Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4483

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
13/751658-21
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Polen; de rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW; overlevering toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751658-21

RK nummer: 21/3449

Datum uitspraak: 19 augustus 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2021 door the Regional Court in Rybnik 3rd Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [gebooortedag] 1998,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 augustus 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.


Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the District Court of Żory dated 04.10.2018 (II K 404/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 17 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van 28 juli 2021 blijkt dat de dagvaardingen werden gestuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor op 26 juni 2018 heeft opgegeven.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij onder elektronisch toezicht stond in deze zaak, welk toezicht is opgeheven, omdat hij een keer te laat thuis kwam. Hij is toen weer vastgezet, maar zijn Poolse advocaat heeft hem vrij gekregen. Hij heeft toen nog één keer contact gehad met zijn Poolse advocaat en is vervolgens – twee maanden na zijn vrijlating – vertrokken naar Nederland, zonder iemand daarvan op de hoogte stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden, dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert, omdat hij klaarblijkelijk wist dat er een strafproces tegen hem liep en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet

6 Artikel 11 OLW

De advocaat heeft zich primair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, subsidiair heeft hij aangevoerd dat het onderzoek ter zitting moet worden geschorst in afwachting van de voorgenomen prejudiciële vragen van The Supreme Court in Ierland.

The Supreme Court in Ierland heeft bij uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken [naam gevoegde zaak 1] and [naam gevoegde zaak 2] v. Minister for Justice and Equality1 het voornemen geuit om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), naar aanleiding van ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat, die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586, in het bijzonder ontwikkelingen die zich vanaf 24 februari 2020 (de rechtbank begrijpt: 14 februari 2020)2 hebben voorgedaan. Deze vragen hebben – kort gezegd – betrekking op ogenschijnlijke gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen en de gevolgen daarvan voor de toelaatbaarheid van overleveringen aan Polen in algemene zin.

Gelet op de aanleiding voor de te stellen prejudiciële vragen, is de rechtbank van oordeel dat de antwoorden daarop slechts relevant (kunnen) zijn voor zaken waarin sprake is van een verzoek tot overlevering ten behoeve van de strafvervolging dan wel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een op of ná 14 februari 2020 opgelegde vrijheidsstraf. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake. De rechtbank zal dan ook niet het onderzoek aanhouden.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 6, 8, 175 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rybnik 3rd Criminal Division (Polen).


Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. E.G.M.M. van Gessel en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 https://courts.ie/acc/alfresco/69dfc107-7a5e-4212-a4a8-e27250205b87/2021_IESC_46.pdf/pdf#view=fitH.

2 Te weten: de datum dat de ‘law on the judiciary of 20 December 2019’ in werking is getreden.