Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:4452

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
C/13/702585 / KG ZA 21-431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen distributeur en producent van de televisieserie Keizersvrouwen. Aanleiding hiervoor was een brief die de producent ‘achter de rug van de distributeur om’ naar Netflix zou hebben verzonden. Vorderingen over en weer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/702585 / KG ZA 21-431 MDvH/MV

Vonnis in kort geding van 19 augustus 202124 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOURCE INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 2 juni 2021,

verweerster in reconventie,

advocaten mr. Th.J. Bousie en mr. T.A.E. Bossen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KEIZERSVROUWEN PRODUCTION B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.J.F. Wigman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook Source, KVP en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 22 juni 2021 heeft Source de dagvaarding toegelicht. KVP en [gedaagde 2] hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Ook hebben zij een conclusie van eis in reconventie ingediend alsmede een akte wijziging eis in reconventie. Source heeft de eis in reconventie bestreden.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van Source: [naam 1] ( [functie] ) en [naam 2] met
mr. Bousie en mr. Bossen;

aan de zijde van gedaagden: [gedaagde 2] en [naam 3] met mr. Wigman.

1.3.

Na verder debat is het kort geding pro forma aangehouden tot 3 augustus 2021 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te treffen, die eruit zou moeten bestaan dat partijen het eens zouden worden over een gezamenlijke brief aan Netflix.

1.4.

Bij e-mail van 30 juli 2021 heeft mr. Bossen de voorzieningenrechter bericht dat geen schikking is getroffen en verzocht vonnis te wijzen. Vonnis is vervolgens bepaald op 24 augustus 2021.

2 De feiten

2.1.

Source is een filmdistributiebedrijf dat tevens handelt onder de naam Dutch Filmworks.

2.2.

[gedaagde 2] is auteur en producent van (film)scenario’s. Hij is medeschrijver van de Nederlandse televisieserie Keizersvrouwen. KVP is opgericht voor de productie en ontwikkeling van de serie Keizersvrouwen. [gedaagde 2] en [naam 3] zijn (indirect) de gezamenlijke bestuurders van KVP.

2.3.

Op 3 oktober 2018 hebben KVP en Source een distributieovereenkomst gesloten. In artikel 5.1 van die overeenkomst heeft KVP aan Source een exclusieve licentie verleend om het eerste seizoen van Keizersvrouwen te exploiteren. In dit artikel is opgenomen wat precies onder die exclusieve licentie valt (Home Video, On Demand, Pay Tv, etc.). Uit artikel 10.9 volgt dat Source bevoegd is op eigen naam licentieovereenkomsten te sluiten met sub-licentienemers ten behoeve van de exploitatie van het eerste seizoen van Keizersvrouwen (waarvoor zij onder omstandigheden de toestemming van KVP nodig heeft). In artikel 11.1 heeft KVP verklaard en gegarandeerd dat zij over alle rechten beschikt van de bij het eerste seizoen betrokken rechthebbenden om de distributieovereenkomst met Source aan te gaan.

2.4.

Source heeft een Moederovereenkomst met Netflix waaronder (naar haar zeggen) meer dan 500 titels vallen. Op 5 juli 2019 is een amendement gesloten tussen Source en Netflix, dat valt onder de Moederovereenkomst. Het gaat om amendement #49 dat ziet op Keizersvrouwen (“Women of the night”). In artikel 7 van dit amendement is opgenomen dat Netflix bepaalde rechten krijgt, waar het ‘derivative works’ betreft. Op 21 april 2020 hebben Source en Netflix amendement #58 gesloten, dat eveneens ziet op Keizersvrouwen en waarin de licentievergoedingen zijn aangepast.
2.5. Bij e-mail van 24 maart 2021 heeft [gedaagde 2] een brief (gedateerd op 23 maart 2021) naar Netflix gezonden. Hierin is – kort gezegd – opgenomen dat Source bepaalde rechten aan Netflix zou hebben verleend, waarover Source niet zelf beschikt op grond van de distributieovereenkomst met KVP. [gedaagde 2] verzoekt Netflix daarbij te bevestigen dat zij niet over die rechten beschikt en een amendement op te stellen om dit gebrek te herstellen.

2.6.

Bij brief van de raadslieden van Source van 2 april 2021 zijn KVP, [gedaagde 2] en [naam 3] gesommeerd om namens KVP een brief te zenden aan Netflix, waarin zij opnemen dat de brief van 23 maart 2021 als niet verzonden kan worden beschouwd en dat de kwestie tussen Source en KVP zal worden opgelost.

2.7.

Bij e-mail van 9 april 2021 heeft [naam 3] de raadsman van Source onder meer bericht dat [gedaagde 2] de brief van 23 maart 2021 op persoonlijke titel heeft verzonden en dat [naam 3] en KVP Netflix niet hebben aangeschreven.

2.8.

Op 12 april 2021 heeft de raadsman van [gedaagde 2] gereageerd op de onder 2.6 genoemde brief van 2 april 2021. Hierin staat dat [gedaagde 2] niet aan de sommatie zal voldoen, onder meer omdat Source rechten aan Netflix zou hebben verleend die niet aan haar zouden zijn verleend door KVP, en die [gedaagde 2] ook niet aan KVP zou hebben verleend.

2.9.

Bij brief van 16 april 2021 hebben de raadslieden van Source opnieuw verzocht de brief van 23 maart 2021 in te trekken. Mr. Wigman heeft hierop afwijzend gereageerd bij brief van 23 april 2021.

2.10.

Op 20 mei 2021 heeft de raadsman van Source KVP gesommeerd om tot dan toe gemaakte kosten (€ 12.366,00 aan juridische bijstand) en schade aan haar te vergoeden. Bij e-mail van 25 mei 2021 heeft de raadsman van KVP geschreven dat KVP hieraan niet zal voldoen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Source vordert het volgende:
I. [gedaagde 2] en KVP te verbieden om Netflix en/of andere zakelijke relaties van Source te benaderen en daarbij negatieve uitlatingen te doen, dan wel negatieve suggesties te wekken over Source met betrekking tot de rechten op Keizersvrouwen, op straffe van een dwangsom;
II. KVP te veroordelen om een rectificatie te zenden naar Netflix die er – kort gezegd – op neerkomt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat KVP de brief van 23 maart 2021 niet had mogen verzenden en dat die brief buiten beschouwing moet worden gelaten, op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagde 2] en KVP hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 10.000,00 als voorschot op schadevergoeding;
voorwaardelijk, indien geoordeeld wordt dat KVP geen verwijt treft:
IV. [gedaagde 2] te verbieden om Netflix en/of andere zakelijke relaties van Source te benaderen en daarbij negatieve uitlatingen te doen, dan wel negatieve suggesties te wekken over Source met betrekking tot de rechten op Keizersvrouwen, op straffe van een dwangsom;

V. [gedaagde 2] te veroordelen om een rectificatie te zenden naar Netflix die er – kort gezegd – op neerkomt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [gedaagde 2] de brief van 23 maart 2021 niet had mogen verzenden en dat die brief buiten beschouwing moet worden gelaten, op straffe van een dwangsom;
VI. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 10.000,00 als voorschot op schadevergoeding;

voorwaardelijk, indien geoordeeld wordt dat KVP artikel 11.1 van de distributieovereenkomst niet is nagekomen:
VII. KVP te veroordelen tot betaling van € 30.384,15 (de kosten voor juridische bijstand tot op heden);
in alle gevallen:
VIII. [gedaagde 2] en KVP hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.087,38 aan incassokosten;
IX. [gedaagde 2] en KVP hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Source stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat de brief van 23 maart 2021 de druppel is na eerdere incidenten waarbij [gedaagde 2] en [naam 3] achter de rug van Source om rechtstreeks met Netflix hebben gecommuniceerd. Het betreft steeds negatieve uitingen die de professionaliteit en betrouwbaarheid van Source ernstig in twijfel trekken. Source lijdt hierdoor (reputatie)schade. Ter voorkoming van verdere schade moet het [gedaagde 2] en KVP worden verboden Netflix rechtstreeks te benaderen. Jegens KVP geldt dat nakoming van de distributieovereenkomst de grondslag vormt voor het gevorderde verbod. De rechten en plichten van partijen bij een overeenkomst worden immers mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Ook dient KVP de in artikel 14.1 van de distributieovereenkomst opgenomen geheimhoudingsplicht na te komen. KVP mag dus tegenover derden geen uitlatingen doen over de inhoud van de distributieovereenkomst. Mocht de brief van 23 maart 2021 als een persoonlijke actie van [gedaagde 2] worden beschouwd, dan kan die actie aan KVP worden toegerekend. [gedaagde 2] is medebestuurder van KVP en als zodanig bij Netflix bekend. Grondslag voor de vordering jegens [gedaagde 2] is het voorkomen van onrechtmatig handelen. Dit onrechtmatig handelen bestaat uit het verpreiden van misleidende en onnodig schadelijke uitingen.
Voor zover komt vast te staan dat KVP niet over de volledige rechten beschikt, heeft zij de garantie van artikel 11.1 van de distributieovereenkomst geschonden. Zij is dan verplicht de schade en kosten van Source die daarvan een gevolg zijn (claims van derden) te vergoeden. Een en ander volgt uit artikel 11.8 van de distributieovereenkomst. In dat kader wordt het bedrag van € 30.384,15 gevorderd.
Vanwege de de reputatieschade die Source heeft geleden omdat de verhouding met Netflix op scherp is komen te staan, vordert zij een redelijk voorschot van
€ 10.000,00.

3.3.

KVP en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd in lijn met hun stellingen in reconventie, hierna weergegeven onder 4.2.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

KVP en [gedaagde 2] vorderen na wijziging van eis het volgende:
I. Source te veroordelen iedere inbreuk op de auteursrechten van KVP en [gedaagde 2] met betrekking tot het eerste seizoen van de serie Keizersvrouwen te staken en gestaakt te houden;
II. Source te gebieden Netflix ervan op de hoogte te stellen dat Source niet beschikt over de volgende rechten met betrekking tot het eerste seizoen van de serie Keizersvrouwen en die rechten ook niet aan Netflix in licentie heeft kunnen geven:
(a) de exclusieve SVOD rechten voor Nederland;
(b) het recht om een exclusive Right of First Negotiation / Last Refusal te verlenen met betrekking tot “AV Derivative Works” zoals gedefinieerd in Amendment # 49 van de tussen Source en Netflix gesloten overeenkomst;
III. Source te veroordelen tot afgifte van de volledige overeenkomst met Netflix inzake het eerste seizoen van Keizersvrouwen, waaronder de Moederovereenkomst en alle amendementen waarin bepalingen zijn opgenomen die zien op Keizersvrouwen;
IV. Source te veroordelen aan Netflix een rectificatie te zenden die er – kort gezegd – op neerkomt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de kwalificaties van [gedaagde 2] in een e-mail van 21 juni 2021 van Source aan Netflix onwettig zijn en niet gebaseerd op de feiten;

een en ander steeds op straffe van een dwangsom;

V. Source te veroordelen tot
(a) betaling van de gerechtskosten op de voet van artikel 1019h Rv, voor zover dit geschil de inbreuk op intellectuele eigendomsrechten betreft;
(b) betaling van de kosten conform het liquidatietarief, voor zover dit geschil anderszins onrechtmatig handelen betreft;
(c) betaling van de nakosten; en
de onder (a), (b) en (c) bedoelde kosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

KVP en [gedaagde 2] stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. In artikel 5.1 van de distributieovereenkomst worden de rechten die aan Source worden verleend expliciet benoemd. Het recht om de serie te exploiteren ziet uitsluitend op de serie als zodanig, het ‘ready made work’. In artikel 5.2 is expliciet opgenomen dat die rechten die niet in artikel 5.1 worden benoemd, bij de producent blijven. Source heeft aan een derde (Netflix) rechten verleend die zij zelf niet heeft. Een en ander blijkt uit artikel 7 van Amendement #49. Het gaat daar om het bevriezen van rechten op ‘derivative works’ (afgeleide werken) en het recht van ‘first negotiotion/last refusal’ met betrekking tot ‘derivative works’. Mr. Wigman heeft Source hierop reeds gewezen bij brief van 13 augustus 2020. De rechthebbende op die rechten is [gedaagde 2] en [gedaagde 2] heeft zich daarom tot Netflix gewend. Hij heeft daarbij een belang omdat zijn rechten zijn geschonden. Daar komt bij dat [gedaagde 2] in onderhandeling is met een Amerikaanse partij die erin is geïnteresseerd een ‘remake’ van de serie te maken (een remake valt onder de definitie van ‘derivative works’). Na de brief van 13 augustus 2020 heeft Source geen actie ondernomen. De brief van [gedaagde 2] was overigens niet smadelijk of lasterlijk. Het was een correcte brief waarin op zakelijke wijze uiteen is gezet wat er volgens [gedaagde 2] niet klopt. [gedaagde 2] had nu eenmaal een bevestiging nodig van Netflix om tot een deal te kunnen komen met de Amerikaanse partij. Er worden in de brief geen negatieve suggesties gedaan over de professionaliteit of betrouwbaarheid van Source. De brief is dus volstrekt rechtmatig en het gaat bovendien niet om een persbericht dat de wereld is ingestuurd. De schade van Source is in het geheel niet onderbouwd. De artikelen 11.1 en 11.8 van de distributieovereenkomst roepen in dit geval geen aansprakelijkheid in het leven voor KVP.

4.3.

Source voert verweer onder verwijzing naar haar stellingen in conventie.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De concrete aanleiding voor dit geschil betrof de brief van 23 maart 2021 die [gedaagde 2] aan Netflix heeft verzonden. Die brief kwam, aldus Source, na eerdere incidenten waarin [gedaagde 2] , achter de rug van Source om, onder meer de onderhandelingen met de NPO zou hebben doorkruist. In de dagvaarding wordt uitgebreid ingegaan op die eerdere incidenten, maar daaruit valt zonder nader onderzoek naar de feiten (waarvoor een kort geding zich niet leent) niet af te leiden of [gedaagde 2] en/of KVP enig verwijt kan worden gemaakt.

5.2.

Van de brief van 23 maart 2021 kan evenmin worden gezegd dat die in strijd is met de distributieovereenkomst dan wel onrechtmatig. Het betreft, zoals KVP en [gedaagde 2] terecht hebben aangevoerd, een correcte en zakelijke brief, waarin Source geen negatieve kwalificaties worden toegedicht, en waarin [gedaagde 2] voorshands terecht uitlegt dat Source rechten heeft verleend aan Netflix, die Source zelf niet heeft. Artikel 7 van amendement #49 dat is gesloten tussen Source en Netflix strookt immers niet met artikel 5.1 van de distributieovereenkomst tussen Source en KVP. Indien juist is dat [gedaagde 2] in onderhandeling is met een Amerikaanse partij over een ‘remake’ van Keizersvrouwen (dus een ‘derivative work’), heeft [gedaagde 2] er ook een gerechtvaardigd belang bij dat hij hierover duidelijkheid verkrijgt van Netflix. Dit is ter zitting ook erkend door Source. Het gaat Source er dus kennelijk enkel om dat de bewuste brief achter haar rug om is verzonden, het gaat Source niet om de inhoud van de brief. Dat de brief achter de rug van Source om is verzonden en dat Source een groot belang heeft bij een onverstoorde relatie met Netflix omdat Netflix haar grootste klant is, rechtvaardigt niet de toewijzing van de verstrekkende vorderingen die Source in dit geding heeft ingesteld. Source heeft een en ander tot te grote proporties opgeblazen.

5.3.

Daar komt bij dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat Source enige schade heeft geleden als gevolg van de brief van 23 maart 2021. Uit niets is gebleken dat Netflix ook maar enige aanstoot aan de brief van 23 maart 2021 heeft genomen.

5.4.

Op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen stuit toewijzing van de vorderingen I. tot en met VI. in conventie af. Een rectificatie is bovendien in zijn algemeenheid alleen toewijsbaar indien bepaalde uitlatingen in de openbaarheid zijn gedaan, wat hier niet het geval was.

5.5.

Vordering VII. is voorwaardelijk ingesteld, voor het geval geoordeeld wordt dat KVP artikel 11.1 van de distributieovereenkomst niet is nagekomen. Tot dit oordeel wordt echter niet gekomen. In artikel 11.1 verklaart en garandeert KVP dat zij volledig gerechtigd is namens alle betrokken rechthebbenden “deze licentieovereenkomst” met Source aan te gaan. De kern van wat in licentie is gegeven staat in artikel 5.1 van die overeenkomst en op meer dan dat kan de garantie van KVP niet zien. Onder wat in licentie is gegeven in de distributieovereenkomst vallen niet de rechten met betrekking tot de ‘derivative works’. Dit betekent voorshands dat die rechten nog bij KVP en/of bij [gedaagde 2] en/of bij anderen zijn blijven liggen.

5.6.

Source zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KVP en [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht € 2.076,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 3.092,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Kort voor de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft Source een e-mail van Netflix in het geding gebracht van 21 juni 2021 waarin Netflix bevestigt dat zij geen tweede seizoen, spin-offs of (andere) afgeleide werken van de serie Keizersvrouwen zal aankopen. Indien nodig kan dit in een amendement worden opgenomen, aldus de e-mail van Netflix. Hiermee lijkt het probleem van KVP en [gedaagde 2] wel opgelost en hoeven zij niet langer te vrezen voor een inbreuk op hun (auteurs)rechten. Bij toewijzing van vorderingen I. en II. hebben zij dan ook geen (spoedeisend) belang (meer).

6.2.

Nu zij niet langer hoeven te vrezen voor een inbreuk op hun rechten, hebben KVP en [gedaagde 2] er evenmin belang bij inzage te krijgen in de volledige overeenkomst met Netflix inzake het eerste seizoen van Keizersvrouwen (waaronder de Moederovereenkomst en alle amendementen waarin bepalingen zijn opgenomen die zien op Keizersvrouwen). Hierbij wordt er wel vanuit gegaan dat Source aan KVP een kopie zal dienen te verstrekken van het amendement waarop Netflix doelt in haar e-mail van 21 juni 2021 (zie hiervoor onder 6.1), mocht dit amendement inderdaad worden opgesteld. Dit amendement heeft immers (anders dan de gehele Moederovereenkomst) direct betrekking op de positie van KVP. Het beroep van KVP op artikel 10.9 (waarin onder meer staat dat Source aan KVP een kopie van een sub-licentieovereenkomst moet verschaffen) kan haar niet baten. Niet kan worden uitgesloten dat een bodemrechter zal oordelen dat Source ‘zwaarwegende redenen’ heeft als bedoeld in dat artikel om de Moederovereenkomst niet ter inzage te (hoeven te) verschaffen. Al met al leidt dit tot het oordeel dat ook vordering III. zal worden afgewezen.

6.3.

Vordering IV. lijkt te zijn ingesteld onder het motto ‘aanval is de beste verdediging’, maar dat is op zich geen rechtmatig belang om een vordering toegewezen te krijgen. Verder wordt hierbij verwezen naar de motivering van de afwijzing van de vordering tot rectificatie die in conventie is ingesteld.

6.4.

KVP en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. In verband met de samenhang met het geding in conventie worden die kosten op nihil gesteld. Ten overvloede wordt overwogen dat een kostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv niet aan de orde was geweest. Het betreft hier immers hoofdzakelijk een contractueel geschil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.2.

veroordeelt Source in de proceskosten, aan de zijde van KVP en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 3.092,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.3.

veroordeelt Source in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

7.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.5.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.6.

veroordeelt KVP en [gedaagde 2] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Source begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.1

1 type: MV coll: EB