Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4590

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
96-289161-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een metroreiziger in Amsterdam die de mondkapjesplicht op 9 juni 2020 negeerde, is terecht beboet. Hij moet de boete van 95 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 96-289161-20

Datum uitspraak 1 september 2021

op tegenspraak

VONNIS

van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats]

De kantonrechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 4 maart 2021, 8 juli 2021 en 23 augustus 2021.

De verdachte heeft tijdig verzet ingesteld tegen de strafbeschikking van 9 juli 2020. Verdachte is ontvankelijk in zijn verzet.

1 Tenlastelegging

hij op of omstreeks 9 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, gebruikmakende van het openbaar vervoer en/of de daartoe behorende voorzieningen, te weten een metro, zich toen zodanig heeft gedragen dat de orde en/of rust en/of veiligheid en/of de goede bedrijfsgang werd verstoord of kon worden verstoord door het veroorzaken van hinder en/of gevaar, immers heeft hij niet het verplicht gestelde mondkapje gedragen.

2 Voorvragen

De oproeping is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de strafbeschikking van 9 juli 2020 zal worden vernietigd en dat de verdachte voor het hem ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 95,00, bij uitblijven van betalen te vervangen door één dag hechtenis.

De officier van justitie voert daartoe aan dat uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 31 augustus 2020 blijkt dat de verdachte op 9 juni 2020 in de metro geen mondkapje droeg. De verbalisant vroeg aan de verdachte of hij hiervoor toestemming had van de vervoerder. De man antwoordde: "Nee die heb ik niet, ben [ik] vergeten." In het proces-verbaal is eveneens vermeld dat de verbalisant zag dat andere reizigers geïrriteerd richting de verdachte keken. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 72 van de Wet Personenvervoer 2000; het veroorzaken van hinder en/of gevaar waardoor de orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang werd verstoord of kón worden verstoord.

Vanaf 1 juni 2020 is het gebruik van mondkapjes in het OV verplicht. De verplichting een mondkapje te dragen in het OV is niet als zodanig opgenomen in de noodverordeningen. De noodverordening verplicht wel de uitvoerders van het openbaar vervoer het vervoer zo in te richten dat reizigers in het vervoermiddel een mondkapje dragen. Handhaving van de mondkapjes-draagplicht zelf vond plaats op grond van artikel 72 van de Wet Personenvervoer 2000 (WPV) juncto artikel 52 Besluit Personenvervoer 2000. De reiziger die geen mondkapje draagt handelt enerzijds in strijd met de vervoersvoorwaarden en handelt anderzijds in strijd met de verwachtingen die andere reizigers van hun medereiziger mogen hebben, namelijk dat iedere reiziger zich aan alle regels en maatregelen houdt in het kader van de beheersing van de Corona-epidemie. Wanneer een individuele reiziger zich niet aan die regels houdt is dat juist vanwege dat verstoorde verwachtingspatroon dat bij andere reizigers onrust wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt.

Nu de bescherming van de gezondheid niet het enige uitgangspunt is voor de handhaving op basis van artikel 72 WPV, kan de formele discussie of en in welke mate het dragen van een mondkapje bijdraagt aan het verminderen van de besmettingsrisico's in het midden blijven.

Er kan sprake zijn van omstandigheden, waarin het bestaan van medische noodzaak het gebruik van een mondkapje uitsluit, maar nu verdachte bij de staandehouding niets heeft verklaard over medische omstandigheden, is dit onvoldoende aannemelijk geworden.

Naar aanleiding van het verweer van de verdediging dat een wet in materiële zin geen inperking van een grondrecht kan betekenen, voegt de officier nog aan het voorgaande toe dat de noodverordeningen op grond van artikel 7 van de Wet op de Publieke Gezondheid (WPG) van kracht zijn geworden, zodat deze wel zijn gebaseerd op een wet in formele zin.

De officier stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de strafbeschikking te vernietigen en verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.

Uiterst subsidiair verzoekt de verdediging een rechterlijk pardon ex artikel 9a Sr (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel), dan wel een geheel voorwaardelijke sanctie op te leggen.

Verdachte heeft zich niet schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 72 Wet personenvervoer 2000. Hij heeft de orde, rust of veiligheid niet verstoord door het veroorzaken van hinder of gevaar. Het is immers niet aangetoond dat het dragen van niet-medische mondkapjes effectief is, integendeel. Men brengt zichzelf schade toe met het dragen van niet-medische mondkapjes. Het aan verdachte ten laste gelegde feit kan daarom niet worden bewezen. Er is geen sprake van concrete hinder. Dat er medereizigers geïrriteerd naar de verdachte zouden hebben gekeken, omdat verdachte geen mondkapje droeg, is slechts een invulling van de gedachten van de medereizigers door de verbalisant. Dat is onvoldoende om te kunnen spreken van hinder, veroorzaakt door verdachte.

Het verplicht stellen van het dragen van een mondkapje is in strijd met het zelfbeschikkingsrecht en vormt een disproportionele inbreuk op de grondrechten. De noodverordening op grond waarvan de plicht tot het dragen van mondkapjes is ingevoerd is een wet in materiële zin en deze mag niet de grondrechten van burgers inperken. Er is geen sprake van een wet in formele zin. Op grond van artikel 73 Wet Personenvervoer kunnen geen aanwijzingen worden gegeven die een inperking vormen op het grondrecht. Er dient getoetst te worden aan het evenredigheidsbeginsel.

De COVID-regelgeving is pas vanaf december 2020 verankerd in de wet. Voor die tijd was er geen wettige mogelijkheid om het dragen van een mondkapje te verplichten. Dat dit zou kunnen op grond van de Wet op de Publieke Gezondheid is niet juist.

Oordeel van de kantonrechter

Vaststaat dat verdachte op 9 juni 2020 gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer in Amsterdam, te weten de metro, zonder een mondkapje te dragen. Dit kan worden vastgesteld op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 31 augustus 2020.

De vraag ligt voor of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000, zoals aan hem ten laste is gelegd.

In de Noodverordening van de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland houdende voorschriften ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus/COVID-19 van 1 juni 2020 is in artikel 2.6 onder meer het volgende bepaald:
“1. Vervoerders richten voorzieningen voor openbaar vervoer (…) zodanig in en nemen daarmee samenhangende maatregelen, zodat reizigers in staat worden gesteld zoveel mogelijk een afstand van tenminste 1,5 meter ten opzichte van alle andere in de voorzieningen aanwezige personen in acht te nemen en reizigers van 13 jaar en ouder een niet-medisch mondkapje dragen in voertuigen en vaartuigen.”

Op grond van deze bepaling hebben de vervoerders met ingang van 1 juni 2020 maatregelen moeten nemen die ertoe strekken dat reizigers in het openbaar vervoer vanaf 1 juni 2020 een mondkapje dragen. Iedere vervoerder heeft vervolgens zijn eigen voorwaarden en aanwijzingen aangepast met het oog op de mondkapjesplicht. In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] staat beschreven dat bij de ingangen van de metrostations en in de metrolijn zelf de verplichting om een mondkapje te dragen op stickers stond aangegeven en dat dit herhaaldelijk in het Nederlands en het Engels werd omgeroepen.

Artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000 luidt als volgt:

Het is een ieder verboden zich in een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel in of in de onmiddellijke nabijheid van een station, halteplaats, of een andere bij het openbaar vervoer behorende voorziening en de daarbij behorende perrons, trappen, tunnels en liften zodanig te gedragen dat orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang wordt of kan worden verstoord.”

Artikel 52 van het Besluit personenvervoer 2000 gaat nader in op wat wordt verstaan onder verstoring van de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang als bedoeld in artikel 72 Wet personenvervoer 2000. In de onderhavige zaak is artikel 52 van het Besluit personenvervoer eerste lid onder l van belang: “op een andere wijze hinder, gevaar, verontreiniging of beschadiging veroorzaken of kunnen veroorzaken”.

Uit de toelichting (staatsblad 2000, 563) op artikel 52 van het Besluit volgt dat onderdeel l van dat artikel als vangnet dient voor alle gedragingen die hinderlijk of gevaarlijk zijn of kunnen zijn of verontreiniging of beschadiging veroorzaken of kunnen veroorzaken.

Het niet dragen van een mondkapje in het openbaar vervoer op 9 juni 2020 kan gelet op de toenmalige omstandigheden worden aangemerkt als gedrag dat hinder kan veroorzaken. Of daadwerkelijk hinder is veroorzaakt door het niet dragen van het mondkapje is gelet op het voorgaande niet van belang. In dit concrete geval staat evenwel in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 31 augustus 2020 beschreven dat andere reizigers geïrriteerd naar verdachte keken, zodat in zoverre kan worden gezegd dat concreet hinder is veroorzaakt. Anders dan verdachte aanvoert betreft de waarneming van de verbalisant dat andere reizigers geïrriteerd naar verdachte keken een feitelijke aangelegenheid, die ook wordt verklaard door de omstandigheid dat die andere reizigers mochten aannemen dat verdachte hen door zijn gedrag blootstelde aan een verhoogd risico op het besmet raken met
covid-19.

4 De bewezenverklaring


De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 juni 2020 te Amsterdam, gebruikmakende van het openbaar vervoer en de daartoe behorende voorzieningen, te weten een metro, zich zodanig heeft gedragen dat de goede bedrijfsgang werd verstoord of kon worden verstoord door het veroorzaken van hinder, immers heeft hij niet het verplicht gestelde mondkapje gedragen.

De kantonrechter grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat:
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting;
- Het proces-verbaal met bonnummer 090620201711071609 van 31 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] .

5 De strafbaarheid

Namens verdachte is onder meer aangevoerd dat het verplichten van een mondkapje een schending vormt van zijn grondrechten en dat het dragen van een niet-medisch mondkapje niet aantoonbaar effectief is gebleken en zelfs schadelijk is voor het lichaam. In dat verband wordt het volgende overwogen.

Grondrechten kunnen horizontale werking hebben, zodat deze ook – zoals in dit geval – gelden tussen private partijen onderling. De kantonrechter moet daarom beoordelen of de mondkapjesplicht een inbreuk vormde op de grondrechten van de verdachte en, zo ja, of deze gerechtvaardigd was.

Voor zover er door het invoeren van de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer al sprake is van inbreuk op een grondrecht is deze inbreuk beperkt en naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd. Betrokkene werd immers alleen beperkt in zijn keuzevrijheid ten aanzien van het wel of niet dragen van een mondkapje, of het wel of niet gebruikmaken van het openbaar vervoer. Daar staat tegenover dat de vervoerder op grond van de Wet personenvervoer 2000 gerechtigd is tot het geven van aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang. De vervoerder had een goede reden voor het geven van deze aanwijzing. De Coronacrisis duurde voort. De Coronamaatregelen, die ter beheersing van deze crisissituatie, voor de gemeente Amsterdam waren neergelegd in elkaar opvolgende Noodverordeningen droegen de vervoerder vanaf 1 juni 2020 op (in artikel 2.6 dan wel 2.7) om maatregelen te treffen opdat door alle reizigers van 13 jaar en ouder een niet-medisch mondkapje zou worden gedragen in het openbaar vervoer. Dat er, zoals verdachte heeft aangevoerd, een discussie wordt gevoerd over de effectiviteit van mondkapjes doet niet af aan de bevoegdheid (en de verplichting) van de vervoerder om het dragen daarvan in het openbaar vervoer verplicht te stellen.

De vervoerder is bij het invoeren van de mondkapjesplicht bovendien zorgvuldig te werk gegaan door over deze aanwijzing en andere maatregelen die een veilige reis van reizigers en OV-medewerkers moesten waarborgen, vooraf afspraken te maken met verschillende betrokken partijen, zoals het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, provincies en consumentenorganisaties. Deze afspraken zijn vastgelegd in het “Protocol – verantwoord blijven reizen in het openbaar vervoer”, versie 14 mei 2020 (het Protocol). Voorts zijn tussen vervoerder en politie in de “Handreiking handhaving Boa’s domein IV Covid-19” (de Handreiking) afspraken gemaakt over het toezicht en handhaving van de mondkapjesplicht. In de Handreiking is voorzien dat mensen met een beperking zich mogelijk niet aan alle regels zouden kunnen houden, en dat daarvoor in praktijk een oplossing moest worden gevonden. Dat verdachte dergelijke beperkingen had, is niet onderbouwd gesteld en ook niet gebleken.

Voorts geldt dat de vervoerder de mondkapjesplicht aan de reizigers op de eerder genoemde wijzen duidelijk kenbaar heeft gemaakt.

Het feit is derhalve strafbaar.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 Waarschuwing

De kantonrechter heeft in eerdere strafzaken – zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2021:3856 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3856) – geoordeeld dat uit het ten tijde van de verweten gedraging geldende Protocol en de Handreiking een waarschuwingsplicht volgt voor de verbalisant die een overtreding constateert van de per 1 juni 2020 in het openbaar vervoer geldende mondkapjesplicht.

In deze zaak is uit het proces-verbaal van 31 augustus 2021 niet gebleken dat de verbalisant [verbalisant] verdachte eerst een waarschuwing heeft gegeven. De verbalisant heeft direct besloten om een boete op te leggen. Deze handelwijze is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met bovengenoemd handhavingskader, waaruit een waarschuwingsplicht valt af te leiden die in casu dus niet is nagekomen. Echter, in onderhavige zaak is uit te sluiten dat verdachte een mondkapje zou hebben opgezet als de verbalisant hem overeenkomstig de geldende richtlijnen een waarschuwing had gegeven. Immers, de verdachte heeft tegenover de verbalisant verklaard geen mondkapje bij zich te hebben. Nu een waarschuwing geen effect zou hebben gehad, wordt het uitblijven daarvan niet meegewogen bij de straftoemeting.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 95,- bij uitblijven van betaling te vervangen door één dag hechtenis.

De kantonrechter houdt bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze uit de stukken gebleken, waaronder het gegeven dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit als het onderhavige is veroordeeld.

De kantonrechter is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000 en artikel 52 Besluit Personenvervoer 2000.

9 Beslissing

Vernietigt de eerdere strafbeschikking.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de overtreding van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 95,-.

Beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van 1 dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgesproken door voornoemde kantonrechter, ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2021.