primair (poging doodslag) bevat het dossier geen bewijs. Feit 3 subsidiair (bedreiging) kan evenmin worden bewezen. De vier betrokken opsporingsambtenaren hebben in meerdere of mindere mate in strijd met hetgeen op de camerabeelden is te zien verklaard; in het bijzonder over het gedrag dat mogelijk het schieten op verdachte zou kunnen rechtvaardigen. Op de beelden is niet te zien dat verdachte met zijn mes zwaaiende en/of stekende bewegingen heeft gemaakt. Verder was van bedreiging geen sprake gelet op de fysieke afstand tussen verdachte en de opsporingsambtenaren, alsmede gelet op de aard van hun wapens: de agenten met hun vuurwapens tegenover verdachte met zijn mes. Verdachte ontkent gezegd te hebben ‘ik maak je dood’.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt de brandstichting waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was (feit 1) en het beschadigen van de politieauto (feit 2) bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de poging tot doodslag (feit 3 primair) en de bedreiging (feit 3 subsidiair).

Met betrekking tot feit 1 spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de verdenking dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de bewijsmiddelen. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

Over de bewezenverklaring van de brandstichting waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was (feit 1) en de vrijspraak voor de bedreiging (feit 3 subsidiair) overweegt de rechtbank het volgende.

Feit 1

Verdachte wilde zijn op de derde verdieping van de [adres] gesitueerde woning in de brand steken en heeft daartoe met een aansteker kleding en/of de gordijnen in de slaapkamer aangestoken. Hij heeft vervolgens zijn woning verlaten. Uit het proces-verbaal van bevindingen veiligheidsonderzoek blijkt dat er ook daadwerkelijk brand is geweest in de slaapkamer van de woning. Door de hitte die deze brand heeft veroorzaakt is kalk van het plafond losgekomen. Er is dan ook schade ontstaan aan de woning. Anders dan de raadsman naar voren heeft gebracht betreft dit niet een eigen goed van verdachte aangezien hij de woning huurde. De rechtbank verwerpt het verweer. Bewezen is dus dat er sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen.

De strafverzwarende omstandigheid van ‘het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’ doet zich niet voor. Uit het dossier valt immers niet op te maken dat deze gevaarzetting zich heeft voorgedaan. Daarbij hecht de rechtbank belang aan de vaststelling van de brandweer dat de brand uit zichzelf was gesmoord en niet buiten de slaapkamer is gekomen, waardoor de gevaarzetting in de optiek van de brandweer beperkt is gebleven. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Feit 3 subsidiair

Over feit 3 subsidiair (bedreiging) stelt de rechtbank voorop dat vast staat dat verdachte een mes heeft getoond en dat er sprake was van een – in meer of mindere mate – dreigende situatie. Het tonen van het mes is echter niet ten laste gelegd. Wel is ten laste gelegd dat verdachte met het mes stekende en zwaaiende bewegingen zou hebben gemaakt en met het mes op een politieagent is afgerend. Daarvoor is in beginsel voldoende wettig bewijs in de vorm van meerdere aangiftes waarin met die strekking wordt verklaard. Het ontbreekt de rechtbank echter aan de overtuiging dat verdachte zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan die tenlastegelegde gedragingen. Op de terechtzitting zijn namelijk de camerabeelden getoond die de gebeurtenissen op 22 mei hebben vastgelegd. De rechtbank heeft de tenlastegelegde gedragingen (dus het steken en zwaaien met het mes en het met het mes op de politieagent afrennen) zelf niet waargenomen op de beelden. Verder bevat het dossier verklaringen van getuigen die hebben gezien dat verdachte zijn mes richting de grond hield, wat ook niet strookt met de verklaringen van de verschillende aangevers en wel met de beelden. Voor de tenlastegelegde dreigende woorden die verdachte zou hebben geuit is geen andere bewijsmiddel voorhanden dan de verklaring van [slachtoffer 4] en dat is onvoldoende om voor dit onderdeel tot een bewezenverklaring te komen.

Dit betekent dat de verdachte wordt vrijgesproken van de hem primair onder 3 tenlastegelegde poging doodslag en de onder 3 subsidiair tenlastegelegde bedreiging.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 22 mei 2021 te Amsterdam in een woning op het adres [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met goederen in de slaapkamer van die woning, ten gevolge waarvan die goederen in die slaapkamer van die woning aan de [adres] gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Feit 2

op 22 mei 2021 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een politieauto die aan de Nationale Politie, eenheid Amsterdam toebehoorde heeft beschadigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende rapportage.

Psychiatrisch onderzoek van 13 augustus 2021, opgemaakt door E. Kuiper:

De psychiater adviseert om het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen aan verdachte.

Bij verdachte is er sprake van een waanstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis.

Hij was zich bewust van het feit dat hij moest stoppen met zijn drugsgebruik, kon dit niet zelfstandig, maar heeft hier geen hulp voor gezocht. Het drugsgebruik heeft er vervolgens voor gezorgd dat betrokkene in toenemende mate paranoïde psychotisch is geworden waarbij hij zijn realiteitszin en overzicht verloor.

De rechtbank neemt het advies van de deskundige op dit punt over en maakt dit tot haar eigen oordeel. De onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten kunnen verdachte daarom wegens ziekelijke stoornissen in verminderde mate worden toegerekend.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 en 3 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies van 23 augustus 2021.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, gelet op de coöperatieve opstelling van verdachte alsmede het feit dat verdachte binnen het door de reclassering geschetste kader behandeld wil worden, om een beperkte gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel maximaal de duur heeft van het voorarrest.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een door hem gehuurde etagewoning op de 3e verdieping. Verdachte heeft met een aansteker kleding of een gordijn aangestoken waardoor er brand ontstond met gevaar voor goederen als gevolg. Hoewel de brand uit zichzelf is gedoofd, is er schade ontstaan aan de huurwoning. Verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan het beschadigen van een politieauto door op het dak te springen en een band lek te steken. Dit zijn ernstige feiten en verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 juli 2021. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank onder meer kennis genomen van het reclasseringsadvies van 23 augustus 2021. Daaraan ontleent de rechtbank het volgende: Verdachte is in de penitentiaire inrichting (P.I.) ingesteld op medicatie en toont zich coöperatief. In de P.I. blijven enkele paranoïde wanen echter bestaan, ondanks dat hij binnen de P.I. abstinent is van cannabisgebruik. Langdurige, intensieve behandeling gericht op zijn psychische en verslavingsproblematiek wordt nodig geacht om hem te stabiliseren, te behandelen en ziekte-inzicht te verkrijgen. Het Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) heeft op 23 augustus 2021 een indicatie afgegeven voor een dubbele diagnose kliniek. Aansluitend wordt een ambulante behandeling en begeleid wonen geadviseerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Er is sprake van langdurige verslavingsproblematiek en het is niet bekend of verdachte abstinentie weet vol te houden buiten de muren van de P.I.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft ter zitting verklaard mee te zullen werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 69 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend. Als bijzondere voorwaarden zal daaraan een meldplicht, een opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang worden verbonden.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam vordert € 12.204,77 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 3 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Feit 2

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

Verklaart het bewezene strafbaar

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 69 (negenenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde meldt zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5 te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

Opname in een zorginstelling

Veroordeelde wordt verplicht om zich te laten opnemen, op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven. Daarnaast zal veroordeelde zich houden aan het daaruit voortvloeiende (klinisch)behandeladvies. De opname start na het overeenkomen van een opnamedatum met de geïndiceerde instelling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

Veroordeelde laat zich behandelen door het Forensisch Ambulante Zorgteam (FAZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, wordt veroordeelde verplicht zich te laten openen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Meewerken aan dagbesteding

Veroordeelde werkt mee aan het verrichten van dagbesteding, indien dit door de reclassering wordt geïndiceerd.

Geeft aan Reclassering Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Vordering benadeelde partij

Verklaart de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. M. Smit en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2021.