Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4745

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4973
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen met korting 88% terecht. Geen toekenning AOW met terugwerkende kracht van meer dan één jaar. Hardheid niet aangetoond. Geen bijzonder geval. Beroep op vrijstelling griffierecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/4973

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Duitsland, eiser,

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een pensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met een korting van 88%.

Bij besluit van 2 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op een Skypezitting van 9 juni 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 20 maart 2020 een AOW-pensioen aangevraagd. Op

28 november 2017 heeft eiser de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Ten tijde van de aanvraag woonde eiser in Engeland.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een AOW-pensioen toegekend vanaf 1 maart 2019. Het AOW-pensioen van eiser is gekort met 88%, omdat eiser (afgerond) 44 jaren niet verzekerd was voor de AOW. Eiser was niet verzekerd van 28 november 1967 tot en met 24 mei 1997 en van 3 mei 2003 tot en met 27 november 2017. Voor elk niet verzekerd jaar is een korting van 2% toegepast. Eiser vindt dat verweerder zijn AOW-pensioen eerder had moeten toekennen vanwege bijzondere omstandigheden. Ook is eiser het niet eens met de vastgestelde verzekerde jaren. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het AOW-pensioen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar aan eiser moest worden toegekend. Ook heeft eiser geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de door verweerder gehanteerde verzekerde periode niet klopt. Met het bestreden besluit heeft verweerder daarom het primaire besluit gehandhaafd.

Het wettelijk kader

3. De voor deze zaak relevante bepalingen zijn opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.

Ingangsdatum AOW-pensioen

Standpunt eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan zijn AOW-pensioen eerder moet worden toegekend dan vanaf 1 maart 2019. Vanwege medische klachten, een echtscheiding en een detentie kon eiser niet eerder zijn AOW-pensioen aanvragen. Hij is in december 2006 naar Engeland vertrokken en was op dat moment lichamelijk en geestelijk ziek. Na aankomst in Engeland is hij in het ziekenhuis opgenomen en de medicijnen die hij toen kreeg, slikte hij ten tijde van de aanvraag nog steeds. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt hij een brief over van het Morum House Medical Centre van 1 november 2018 waaruit zijn medische situatie na aankomst in Engeland blijkt. Verder heeft niemand eiser kunnen helpen met zijn aanvraag, omdat niemand in zijn omgeving de Nederlandse taal sprak. Daarbij heeft eiser zijn Engelse aanvraag ook te laat ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

5. Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.1Het ouderdomspensioen gaat niet eerder in dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Verweerder kan voor bijzondere gevallen daarvan afwijken.2

6. Eiser heeft op 20 maart 2020 een AOW-pensioen aangevraagd in Engeland. Verweerder heeft het AOW-pensioen toegekend met terugwerkende kracht van één jaar. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden, is verweerder bevoegd de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Van deze bevoegdheid maakt verweerder alleen gebruik als het van hardheid zou getuigen de terugwerkende kracht tot één jaar te beperken. Van hardheid is sprake als het inkomen over de periode waarover betrokkene alsnog AOW wil ontvangen, minder is dan de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. Het is aan degene die zich hierop beroept, om dit aan te tonen.

7. Volgens het beleid van verweerder3 is er sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen of indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen of uitkering én deze onbekendheid verschoonbaar was.

8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het AOW-pensioen van eiser met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zijn pensioen tijdig aan te vragen. Als hij ziek is, is het ook zijn verantwoordelijkheid om tijdig hulp in te schakelen. Eiser heeft een brief overgelegd van zijn arts uit Engeland, maar hieruit blijkt niet dat eiser ten tijde van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd medische problemen ondervond waardoor hij niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen. Dat niemand in de omgeving van eiser de Nederlandse taal sprak, is ook geen reden om een bijzonder geval aan te nemen. De aanvraag verloopt namelijk via het Engelse zusterorgaan en verweerder biedt de mogelijkheid om een aanvrager in het Engels te woord te staan. Ook de echtscheiding en detentie van eiser zijn geen bijzondere gevallen nu deze gebeurtenissen zich meer dan tien jaar voor aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd hebben voorgedaan. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor aan eiser een AOW-pensioen moet worden toegekend met een langere terugwerkende kracht dan één jaar.

De verzekerde periode

Standpunt eiser

9. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de verzekerde periode voor zijn AOW-pensioen niet klopt, omdat verweerder ten onrechte een korting toepast over de periode

eind december 1995 tot 25 mei 1997 en van 3 mei 2003 tot april 2006. Eiser geeft aan dat hij tussen 1995 tot en met 2006 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, maar niet voor een aaneengesloten periode. Verder is met zijn eerste baan in het Atrium ziekenhuis in Kerkrade bij de berekening van zijn pensioen geen rekening gehouden. Eiser heeft geprobeerd om via de Belastingdienst zijn belastinggegevens over 1995 tot en met 2006 op te vragen, waaronder gegevens van Atrium, maar de Belastingdienst heeft geen gegevens kunnen vinden. Verder wijst eiser erop dat hij in 1996 in Nederland een zorgverzekering heeft afgesloten en dat hij in 1998 in Nederland een huis heeft gekocht, waarvan hij een brief van de notaris overlegt. Vanaf januari 1996 heeft hij voor een periode van vier jaar een WW-uitkering ontvangen. Ook is het niet correct dat hij vanaf 2 mei 2003 naar Engeland is vertrokken. Hij wijst daarbij op brieven die hij na 2 mei 2003 heeft ontvangen van zijn voormalig advocaat op zijn Nederlandse adres. Tot slot overlegt eiser bewijzen van een Nederlandse bromfietsverzekering uit 2004 en 2005.

Standpunt verweerder

10. Volgens verweerder heeft eiser van de periode dat hij in Nederland heeft gewerkt, alleen informatie van Zorg en Welzijn overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser een werkgeverspensioen heeft opgebouwd in 2000 en 2001 en deze jaren heeft verweerder eiser ook als verzekerd aangemerkt. Van 19 september 2003 tot en met 31 augustus 2004 had eiser een premievrijstelling omdat hij arbeidsongeschikt was, maar dit betekent niet zonder meer dat eiser verzekerd was in Nederland. Verweerder heeft contact gezocht met de Belastingdienst en diverse ziekenhuizen waar eiser stelt te hebben gewerkt. Verweerder heeft echter geen informatie ontvangen. Verder stelt verweerder dat het aan eiser is om zijn werkperiode in Nederland te bewijzen.

11. Verweerder heeft van het zusterorgaan in Engeland een overzicht ontvangen van de verzekerde jaren van eiser in Engeland. Op basis van dit overzicht gaat verweerder ervan uit dat eiser tot en met 24 mei 1997 en vanaf 3 mei 2003 in Engeland heeft gewerkt. Verder wijst verweerder erop dat EG-verordening 1408/71 van toepassing is. Hieruit blijkt dat de sociale wetgeving van de lidstaat waar werkzaamheden in loondienst worden verricht van toepassing is4. Nu uit de door het Engels verbindingsorgaan verstrekte opgaaf is gebleken dat eiser in de periode voorafgaand aan 25 mei 1997 en vanaf 3 mei 2003 in het Engeland verzekerd is geweest omdat hij daar in loondienst was en eiser zijn werkperiode in Nederland niet heeft aangetoond, is de sociale wetgeving van Engeland van toepassing. Ook als eiser in deze periode in Nederland zou wonen. Daarbij heeft eiser niet aangetoond dat hij voorafgaand aan 25 mei 1997 en vanaf 3 mei 2003 niet in Engeland heeft gewerkt.

12. Omdat het verweerder niet is gebleken dat eiser (tevens) in Nederland werkte en eiser van 25 mei 1997 tot en met 2 mei 2003 in Nederland woonde, gaat verweerder ervan uit dat eiser alleen in deze periode in Nederland verzekerd is geweest voor de AOW.

Het oordeel van de rechtbank

13. De rechtbank overweegt dat voor het recht op een AOW-pensioen, naast het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, van belang is dat de aanvrager in het verleden verzekerd is geweest voor de AOW. Iemand is verzekerd voor de AOW als die persoon in Nederland heeft gewoond of gewerkt.5 Eiser kan alleen verzekerd zijn op grond van de AOW indien de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Dat wordt bepaald door het recht van de Europese Unie.

14. Op grond van Europese regelgeving is degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die lidstaat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.

15. Tot 1 mei 2010 was voor de beoordeling van situaties als aan de orde in de voorliggende zaak het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) van belang.

16. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode eind december 1995 tot 25 mei 1997 en van 3 mei 2006 tot april 2006 niet was verzekerd op grond van in Nederland verrichte arbeid.

17. Omdat het om een besluit op aanvraag gaat, ligt het op de weg van eiser om aan te tonen dat hij in de periode eind december 1995 tot 25 mei 1997 en van 3 mei 2006 tot

april 2006 in Nederland arbeid heeft verricht of dat hij in de perioden genoemd op de opgave van het Engelse zusterorgaan, niet in Engeland heeft gewerkt.6 Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit de opgave van het Engelse zusterorgaan blijkt dat eiser vanaf

mei 2003 werkzaamheden in Engeland heeft verricht. Op de zitting heeft eiser ook erkend dat hij vanaf mei 2003 af en toe in Gibraltar heeft gewerkt. Van de diverse banen die eiser in Nederland heeft gehad, heeft eiser geen bewijsstukken overgelegd. Ook is uit door verweerder opgevraagde informatie gebleken dat eiser vanwege zijn deelname in een maatschap niet altijd verzekerd is geweest voor de AOW. Nu eiser ook geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf mei 2003 niet in Engeland heeft gewerkt, mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de opgave uit Engeland. Eiser heeft nog aangevoerd dat de Belastingdienst met opzet zijn gegevens heeft vernietigd, maar ook dit heeft eiser niet nader onderbouwd.

18. Verder heeft eiser gewezen op de WW-uitkering die hij vanaf 1996 voor de duur van vier jaar ontving, maar daarmee heeft eiser niet aangetoond dat hij eind december 1995 tot

25 mei 1997 en/of van 3 mei 2006 tot april 2006 in Nederland werkte of juist niet in Engeland werkte. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het WW-recht ook betrekking kan hebben op werkzaamheden die in een andere lidstaat zijn verricht.

19. Eiser heeft daarnaast ook nog gewezen op het pensioen dat hij ontvangt van Zorg & Welzijn, maar dit feit ondersteunt zijn standpunt evenmin. Dit pensioen ziet juist op een deel van de periode (de jaren 2000 en 2001) waarover eiser wel als verzekerde voor de AOW is aangemerkt. Ook de correspondentie met zijn voormalig advocaat, de aankoop van een woning en de verzekering van zijn bromfiets ondersteunen zijn standpunt niet. Hieruit zou kunnen blijken dat eiser van 2003 tot en met 2005 in Nederland woonde, maar dit betekent nog niet dat eiser daarom in deze periode in Nederland verzekerd was voor de AOW.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode van eind december 1995 tot 25 mei 1997 en van 3 mei 2003 tot april 2006 in Nederland niet verzekerd was voor de AOW en dus geen AOW-pensioen heeft opgebouwd. Nu de overige jaren tussen partijen niet in geschil zijn, heeft verweerder terecht een korting van (afgerond) 44 % toegepast op het AOW-pensioen van eiser.7

Vrijstelling griffierecht

21. Iemand die beroep instelt, moet in beginsel griffierecht betalen.8 Het griffierecht in deze zaak is vastgesteld op € 48,-. Eiser heeft op 16 oktober 2020 een verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Op 26 oktober 2020 heeft eiser het griffierecht alsnog voldaan, maar zijn beroep op betalingsonmacht gehandhaafd.

22. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het griffierecht. Hoewel eiser ten tijde van het verzoek in Engeland woonde (en thans in Duitsland) had eiser een financiële band met Nederland vanwege zijn Nederlandse AOW-pensioen en werkgeverspensioen. Daarom kijkt de rechtbank zowel naar het vermogen als het inkomen van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen in de referteperiode, van 19 september 2020 tot en met 26 oktober 2020, lager was dan 95% van het bijstandsniveau voor een alleenstaande. De bijstandsnorm was per 1 januari 2020 € 1.052,32 netto per maand inclusief vakantiegeld en 95% daarvan is € 999,70 per maand. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij beschikt over een Engels AOW-pensioen van £ 140,- per maand, een staatspensioen van £ 580 ,- per maand een Nederlands AOW-pensioen van € 104,41 netto per maand en een ouderdomspensioen van Zorg & Welzijn van € 157,09 bruto per maand. Reeds vanwege zijn inkomen komt eiser daarom niet in aanmerking voor vrijstelling.

Conclusie

23. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M. Mazurel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage bij de uitspraak in de zaak AMS 20/4973 inzake C.A. [eiser]

Relevante bepalingen uit de Algemene Ouderdomswet (AOW)

Artikel 6

1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

(…)

Artikel 6A

Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:

a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

Artikel 13

1. het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9 wordt een korting toegepast van 2%:

a. voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest;

Artikel 16

  1. Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan de eerste dag van de twaalfde maand vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

Relevante bepalingen uit de Verordening (EG) Nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (EU-Vo 1408/71)

Artikel 13

1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a) is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;

1 Zie artikel 16, eerste lid, van de AOW.

2 Zie artikel 16, tweede lid, van de AOW.

3 Dat volgens de Centrale Raad van Beroep (de Raad) toelaatbaar is, zie ECLI:NL:CRVB:2018:3624.

4 Zie artikel 13, tweede lid, onder a van de Verordening 1408/71.

5 Zie de artikelen 6, eerste lid en 6a, van de AOW.

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1207.

7 Op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, van de AOW.

8 Zie artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).