Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4507

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
C/13/703113 / HA RK 21-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzet ex artikel 29 lid 1 Wgbz ongegrond verklaard. Weliswaar is het verzoek ten aanzien van beide verzoeksters gelijkluidend, maar dient aan de hand van de bijgevoegde stukken per verzoekster een beoordeling plaats te vinden. Artikel 15 lid 1 Wgbz gaat dus niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/703113 / HA RK 21-191 EAM/CB

Beschikking van 24 juni 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HELEOS ENERGY HOLDING B.V.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HELEOS ENERGY B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

verzoeksters,

advocaat mr. P.J. van der Korst te Amsterdam,

tegen

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK AMSTERDAM,

verweerder.

1 Verloop van de procedure

Bij brief van 11 mei 2021, gericht aan het team Insolventie, is mr. Van der Korst namens verzoeksters in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier om tweemaal een bedrag van € 667,-- aan griffierecht te heffen in plaats van eenmaal.

De griffier van het team Insolventie heeft hierop bij brief van 25 mei 2021 gereageerd en – kort gezegd – meegedeeld dat geen aanpassing van het griffierecht zal plaatsvinden.

Bij brief van 8 juni 2021 heeft mr. Van der Korst alsnog verzocht om een beslissing op het verzet.

Daarop heeft de griffier het verzet alsnog doorgezonden naar het bureau van de voorzieningenrechter met het verzoek dit in behandeling te nemen.

De griffier heeft op 22 juni 2021 een korte reactie op het verzet gegeven.

Vervolgens is de beschikking bepaald op heden.

2 Gronden van de beslissing

2.1.

Mr. Van der Korst heeft op 2 april 2021 bij het team Insolventie van deze rechtbank namens verzoeksters een verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift strekt ertoe om aan beide verzoeksters surseance van betaling te verlenen. Het verzoekschrift is tweemaal geregistreerd onder nummers FT RK 21-326 en FT RK 21-327. Aan mr. Van der Korst is tweemaal een bedrag van € 667,--- aan griffierecht in rekening gebracht dat door middel van overboeking van zijn rekening-courant is voldaan.

2.2.

Verzoeksters maken bezwaar tegen het twee maal in rekening brengen van griffierecht. Zij stellen dat op grond van artikel 15 Wgbz van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en een gelijkluidend verzoekschrift indienen slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven. Bij arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1515) is bepaald dat voor indiening van een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van zowel een vennootschap onder firma als haar vennoten slechts eenmaal griffierecht dient te worden geheven. Dat behoort om dezelfde redenen ook te gelden in dit geval, dat wil zeggen de aanvraag van een surseance van de holding en haar 100% dochtermaatschappij. Verzoeksters verzoeken dan ook eenmaal het griffierecht van € 667,-- te crediteren.

2.3.

De griffier heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt er op neer dat er geen sprake is van gelijkluidende verzoekschriften, maar van twee afzonderlijke verzoeken van twee verschillende rechtspersonen. Het arrest van de Hoge Raad gaat in dit geval niet op.

3 De beoordeling

3.1.

Het door verzoeksters ingediende verzet is tijdig ingesteld.

3.2.

Artikel 15 lid 1 Wgbz bepaalt dat van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven. Hetzelfde geldt voor verzoekers en belanghebbenden die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften of verweerschriften indienen.

3.3.

In het verzoekschrift wordt voor elk van de verzoeksters verzocht om surseance te verlenen. Weliswaar is het verzoek ten aanzien van beide verzoeksters gelijkluidend, maar dient aan de hand van de bijgevoegde stukken (die niet gelijkluidend zijn) per verzoekster (lees rechtspersoon) te worden beoordeeld of surseance kan worden verleend. Op zich rechtvaardigt dat reeds heffing van het griffierecht van elk van de verzoeksters. In het aangehaalde arrest van de Hoge Raad ging het om een vennootschap en haar vennoten. De Hoge Raad overwoog in dat arrest onder meer:

“Gelet op art. 18 WvK en de wenselijkheid dat de faillissementen van de vof en van de vennoten zoveel mogelijk tegelijk worden uitgesproken en afgewikkeld, verdient het overigens aanbeveling dat deze verzoeken zoveel mogelijk tezamen worden gedaan en behandeld.”

In casu gaat het hier om twee afzonderlijke rechtspersonen die behoren tot dezelfde groep, maar zijn de overige door de Hoge Raad geschetste omstandigheden niet van toepassing.

3.4.

Het verzet tegen de beslissing van de griffier is gelet op het voorgaande dan ook ongegrond.

4 De beoordeling

De rechtbank

verklaart het verzet tegen de beslissing van de griffier ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Messer, rechter, op 24 juni 2021.1

1 type: CB coll: BB