Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4654

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
25-10-2021
Zaaknummer
AWB 21/656
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden thuisprostitutie. Schending inlichtingenplicht. Ten onrechte een volledige WW-uitkering en ZW-uitkering aan eiseres uitbetaald. Uwv mocht terugvorderen en boete opleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/656

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres (hierna: [eiseres] )

(gemachtigde: mr. N. Rastegar),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: Uwv)

(gemachtigde: mr. J. Lam).

Procesverloop

Het Uwv heeft:

  • -

    geweigerd aan [eiseres] een ZW-uitkering toe te kennen per 23 april 2020;

  • -

    het besluit van 27 februari 2020, waarin aan [eiseres] een WW-uitkering met toeslag is toegekend per 10 februari 2020, ingetrokken;

  • -

    een bedrag van € 3.904,67 aan teveel ontvangen WW-uitkering en toeslag en een bedrag van € 605,40 aan teveel ontvangen ZW-uitkering en toeslag van [eiseres] teruggevorderd;

  • -

    aan [eiseres] een boete van € 2.255,04 opgelegd wegens het schenden van de informatieplicht;

  • -

    een bedrag van € 3.229,72, een bedrag van € 483,94 en een bedrag van € 2.255,04 van [eiseres] ingevorderd.

Met een beslissing op bezwaar van 23 december 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen voornoemde besluiten ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 juli 2021 door middel van een Skype-verbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1.1.

Met een besluit van 27 februari 2020 is per 10 februari 2020 aan [eiseres] een WW-uitkering toegekend. Ook ontvangt zij op deze uitkering een toeslag. De uitkering is per 10 mei 2020 beëindigd.

1.2.

Met een besluit van 8 mei 2020 is aan [eiseres] een ZW-uitkering met toeslag toegekend per 11 mei 2020. Deze uitkering is per 25 mei 2020 beëindigd, omdat [eiseres] volgens het Uwv per die datum hersteld is.

1.3.

Op 8 mei 2020 heeft het Uwv een anonieme melding ontvangen dat [eiseres] vanuit huis als prostituee werkt. Naar aanleiding van deze melding heeft het Uwv een onderzoek verricht. Hierbij zijn meerdere gesprekken met [eiseres] gevoerd en zijn door [eiseres] meerdere stukken overgelegd, waaronder bankafschriften van haar ING- en Rabobankrekening. Het verrichte onderzoek is vastgelegd in een onderzoeksrapport van 11 augustus 2020.

1.4.

Met een besluit van 2 september 2020 heeft het Uwv beslist dat [eiseres] geen recht heeft op een ZW-uitkering per 23 april 2020. Volgens het Uwv kan op basis van het verrichte onderzoek het recht, de hoogte en de duur van de ZW-uitkering niet worden bepaald. Daarmee heeft het Uwv het besluit van 8 mei 2020 waarin de ZW-uitkering per 11 mei 2020 is toegekend, ingetrokken.

1.5.

Met een ander besluit van 2 september 2020 heeft het Uwv zijn besluit van 27 februari 2020, waarin aan [eiseres] per 20 februari 2020 een WW-uitkering is toegekend, ingetrokken. Volgens het Uwv is gebleken dat deze beslissing niet juist is, omdat het recht op WW-uitkering niet kan worden vastgesteld vanaf 10 februari 2020.

1.6.

Met een brief van 9 september 2020 heeft het Uwv aan [eiseres] kenbaar gemaakt voornemens te zijn haar een boete op te leggen ter hoogte van € 2.255,04. Met een besluit van 5 oktober 2020 is de boete definitief aan [eiseres] opgelegd. Volgens het Uwv heeft [eiseres] zich niet aan de informatieplicht gehouden. Volgens het Uwv is het op basis van het onderzoek namelijk duidelijk dat [eiseres] tijdens de uitkeringsperiode van 10 februari 2020 tot en met 24 mei 2020 heeft geadverteerd via Kinky.nl en werkzaamheden heeft verricht in de thuisprostitutie.

1.7.

Met twee afzonderlijke besluiten van eveneens 5 oktober 2020 is € 3.904,67 aan te veel ontvangen WW-uitkering over de periode 1 februari 2020 tot en met 31 mei 2020 en € 605,40 aan te veel ontvangen ZW-uitkering over de periode 11 mei 2020 tot en met 24 mei 2020 van [eiseres] teruggevorderd.

1.8.

Met drie afzonderlijke besluiten van 13 oktober 2020 heeft het Uwv een bedrag van € 3.229,72 (netto), een bedrag van € 483,94 (netto) en de boete van € 2.255,04 van [eiseres] ingevorderd. Wanneer [eiseres] de ten onrechte ontvangen bedragen heeft terugbetaald vóór 2021 kan zij volstaan met het nettobedrag.

1.9.

[eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 2 september 2020, de besluiten van 5 oktober 2020 en de besluiten van 13 oktober 2020.

1.10.

Met het bestreden besluit heeft het Uwv de bezwaren van [eiseres] ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is uit het onderzoek naar aanleiding van de melding over prostitutiewerkzaamheden naar voren gekomen dat van [eiseres] ING- en Raborekening betalingen aan Midhold B.V. zijn verricht om advertenties van het account op Kinky.nl, welke aan [eiseres] oude e-mailadres is gekoppeld, hoger geplaatst te krijgen. Verder is volgens het Uwv gebleken dat op [eiseres] bankrekeningen betalingen van diverse mannen zijn ontvangen met onder andere omschrijvingen zoals ‘drankjes’, ‘lunch’, ‘boodschappen’, ‘liefdadigheid’, ‘bijdrage’, ‘kaartje’ en ‘pizza’. Volgens het Uwv heeft [eiseres] niet met tegenbewijs aannemelijk gemaakt dat zij de betalingen aan Midhold B.V. niet heeft gedaan en dat de betalingen van de diverse mannen zagen op spullen die ze aan hen had verkocht. Volgens het Uwv is het meer dan aannemelijk dat [eiseres] in de uitkeringsperiode van 10 februari 2020 tot en met 24 mei 2020 adverteerde via Kinky.nl en werkzaamheden verrichte in de thuisprostitutie. Omdat [eiseres] niet heeft aan willen geven hoeveel uren en inkomsten zij uit de werkzaamheden heeft ontvangen, is niet vast te stellen of [eiseres] recht had op de uitkeringen en toeslagen. Volgens het Uwv zijn de besluiten tot intrekking van de WW-uitkering en afwijzing van de ZW-uitkering en de terug- en invorderingen dan ook juist. Volgens het Uwv is er geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Ook de boete is volgens het Uwv terecht opgelegd, omdat [eiseres] de werkzaamheden niet heeft doorgegeven, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij dit had moeten doen. Er is volgens het Uwv geen reden om geen of verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

Standpunt [eiseres]

2. [eiseres] voert – samengevat – aan dat sprake is van meerdere motiveringsgebreken, nu het Uwv onvoldoende op haar bezwaargronden is ingegaan. Zo heeft zij aangevoerd dat alleen de ontvangen bedragen zonder duidelijke omschrijvingen moeten worden afgetrokken van de ontvangen uitkeringen. Hier is het Uwv volgens [eiseres] volledig aan voorbij gegaan. Daarnaast is ten aanzien van de IP-locaties waarvandaan betalingen zijn verricht aan Midhold B.V. aangevoerd dat geen van deze locaties de woonplaats van [eiseres] betreft. Het Uwv kan volgens [eiseres] dan niet volstaan met de mededeling dat [eiseres] een auto heeft en ook vanuit andere steden betalingen kan hebben verricht, met de telefoon uit de auto. Ook is in bezwaar aangevoerd dat een boete van 50% te hoog is, nu zij niet sterk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook dit is zonder goede motivering door het Uwv verworpen, aldus [eiseres] . Volgens [eiseres] kan haar slechts worden tegengeworpen dat vanuit één van de door haar gebruikte bankrekeningen een aantal betalingen is verricht aan Midhold B.V.. Dat dit bedrijf aan Kinky.nl is verbonden, wil volgens [eiseres] nog niet zeggen dat zij inkomsten genereerde. Ook blijkt daar niet uit hoeveel inkomsten zijn gegenereerd. Volgens [eiseres] zijn haar verklaringen gedaan tijdens de onderzoeken aannemelijk, ook al heeft zij die niet altijd kunnen staven met stukken.

Relevante regelgeving

3. De voor deze zaak relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Intrekking WW-uitkering en weigering ZW-uitkering

4.1.

Volgens vaste rechtspraak1 is een besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van een uitkering een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening, intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat [eiseres] in de relevante periode heeft gewerkt in de thuisprostitutie, zonder dit bij het Uwv te melden. Als het Uwv dit aannemelijk heeft gemaakt, dan ligt het op de weg van [eiseres] om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiseres] werkzaamheden in de thuisprostitutie heeft verricht. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat vanaf de twee bankrekeningen van [eiseres] wekelijks en soms dagelijks afschrijvingen plaatsvonden aan Midhold B.V., terwijl op hetzelfde moment credits werden bijgeschreven op het account van Kinky.nl. Deze credits werden gebruikt om de advertentie op Kinky.nl omhoog te plaatsen. Dit account van Kinky.nl is gekoppeld aan het (oude) e-mailadres van [eiseres] . Daarnaast zijn er in de betreffende periode regelmatig bedragen van met name tussen de € 50,- en € 150,- van mannen bijgeschreven op de bankrekeningen van [eiseres] . Sommige van deze bijschrijvingen hadden geen beschrijving. Op de ING-rekening van [eiseres] stonden bij de bijschrijvingen algemene omschrijvingen zoals ‘drankjes’, ‘lunch’, ‘boodschappen’, ‘liefdadigheid’, ‘bijdrage’, ‘kaartje’ en ‘pizza’ die veelal correspondeerden met hoge bedragen. Het betrof allemaal ronde bedragen, waarvan niet aannemelijk is dat ze daadwerkelijk zagen op de beschrijving: bijvoorbeeld ‘pizza’ bij € 150,-, of ‘kaartje’ bij € 90,- of ‘drankjes’ bij bijschrijvingen van € 150,- en € 90,-. Gelet op het bovenstaande in samenhang bezien is het naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eiseres] werkzaamheden in de thuisprostitutie heeft verricht.

4.3.

Het is vervolgens dus aan [eiseres] om de onjuistheid hiervan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. Dit heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat de betaalrekening van de ING – anders dan door [eiseres] is gesteld – wel veelvuldig wordt gebruikt. Ook haar bankrekening van de Rabobank werd wekelijks gebruikt. Het standpunt dat iemand anders ongemerkt de afschrijvingen van haar bankrekeningen heeft gedaan heeft [eiseres] niet aannemelijk kunnen maken. Zo heeft zij niet kunnen noemen wie zo regelmatig toegang had tot haar bankrekeningen en heeft zij haar vermoeden niet kunnen onderbouwen. Bovendien heeft [eiseres] in het tweede gesprek verklaard dat zij haar bankgegevens heeft beveiligd, maar ook na die beveiliging zijn er nog betalingen vanaf haar Rabobankrekeningaan Midhold B.V. gedaan en zijn credits op het account van Kinky.nl bijgeschreven. Hier heeft [eiseres] geen verklaring voor kunnen geven. Ook de stelling dat de tikkies en overschrijvingen door mannen is te verklaren door Marktplaats verkopen heeft [eiseres] niet kunnen onderbouwen. Zij heeft geen enkele verkoopadvertentie kunnen tonen en geen aankoopbewijzen kunnen overleggen voor de gestelde verkopen, terwijl het om frequente bijschrijvingen ging van niet geringe bedragen. Overigens vindt de rechtbank het ook niet geloofwaardig dat kopers van Marktplaats akkoord zouden gaan met de eerder genoemde omschrijvingen als het de aankoop van goederen betrof. Het Uwv is verder naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingegaan op de bezwaargronden van [eiseres] . Van een motiveringsgebrek is de rechtbank dan ook niet gebleken. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dus sprake geweest van werkzaamheden die [eiseres] in het kader van haar inlichtingenplicht aan het Uwv had moeten melden.

4.4.

Doordat [eiseres] in het geheel geen inzage heeft gegeven in de door haar verrichte activiteiten als thuisprostituee en geen stukken heeft overgelegd waaruit op verifieerbare wijze de omvang van haar werkzaamheden blijkt, was het voor het Uwv niet mogelijk de omvang van de door haar gewerkte uren in deze periode vast te stellen of een beredeneerde schatting te maken. Het Uwv is dan ook terecht tot intrekking van de WW-uitkering en toeslag en weigering van de ZW-uitkering en toeslag overgegaan.

Terugvorderingen

5.1.

Gelet op het voorgaande is ten onrechte een volledige WW-uitkering en ZW-uitkering aan [eiseres] uitbetaald door het Uwv over de periode 10 februari 2020 tot en met 24 mei 2020. Het Uwv heeft een bedrag van € 3.904,67 aan WW-uitkering en een bedrag van € 605,40 aan ZW-uitkering teruggevorderd.

5.2.

Het Uwv is gehouden om het ten onrechte betaalde bedrag terug te vorderen.2 Het Uwv kan alleen afzien van terugvordering als daarvoor dringende redenen bestaan. Van een dringende reden kan volgens vaste rechtspraak slechts sprake zijn indien terugvordering voor de betrokkene tot onaanvaardbare sociale of financiële consequenties zal leiden. Het moet gaan om een incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt. De rechtbank oordeelt dat – gelet op wat [eiseres] heeft aangevoerd – van een dergelijke dringende reden niet is gebleken.

Boete

6.1.

Volgens vaste rechtspraak3 is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening, of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat [eiseres] haar inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv geen mededeling te doen van haar werkzaamheden als thuisprostituee.

6.2.

Met de bevindingen uit het onderzoeksrapport heeft het Uwv aangetoond dat [eiseres] over de uitkeringsgerechtigde periode werkzaamheden heeft verricht als thuisprostituee. Nu [eiseres] daarvan geen melding bij het Uwv heeft gemaakt, heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden. [eiseres] kan hier een verwijt van worden gemaakt. Dit betekent dat het Uwv gehouden was een boete op te leggen.

6.3.

Uit artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten volgt dat een beboetbare gedraging bij ‘gewone’ verwijtbaarheid (geen opzet of grove schuld) leidt tot een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat zij primair helemaal niet verwijtbaar is en subsidiair verminderd verwijtbaar, omdat haar enkel verweten kan worden de Marktplaats inkomsten niet te hebben doorgegeven aan het Uwv. Zoals overwogen heeft het Uwv aangetoond dat [eiseres] werkzaamheden als thuisprostituee heeft verricht en vindt de rechtbank de verklaring van [eiseres] dat sprake was van Marktplaats verkopen niet aannemelijk. Ook anderszins is niet gebleken van verminderde verwijtbaarheid. Het had [eiseres] duidelijk moeten zijn dat zij de inkomsten uit de thuisprostitutie had moeten melden. Het Uwv is dan ook terecht uitgegaan van ‘gewone’ verwijtbaarheid. Van een motiveringsgebrek is ook hier niet gebleken.

Invorderingsbesluiten

7. Voor wat betreft de invorderingsbesluiten stelt de rechtbank vast dat hiertegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd, zodat een beoordeling van deze besluiten achterwege kan blijven.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage bij de uitspraak in de zaak AMS 21/656 inzake [eiseres]

Relevante bepalingen uit de Werkloosheidswet (WW)

Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering of trekt het dat in indien het niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV teruggevorderd.

Relevante bepalingen uit de Ziektewet (ZW)

Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de ZW, voor zover hier van belang, herziet verweerder een besluit tot toekenning van ziekengeld indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 31 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 31 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 31, eerste lid, van de ZW bepaalt dat de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens inkomen geniet, verplicht is hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen. Op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW wordt inkomen op het ziekengeld in mindering gebracht.

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW wordt het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door verweerder teruggevorderd. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Op grond van artikel 45a, eerste lid, van de ZW legt het Uwv een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 31.

Relevante bepalingen uit het Boetebesluit socialezekerheidswetten

Op grond van artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag wanneer geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting.

Op grond van artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766.

2 Dit volgt uit artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100.