Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4475

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
C/13/704064 / FT RK 21.587
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing Rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad in het kader van een besloten WHOA procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0257
NJF 2021/428
PJ 2021/133 met annotatie van E. Lutjens
RI 2021/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank AMSTErDAM

Team insolventie

rekestnummer: C/13/704064 / FT RK 21.587

vonnis van 23 augustus 2021 in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. E. Walinga, kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen: [verzoekster] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 5 augustus 2021;

- de akte uitlaten rechtsvragen (392 Rv) van zowel verzoekster als [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) van 11 augustus 2021;

- de beschikking van 19 augustus 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De standpunten

2.1.

Bij het (tussen)vonnis van 5 augustus 2021 zijn partijen op de voet van artikel 392 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de Hoge Raad rechtsvragen te stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

2.2.

[verzoekster] en [betrokkene] hebben vervolgens een akte genomen.

2.3.

[verzoekster] heeft – kort weergegeven – de volgende opmerkingen gemaakt:

2.3.1.

[verzoekster] is van mening dat het stellen van een prejudiciële vraag niet noodzakelijk is aangezien er voldoende aanknopingspunten zijn om de vraag nu al negatief te beantwoorden. Immers de gebondenheid van het bedrijfstakpensioenfonds aan een gehomologeerd akkoord brengt geen (aanwijsbare) wijziging in de rechten van (individuele) werknemers van [verzoekster] . Daarmee is de uitzondering van artikel 369 lid 4 Fw niet van toepassing.

2.4.

[betrokkene] heeft vervolgens – kort weergegeven – het volgende opgemerkt:

2.4.1.

[betrokkene] kan zich vinden in het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen. [betrokkene] is inmiddels in meerdere WHOA procedures geconfronteerd met de vraag of pensioenpremies onder het bereik van de WHOA vallen. Verder heeft [betrokkene] vernomen dat ook andere pensioenfondsen met dezelfde vraag in WHOA procedures zijn geconfronteerd. [betrokkene] stelt voor de vraag te veralgemeniseren in die zin dat de vraag de positie behelst van ‘bedrijfstakpensioenfondsen in de zin van de wet Bpf 2000’. Verder verzoekt zij om aan de Hoge Raad ook een vraag voor te leggen met betrekking tot de beoordeling van de voor haar geldende ‘best interest of creditors test’ als bedoeld in artikel 384 lid 3 Fw.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 392 lid 3, eerste volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vra(a)g(en) worden gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt.

3.2.

Het onderwerp van geschil is, kort gezegd, of de vordering van [betrokkene] valt onder de reikwijdte van artikel 369 lid 4 Fw. [verzoekster] exploiteert een hotelbedrijf dat door de COVID-19 maatregelen is getroffen. [verzoekster] heeft haar schuldeisers een akkoord aangeboden. Uit het stemverslag ex artikel 382 Fw blijkt dat alle klassen hebben ingestemd met het akkoord, nu de voorstemmers in alle klassen twee derde vertegenwoordigen van het totaal bedrag aan vorderingen behorend tot de schuldeisers die binnen hun klasse een stem hebben uitgebracht. [betrokkene] heeft een verzoek tot afwijzing van de homologatie gedaan op grond van de toepasselijkheid van één of meer afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 Fw.

3.3.

Anders dan [verzoekster] stelt is de rechtbank van oordeel dat, zoals uiteengezet in het (tussen)vonnis van 5 augustus 2021, er ondanks de verschillende aanknopingspunten voldoende reden is om een prejudiciële vraag te stellen. In het door [verzoekster] aangevoerde ziet de rechtbank geen reden om hier thans van af te zien.

3.4.

Uit de door [betrokkene] aangevoerde omstandigheden dat meerdere bedrijfspensioenfondsen - en dus niet slechts [betrokkene] – met dezelfde vraag zijn geconfronteerd in WHOA procedure, blijkt voldoende dat deze vraag de bedrijfspensioenfondsen in de zin van de wet Bpf 2000 in het algemeen raakt. De rechtbank ziet de wenselijkheid van de door [betrokkene] voorgestelde veralgemenisering van de vraag in en zal de vraag in die zin dan ook herformuleren.

Het verzoek van [betrokkene] om de vraagstelling uit te breiden met een vraag over de toepassing van artikel 384 lid 3 Fw zal worden afgewezen. Na beantwoording van de vraag over de reikwijdte van artikel 369 lid 4 FW door de Hoge Raad acht de rechtbank zich vooralsnog voldoende in staat om een beslissing te nemen met betrekking tot de toets van artikel 384 lid 3 Fw.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvraag:

Is op grond van artikel 369 lid 4 Fw het in afdeling 2, titel 4 Faillissementswet bepaalde (de WHOA) van toepassing op vorderingen van de bedrijfspensioenfondsen in de zin van de wet Bpf 2000 betreffende achterstallige pensioenpremies?

4.2.

draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit vonnis en een afschrift van het tussenvonnis van 5 augustus 2021 aan de Hoge Raad te zenden;

4.3.

draagt de griffier op afschriften van andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden;

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gegeven door mr. A.E. de Vos, voorzitter, mr. M.C. Bosch en
mr. V.G.T. van Emstede, rechters en in aanwezigheid van F.T.M. Bruning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2021.