Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4709

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
13/061566-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man is veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk omdat hij tussen april 2019 en februari 2021 slachtoffers met zijn afdreigingspraktijken en pogingen daartoe in een lastige situatie bracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/061566-21

Datum uitspraak: 2 september 2021

Verkort1 vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1998,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 juni 2021 en 19 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.A. van der Vlugt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Chr. T. Pittau, naar voren hebben gebracht.

Op de terechtzitting van 19 augustus 2021 waren ook aanwezig:

- ( (minderjarige) benadeelde partij slachtoffer 92 (met zijn ouders);

- [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland namens slachtoffers/benadeelde partijen:

 slachtoffer 6

 slachtoffer 10

 slachtoffer 2.

Namens slachtoffers 6 en 9 zijn schriftelijke slachtofferverklaringen voorgelezen.

2 Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. afdreiging van meerdere personen, onder wie veertien nader aangeduide personen, in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 februari 2021 in (verschillende plaatsen in) Nederland;

  2. poging tot afdreiging van meerdere personen, onder wie drie nader aangeduide personen, in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 februari 2021 in (verschillende plaatsen in) Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

Geldigheid dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

Bevoegdheid rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor verdachte wordt vervolgd zogenoemde klachtdelicten zijn. Dat betekent dat de officier van justitie in beginsel alleen maar tot vervolging mag overgaan als er tijdig een klacht is ingediend door de aangever. Ten aanzien van de in de tenlastelegging bij feiten 1 en 2 nader aangeduide slachtoffers is sprake van een tijdig ingediende klacht. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de (poging tot) afdreiging van die slachtoffers. De tenlastelegging ziet echter ook op andere, niet nader aangeduide slachtoffers. Aan de in beide feiten nader aangeduide slachtoffers gaat immers de zinsnede vooraf: ‘een of meerdere personen, waaronder in elk geval’. Het dossier bevat geen klachten van andere personen dan de nader aangeduide personen in de tenlastelegging.

De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een formele klacht bij klachtdelicten niet zonder meer hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, kan worden afgeleid dat voldoende is dat komt vast te staan dat de klachtgerechtigde een uitdrukkelijke vervolgingswens heeft. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten geeft waaruit kan worden afgeleid dat de niet nader aangeduide slachtoffers een uitdrukkelijke vervolgingswens hebben, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor de (poging) tot afdreiging van die andere personen.

Schorsing van de vervolging?

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de onder 1 ten laste gelegde afdreigingen en de onder 2 ten laste gelegde pogingen tot afdreiging van de nader aangeduide personen kunnen worden bewezen. Hij heeft niet expliciet een standpunt ingenomen ten aanzien van het bij beide feiten ten laste gelegde medeplegen.

4.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Deze zaak gaat over het zogeheten sextortion; het afdreigen van – in dit geval - jonge mannen, soms zelfs minderjarig, door ze eerst te verleiden een foto van hun geslachtsdeel te sturen via Whatsapp en vervolgens te bedreigen met het verspreiden van de foto als er niet een bepaald bedrag betaald zou worden.

De aangevers zijn via een chatsite in contact gekomen met verdachte die zich voor deed als het aantrekkelijke meisje “ [meisje] ”, dat best een pikant filmpje van zichzelf zou willen delen als de ander ook zoiets zou doen. Voor het leggen van het eerste contact had verdachte een robot; een automatisch computerprogramma om in één keer grote hoeveelheden slachtoffers te kunnen benaderen. Geïnteresseerden in de filmpjes van “ [meisje] ” dienden vervolgens eerst een euro op een door verdachte gegeven bankrekening over te maken waarmee verdachte in het bezit kwam van de persoonsgegevens van zijn latere slachtoffers. Om zijn dreigementen kracht bij te zetten, zocht hij vervolgens op internet op wie de familie en vrienden van een slachtoffer waren. Zo kon het slachtoffer ook meteen verteld worden wie zijn foto allemaal te zien zouden krijgen als hij niet deed wat er gezegd werd. Om het geld te incasseren zonder al te erg in het oog te lopen, gebruikte verdachte allerlei methoden, waaronder ingewikkelde constructies met betaalnummers en bankrekeningen van anderen. Met deze methodiek was hij tamelijk succesvol. Op allerlei plaatsen is aangifte gedaan. Er zijn onderzoeken gestart, maar die liepen zonder uitzondering stuk op katvangers of iemand die computerspelcredits bij de verdachte had gekocht maar van de afdreiging niets leek te weten. Een aangifte in Amsterdam leidde er uiteindelijk toe dat verschillende zaken in de politiesystemen werden gekoppeld.

Het Amsterdamse onderzoek naar verdachte is gestart met de aangifte van het slachtoffer uit het latere zaaksdossier 1. Hij had na contact met “ [meisje] ” en het sturen van een seksueel getinte foto onder druk van het dreigement dat de foto met zijn moeder gedeeld zou worden, betaalnummers gebeld. Het betrof betaalnummers waardoor tegoed op elektronische accounts geladen kan worden. Nadat hij van elf uur ‘s avonds tot vijf uur ‘s ochtends aan de lijn had gehangen met verschillende betaalnummers, was er van zijn eigen telefoonrekening 500 euro afgeschreven en van het vaste lijn abonnement van zijn ouders 275 euro. De gegevens uit deze aangifte bleken te koppelen aan elf andere aangiften betreffende “ [meisje] ”, die elders in Nederland waren gedaan. De werkwijzen vertoonden overeenkomsten met de Amsterdamse zaak en hetzelfde telefoonnummer was gebruikt om contact met de slachtoffers te maken.
De Amsterdamse politie heeft de gegevens uit die verschillende aangiften gecombineerd.
Dat leidde naar verdachte. Eén van de e-mailadressen die gekoppeld was aan een account waar met het bellen van de betaalnummers uit zaaksdossier 1 tegoed naartoe ging, bleek namelijk in de politiesystemen gekoppeld aan verdachte. In een andere aangifte bleek dat er geld was overgemaakt naar [partner] , de partner van verdachte. In weer een andere aangifte was geld overgemaakt naar [schoonmoeder] , de moeder van [partner] , die had verklaard dat haar schoonzoon, verdachte, haar had benaderd om gebruik te mogen maken van haar rekening. Zij had dat toegestaan omdat ze hem vertrouwde. Op basis van deze gecombineerde gegevens is verdachte aangehouden en zijn de woning waar hij met [partner] verbleef en ook de woning van zijn vader door de politie onder leiding van de rechter-commissaris doorzocht.

Bij de doorzoeking van de woning van de vader van verdachte werden drie

doorgeknipte simkaarten aangetroffen. Eén van die simkaarten bleek gekoppeld te zijn aan een telefoonnummer dat voorkwam in nog drie politieregistraties. Twee registraties betroffen een aangifte en één slechts een melding.

In de woning waar verdachte met [partner] verbleef, werd tussen de kussens van de bank een iPhone 5 gevonden. Gegevens die door de politie zijn veiliggesteld van deze iPhone 5 leidden naar nog twee zaken waarin aangifte is gedaan.

Tenslotte kwam uit de politiesystemen nog een aangifte met dezelfde werkwijze naar voren van een slachtoffer dat ook geld naar de rekening van [partner] had overgemaakt, waarbij contact was geweest met een telefoonnummer dat ook in zaaksdossier 3 was gebruikt.

Uit het onderzoek bleek verder dat niet alleen [partner] en [schoonmoeder]

geld op hun rekening hadden ontvangen dat van afdreigingen van “ [meisje] ” afkomstig was,

maar ook andere bekenden van verdachte.

Verdachte heeft aanvankelijk ontkend de (pogingen tot) afdreigingen gepleegd te hebben.

Na de pro-formazitting op 2 juni 2021 en een wisseling van advocaat heeft verdachte

uiteindelijk toch bekend. Hij heeft ten aanzien van alle zaaksdossiers aangegeven dat hij degene is die de (poging tot) afdreiging uitgevoerd heeft. Hij was “ [meisje] ” en heeft bankrekeningen van onder meer zijn kennissen, zijn vriendin en zijn schoonmoeder gebruikt om het geld van de slachtoffers te incasseren.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het overige bewijs in het dossier, zoals hiervoor globaal omschreven, concludeert de rechtbank dat verdachte de veertien bij feit 1 en de drie bij feit 2 nader aangeduide personen heeft afgedreigd, respectievelijk heeft geprobeerd af te dreigen.

Hoewel uit het dossier naar voren komt dat verdachte door anderen is geholpen bij de afdreigingen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van ‘medeplegen’. De rollen van de anderen, vooral bestaande uit het ter beschikking stellen van bankrekeningen, passen eerder bij medeplichtigheid. Dat sprake was van de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ kan de rechtbank in ieder geval niet vaststellen op basis van het dossier.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1

in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 februari 2021 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van een geheim,

- slachtoffer 1 (PL1300-2019100163 Zaaksdossier 1)

- slachtoffer 3 (PL0100-2019141075 Zaaksdossier 3)

- slachtoffer 4 (PL1100-2019152123 Zaaksdossier 4)

- slachtoffer 5 (PL2000-2019085536 Zaaksdossier 5)

- slachtoffer 6 (PL1100-2019152820 Zaaksdossier 6)

- slachtoffer 7 (PL1500-2019227957 Zaaksdossier 7)

- slachtoffer 8 (PL0600-2019461318 Zaaksdossier 8)

- slachtoffer 10 (PL1500-2019221203 Zaaksdossier 10)

- slachtoffer 11 (PL2100-2019157936 Zaaksdossier 11)

- slachtoffer 12 (PL0100-2019157547 Zaaksdossier 12)

- slachtoffer 14 (PL0600-2020612713 Zaaksdossier 14)

- slachtoffer 15 (PL1300-2021071823 Zaaksdossier 15)

- slachtoffer 16 (PL2300-2021020502 Zaaksdossier 16)

- slachtoffer 17 (PL1100-2019132751 Zaaksdossier 17)

heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die voornoemde slachtoffers, immers heeft verdachte telkens voornoemde personen dreigende en/of dwingende berichten gestuurd waarbij hij, verdachte dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen heeft gedaan, onder meer inhoudende dat hij die personen zou "exposen" door naaktfoto’s, chatgesprekken, adresgegevens en/of de naam van die voornoemde personen zou openbaar maken op internet en/of bij familie, vrienden, buren, partners en/of collega’s, indien zij geen geldbedrag(en) zouden sturen en/of overmaken en/of betaaltelefoonnummers zouden bellen en/of QRcodes (gelinkt aan een betaalverzoek) zouden scannen en/of paysafekaarten zouden betalen, aan verdachte;

2

in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 februari 2021 in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van een geheim,

- slachtoffer 2 (PL2100-2019092802 Zaaksdossier 2)

- slachtoffer 9 (PL1700-2019221918 Zaaksdossier 9)

- slachtoffer 13 (PL0600-2020618546 Zaaksdossier 13)

te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die voornoemde slachtoffers, immers heeft verdachte telkens voornoemde personen dreigende en/of dwingende berichten gestuurd waarbij hij, verdachte dwingende en/of dreigende uitlatingen en/of eisen heeft gedaan, onder meer inhoudende dat hij die personen zou "exposen" door naaktfoto’s, chatgesprekken, adresgegevens en/of de naam van die voornoemde personen zou openbaar maken op internet en/of bij familie, vrienden, buren, partners en/of collega’s, indien zij geen geldbedragen zouden sturen en/of overmaken en/of betaaltelefoonnummers zouden bellen en/of QRcodes (gelinkt aan een betaalverzoek) zouden scannen en/of paysafekaarten zouden betalen, aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

Strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft hij oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gevorderd en daarnaast nog de bijzondere voorwaarde dat toezicht wordt gehouden op het middelengebruik van verdachte.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte had geen werk ten tijde van zijn aanhouding en hij heeft een belaste jeugd gehad. Hij kan de consequenties van zijn keuzes niet altijd goed inschatten. Er is sprake van recidive binnen een periode van vijf jaar gelet op de eerdere veroordeling in juni 2015 Het totale schadebedrag direct gerelateerd aan de afdreigingen bedraagt meer dan 20.000 euro. Daarnaast heeft verdachte ook andere materiële en immateriële schade toegebracht aan de slachtoffers.

Het uitgangspunt in de strafrichtlijn van het Openbaar Ministerie voor sextortion is in dit geval te laag en daarom moet aansluiting worden gezocht bij de strafrichtlijnen van het Openbaar Ministerie voor mobiel banditisme en online handelsfraude. De bekentenis van verdachte weegt in zijn voordeel mee, maar het verdient opmerking dat verdachte wel pas heeft bekend nadat er duidelijk bewijs tegen hem was en bovendien beoogde verdachte met zijn bekentenis minder straf te krijgen. Bij het bepalen van de strafeis is ten slotte rekening gehouden met het reclasseringsadvies maar het vergeldingsaspect dient zwaar mee te wegen, aldus steeds de officier van justitie.

9.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met wat doorgaans in vergelijkbare zaken aan straffen wordt opgelegd. Daartoe heeft hij verwezen naar enkele uitspraken en daaruit afgeleid dat een gevangenisstraf van zes tot twaalf maanden met een stevig voorwaardelijk strafdeel de norm is voor verdachten die geen verantwoordelijkheid hebben genomen, zwijgen en zelfs recidivist zijn. Verdachte is daarentegen first offender, heeft volledig bekend en spijt betuigd en is bereid tot herstelbemiddeling Verder heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder dat hij onverwerkte trauma’s heeft door zijn belaste jeugd. Verdachte is bereid aan alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, mee te werken. Verdachte is een jongvolwassene en daarom moet speciale preventie prevaleren boven vergelding, aldus de raadsman.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van na te noemen bijzondere voorwaarden in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen. Verdachte heeft vele slachtoffers met zijn afdreigingspraktijken in een penibele situatie gebracht. De slachtoffers wisten dat zij met iets spannends – het zogenoemde sexting – bezig waren, maar dachten dit in goed vertrouwen met “ [meisje] ” te kunnen doen. Verdachte heeft hier op geraffineerde en misselijke wijze misbruik van gemaakt om er zelf financieel beter van te worden. Hij heeft de slachtoffers nadat zij kwetsbaar waren door zich letterlijk en figuurlijk aan hem bloot te hebben gegeven zodanig onder druk gezet dat zij geld of op geld waardeerbare tegoedkaarten naar hem hebben overgemaakt. Een enkele keer is het gelukkig bij een poging gebleven in die zin dat deze slachtoffers niet tot betaling aan verdachte zijn overgegaan. Dat neemt niet weg dat verdachte bij alle slachtoffers veel angst en schaamte heeft veroorzaakt. De moeder van één van de (minderjarige) slachtoffers heeft op de zitting een slachtofferverklaring voorgelezen. Dit slachtoffer, die pas dertien jaar oud was en een Laag Verstandelijke Beperking heeft, zag het leven niet meer zitten en wilde voor de trein springen. Zijn ouders hebben hem gelukkig daarvan kunnen weerhouden. Ook andere slachtoffers zijn zodanig in de psychische problemen gekomen dat zij professionele hulp hebben moeten zoeken om een en ander te kunnen verwerken. Bij dergelijke ernstige feiten hoort oplegging van een stevige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de rechtbank verdachte ook als recidivist aangemerkt, omdat hij in juni 2015, minder dan vijf jaar voorafgaand aan de meeste van de afdreigingen in deze zaak, is veroordeeld voor het voorbereiden van afpersing.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Door zijn bekentenis heeft verdachte het mogelijk gemaakt dat in eerste instantie de politie en later de rechtbank het gesprek met hem hebben kunnen aangaan. Hij heeft de rechtbank daardoor inzicht verschaft in zijn handelen, zijn beweegredenen daartoe en zijn besef van wat hij heeft gedaan. Zo heeft verdachte spijt betuigd en zich op zitting ook rechtstreeks tot enkele slachtoffers gericht met zijn spijtbetuigingen. Hij heeft verklaard open te staan voor herstelbemiddeling, wat de reclassering ook als een reële mogelijkheid ziet. Een en ander is uiteraard van belang bij het bepalen van een passende strafoplegging en weegt mee in het voordeel van verdachte.
De rechtbank merkt echter wel op dat verdachte pas heeft bekend nadat het einddossier was gevormd en het veel belastend bewijs bevatte. De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte eenzelfde proceshouding had gekozen als het bewijs tegen hem minder sterk was geweest. De rechtbank ziet de bekentenis ook als een poging om minder straf te krijgen, hetgeen ook door verdachte is geuit in een getapt telefoongesprek tussen verdachte en zijn vriendin. De rechtbank hoopt dat verdachte oprecht spijt heeft van hetgeen hij heeft aangericht maar heeft daar wel wat aarzelingen over.

Verdachte heeft zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan afdreigingen. Hij heeft verklaard dat hij nog meer personen heeft afgedreigd dan de in de tenlastelegging nader aangeduide personen. Ook heeft hij verklaard dat meerdere personen in zijn omgeving – in [woonplaats] – zich hiermee bezighielden. Het geld dat hij door de afdreigingen heeft verkregen, heeft hij naar eigen zeggen (snel) uitgegeven aan onder meer kleding en softdrugs.
Het voorgaande, bezien in samenhang met de aarzelingen die de rechtbank heeft bij de proceshouding van verdachte, maakt dat de rechtbank er niet zeker van is dat verdachte niet weer in de verleiding zal komen om strafbare feiten te plegen. Daarom zal de rechtbank ook een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank neemt het advies van de reclassering over, maar niet voor zover dat ziet op het opleggen van een contactverbod met medeverdachten in deze zaak. De vriendin en haar moeder behoren daar namelijk ook toe. De officier van justitie heeft in dit verband voorgesteld de reclassering te laten bepalen of het contactverbod met de vriendin en haar moeder nog nodig is als verdachte vrijkomt. De rechtbank vindt dit niet werkbaar en wil verdachte het contact met zijn vriendin en haar moeder niet onthouden. Daarnaast is er een aanzienlijk pakket aan bijzondere voorwaarden geadviseerd, dat verdachte bij een bereidwillige houding– ook zonder het contactverbod – op het rechte pad zou moeten kunnen houden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en rekening houdende met wat in vergelijkbare zaken aan straffen is opgelegd aanleiding bestaat om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

10 Beslag

De beslaglijst vermeldt vijftien voorwerpen. De rechtbank zal in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie, waar de raadsman geen opmerkingen over heeft gemaakt, beslissen wat er met de voorwerpen moet gebeuren. Dat betekent dat de voorwerpen 1, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11 en 13, die aan verdachte toebehoren, zullen worden verbeurdverklaard, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan. De overige voorwerpen mogen terug naar de rechthebbende.

11 Vorderingen van benadeelde partijen

11.1

Inleiding

In totaal twaalf van de zeventien slachtoffers hebben een vordering benadeelde partij ingediend.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle gevorderde schadevergoedingen toewijsbaar zijn en hij heeft ten aanzien van alle slachtoffers oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Bij de vordering van slachtoffer 16 heeft de officier van justitie opgemerkt dat de gevraagde vergoeding voor proceskosten, bestaande uit reiskosten van en naar de terechtzitting, moet worden afgewezen, omdat dit slachtoffer niet aanwezig was op de terechtzitting.

De rechtbank zal hieronder de vorderingen – gerangschikt per feit op de tenlastelegging – beoordelen, mede aan de hand van de al dan niet betwisting door (de raadsman van) verdachte van die vorderingen.

11.2

Beoordeling van de vorderingen

Feit 1

Slachtoffer 3

De benadeelde partij vordert € 1.486, - aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit:

  • -

    € 885, - kosten behandeling psycholoog, en

  • -

    € 601, - betalingen door afdreiging,

te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist voor zover die ziet op de betalingen door afdreiging.

Ten aanzien van de ‘kosten behandeling psycholoog’ heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat de kosten voor het eigen risico alleen maar toewijsbaar zijn als het eigen risico niet al verbruikt was. Dit verweer wordt verworpen, nu uit het door de benadeelde partij als bijlage A overgelegde overzicht blijkt dat het gehele gevorderde bedrag ziet op de niet vergoede kosten voor psychologische zorg.De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 4

De benadeelde partij vordert € 1.904,98 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 5

De benadeelde partij vordert € 616,31 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 6

De benadeelde partij vordert € 4.455,40 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit:

  • -

    € 385, - eigen risico 2020 (kosten behandeling traumaverwerking);

  • -

    € 1.630, - betalingen door afdreiging;

  • -

    € 1.202, - studiegeld, en

  • -

    € 1.238,40 telefoonrekening

en € 1.750, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist voor zover die ziet op betalingen door afdreiging, studiegeld en telefoonrekening. Ten aanzien van de ‘kosten behandeling traumaverwerking’ heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat de kosten voor het eigen risico alleen maar toewijsbaar zijn als het eigen risico niet al verbruikt was. Over de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman van verdachte onder verwijzing naar jurisprudentie in vergelijkbare zaken in zijn algemeenheid opgemerkt dat een bedrag van € 1.000, - aan immateriële schadevergoeding als uitgangspunt moet gelden.

Nu de psychologische behandeling is gestart in januari 2020 neemt de rechtbank aan dat het eigen risico over 2020 niet al verbruikt was, zodat ook dat bedrag zal worden toegewezen.

Gelet op de omschreven psychische gevolgen voor het slachtoffer acht de rechtbank een bedrag van € 1.750,00 aan immateriële schadevergoeding redelijk.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 7

De benadeelde partij vordert € 2.411, - aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 8

De benadeelde partij vordert € 636,77 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 10

De benadeelde partij vordert € 4.628,39 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, en € 1.350, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De hoogte van de vordering is niet betwist voor zover die ziet op betalingen door afdreiging. Over de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman van verdachte onder verwijzing naar jurisprudentie in vergelijkbare zaken in zijn algemeenheid opgemerkt dat een bedrag van € 1.000, - aan immateriële schadevergoeding als uitgangspunt moet gelden.

Gelet op de omschreven psychische gevolgen voor het slachtoffer acht de rechtbank een bedrag van € 1.350,00 aan immateriële schadevergoeding redelijk.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 14

De benadeelde partij vordert € 482,41 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, en € 1.500, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De hoogte van de vordering is niet betwist voor zover die ziet op betalingen door afdreiging. Over de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman van verdachte onder verwijzing naar jurisprudentie in vergelijkbare zaken in zijn algemeenheid opgemerkt dat een bedrag van € 1.000, - aan immateriële schadevergoeding als uitgangspunt moet gelden.

Gelet op de omschreven psychische gevolgen voor het slachtoffer acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding redelijk. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 16

De benadeelde partij vordert € 422,41 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is niet betwist voor zover die ziet op de gestelde betalingen door afdreiging in 2021. Voor zover de vordering ziet op de gestelde betalingen door afdreiging in 2020 is de vordering wel betwist.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel groot € 339,45 niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ten aanzien van dit bedrag, dat ziet op de gestelde betalingen door afdreiging in 2021, staat op basis van het dossier vast dat verdachte degene was die dit bedrag door afdreiging van de benadeelde partij heeft verkregen. Dat is niet het geval ten aanzien van de gestelde betalingen door afdreiging in 2020 door de benadeelde partij. De benadeelde partij zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat niet vast staat dat deze schade door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht. Hij kan dit deel van zijn vordering nog wel bij de civiele rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Die kosten worden tot op heden begroot op nihil. De door de benadeelde partij gevraagde vergoeding voor reiskosten in verband met het bezoeken van de terechtzitting wordt afgewezen, omdat de benadeelde partij niet is verschenen ter terechtzitting en deze kosten dus ook niet heeft gemaakt.

Slachtoffer 17

De benadeelde partij vordert € 3.013,47 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is betwist; de raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd.

De vordering zelf is inderdaad niet onderbouwd met stukken, maar bezien in samenhang met de aangifte en de daarbij overgelegde stukken is wel sprake van voldoende onderbouwing van de geleden schade, die door het onder 1 bewezenverklaarde aan de benadeelde partij is toegebracht.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Feit 2

Slachtoffer 2

De benadeelde partij vordert € 1.350, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

De vordering is betwist; de raadsman van verdachte heeft onder verwijzing naar jurisprudentie in vergelijkbare zaken in zijn algemeenheid opgemerkt dat een bedrag van

€ 1.000, - aan immateriële schadevergoeding als uitgangspunt moet gelden.

Gelet op de omschreven psychische gevolgen voor het slachtoffer acht de rechtbank een bedrag van € 1.350,00 aan immateriële schadevergoeding redelijk.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank dan ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Slachtoffer 9

De benadeelde partij vordert € 1.000, - aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

11.3

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de slachtoffers wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen, telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde voor zover dat ziet op (poging tot) afdreiging van andere personen dan de in de tenlastelegging nader aangeduide personen.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

afdreiging, meermalen gepleegd

2.

poging tot afdreiging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland in Enschede op het adres Molenstraat 50, 7514 DK Enschede . Veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Ambulante behandeling

Veroordeelde werkt mee aan een intake, diagnostiek en eventuele behandeling bij Transfore of soortgelijke instelling voor ambulante forensische GGZ, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- Meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- Andere voorwaarde het gedrag betreffende, dagbesteding

Veroordeelde heeft een dagbesteding in de vorm van werk (waarbij betrokkene een werkgever heeft die hem een bedrag uitbetaalt welke staat weergegeven op een salarisstrook) en/of school.

- Andere voorwaarde het gedrag betreffende, internetgebruik

Veroordeelde is open over zijn internetgebruik en geeft hier inzage in. Hij meldt welke gegevensdragers hij gebruikt en stemt in met controle op deze gegevensdragers, indien de reclassering hier een noodzaak toe ziet. Het is veroordeelde verboden zijn internetgeschiedenis te wissen en gebruik te maken van internet verhullende apps en/of programma’s.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van het beslag

Verklaart verbeurd:

- voorwerpen 1, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11 en 13 op de beslaglijst3.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- voorwerpen 2, 14 en 15 op de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

- voorwerpen 6, 7 en 12 op de beslaglijst.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

Feit 1

Slachtoffer 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.486, - (duizend vierhonderd zesentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 885, - kosten behandeling psycholoog en € 601, - betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 3.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 3 aan de Staat € 1.486, - (duizend vierhonderd zesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 24 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.904,98 (duizend negenhonderd vier euro en achtennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 4.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 4 aan de Staat € 1.904,98 (duizend negenhonderd vier euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 5

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 616,31 (zeshonderd zestien euro en eenendertig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 5.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 5 aan de Staat € 616,31 (zeshonderd zestien euro en eenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 6

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.455,40 (vierduizend vierhonderd vijfenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 385, - kosten behandeling traumaverwerking, € 1.630, - betalingen door afdreiging, € 1.202 studiegeld en € 1.238,40 telefoonrekening, en € 1.750, - (duizend zevenhonderd vijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 6.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 6 aan de Staat € 6.205,40 (zesduizend tweehonderdvijf euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 66 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 7

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.411, - (tweeduizend vierhonderdelf euro) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 7.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 7 aan de Staat € 2.411, - (tweeduizend vierhonderdelf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 34 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 8

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 636,77 (zeshonderd zesendertig euro) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 september 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 8.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 8 aan de Staat € 636,77 (zeshonderd zesendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 september 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 10

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.628,39 (vierduizend zeshonderd achtentwintig euro en negenendertig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, en € 1.350, - (duizend driehonderd vijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 10.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 10 aan de Staat € 5.978,30 (vijfduizend negenhonderd achtenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 augustus 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 64 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 14

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 482,41 (vierhonderd tweeëntachtig euro en eenenveertig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, en € 1.500, - (duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 14.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 14 aan de Staat € 1.982,41 (duizend negenhonderd tweeëntachtig euro en eenenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 16

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 339,45 (driehonderd negenendertig euro en vijfenveertig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 januari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 16 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van reiskosten ten bedrage van € 74,40 af.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 16 aan de Staat € 339,45 (driehonderd negenendertig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 januari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 17

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.013,47 (drieduizend dertien euro en zevenenveertig cent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit betalingen door afdreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 17.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 17 aan de Staat € 3.013,47 (drieduizend dertien euro en zevenenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 juni 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Feit 2

Slachtoffer 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.350, - (duizend driehonderd vijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 2.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 2 aan de Staat € 1.350, - (duizend driehonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 23 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Slachtoffer 9

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.000, - (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan slachtoffer 9.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 152, - (honderd tweeënvijftig euro).

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van slachtoffer 9 aan de Staat € 1.000, - (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en M. Wiewel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2021.

1 Dit is een verkort vonnis, omdat de bewijsmiddelen niet zijn opgenomen in het vonnis (zie ook rubriek 6).

2 Uit privacyoverwegingen worden de slachtoffers in deze zaak niet bij naam genoemd. De slachtoffers zijn genummerd in de tenlastelegging. Die nummering correspondeert met de zaaksdossiers, waarin de namen van de slachtoffers zijn terug te vinden.

3 Een afschrift van de beslaglijst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.